Marcel Orie

Volgens eigen zeggen is Marcel Orie (‘76) afkomstig uit een oude familie van circus- en kermisklanten die in heel Europa en op beide Amerikaanse continenten hun geld verdienden. Zelf heeft de duivelskunstenaar zich op schrijven toegelegd en Een masker met een tong is zijn debuutroman.

Hij put een stukje van zijn inspiratie uit gangsterfilms, sprookjes, Commedia Dell'Arte, de Marx Brothers, de bijbel, superheldencomics, dakzitten, spaghettiwesterns, Alice in Wonderland, Bladerunner, manga en historische geruchten
 

Lees hier een interview met Marcel Orie

Marcel Orie

Een geheimzinnig duel in toekomstig Tokyo, een poppentheater in het Londen van 1888, twee door de Jabberwock bedreigde avonturiers, een contortionist in een vervallen Haagse woontoren... Tien verhalen die schijnbaar niets met elkaar te maken hebben.

Schijnbaar...

Wie is de geheimzinnige Cagliostro? Welke rol spelen Pan, de Verloren Jongens, de kater en de hakkelaar? Wat is er echt gaande?
 

Literair illusionist Orie voert ons mee in een wereld waar meer wordt verteld dan valt te lezen. Ontdek het verhaal achter de verhalen, doorgrond de geheimen van deze mythische schelmenroman. En wanneer je alles denkt te weten, wanneer alles is ontrafeld, begin dan opnieuw, want niets is wat het lijkt...

Met vele binnenillustraties door Tais Teng.
 


omslagtekening:
Tais Teng

onze prijs € 16,95

338 pagina’s paperback. Uitgever: Verschijnsel.

Lees hier uit 'Een masker met een tong' het openingshoofdstuk van dit boek on-line

Besprekingen van ‘Een masker met een tong’

 

Door Jan J.B. Kuipers in Ballustrada

waarom prinsessen opium roken

De juiste verkeerde verbanden (8)

 

Want vanuit dit gezichtspunt is onze voorstelling van de natuur louter
schaduw die geprojecteerd wordt door een realiteit die ons onbekend is
.

Wilhelm Dilthey

 

Bij alles dat we aanraken laten we sporen na,’ vervolgde hij.
‘Is dat geen ontzagwekkend idee?’

Marcel Orie, ‘De wet van het scheermes’

 

Een spook waart door Europa – het spook is soms van hout en soms gaat het gehuld in een papieren hemd, bedrukt met oude en uitgevloeide teksten. Het is het spook van de genres. De genres zijn morsdood, maar niet kapot te krijgen. Als je hun lijken begraaft groeien er subiet nieuwe genres uit: bastaardgenres die met hun gebladerte ritselen in de taal van het ene begraven genre, en met hun bloesems geuren naar de conventies van het andere.
   De genres weten kennelijk niet dat ze zijn overleden, of weigeren dit te aanvaarden. Het zijn spoken geworden.
 

De vermenging van fictionele genres die we tegenwoordig meemaken is eerder een zaak die uitging van de cinematografie dan van de literatuur – en zeker in het weinig geluchte salonnetje van de Nederlandse letteren. De enige vermenging der genres waarover men zich dáár druk maakt is die van het essay en de roman, zoals bij de Libris Literatuur Prijs 2009, gewonnen door Godverdomse dagen op een godverdomse bol van Dimitri Verhulst, ‘bij uitstek een boek dat een genreomschrijving vakkundig omzeilt en zich op allerlei raakvlakken beweegt’. De vermenging of kruisbestuiving in Een masker met een tong, het romandebuut van Marcel Orie (1976), blijft binnen de codes van het verhaal, het gaat hier om fictionele genres en niet om ‘disciplines’. In dit opzicht zaait Orie alleen verwarring door de aanduiding van zijn boek. Zijn dikke ‘roman in verhalen’ is geen roman volgens de traditionele opvatting van dit genre. Of maar een beetje. De hokjesgeest van recensenten en deskundigen heeft overigens de door Orie en (merendeels buitenlandse) consorten bedreven alchemie, namelijk het maken van iets anders uit de bekende elementen en grondstoffen van  sciencefiction, fantasy, grand guignol, thrillers en andere pulpfictie, snel benoemd tot nieuwe genres; men heeft het dan over neo-noir, slipstream (zie het prozathema in Ballustrada 2007 nr. 3/4), new weird en dergelijke.
   De ‘neo-Victoriaanse’ roman is een ander hoofdstuk. Na 1990 is in de Engels- én anderstalige literatuur een behoorlijk aantal romans verschenen (zoals van Michel Faber en Sarah Waters) die zich afspelen in de tijd van koningin Victoria, het grootste deel van de negentiende eeuw dus. In dit subgenre van de historische roman wordt duchtig geëxperimenteerd met de scheidslijnen tussen fictie en biografie; bekende historische figuren bewegen zich tussen puur fictionele karakters en in dito omstandigheden. Net als in de ‘gewone’ historische roman dus, maar literatuurwetenschappers en de kritiek zagen kennelijk reden genoeg om weer een afzonderlijk subgenre te scheppen, een subgenre waarbij vooral het biografische element een rol speelt.

 

De hedendaagse import van genrethema’s en –motieven in de literatuur is deels ook een gevolg van de eeuwige golfbeweging. We willen steeds iets anders, maar wat is ons repertoire toch begrensd. Ooit behoorden bijvoorbeeld de gothic novel en het avonturenverhaal tot de hoofdstroom van de literatuur, en verdwenen daaruit door respectievelijk de enorme vlucht van het kranten- en tijdschriftenwezen, zowel in aantallen titels als in special interests, en de introductie van nieuwe media - allereerst de cinema. En nu zijn die, lange tijd door de culturele elite met dédain bekeken en op zolder bijgezette genres en genreconventies weer aan een opmars bezig. ‘Literatuur wil altijd zijn traditie aftroeven,’ schrijft Ellen van Zuijlen in een doctoraalscriptie over de in de grachtengordel gevierde vermengster bij uitstek Charlotte Mutsaers.

 

Een masker met een tong verscheen eerder dit jaar bij de kleine uitgeverij Verschijnsel van Roelof Goudriaan (Mechelen), een onverveerde David tussen – steeds minder – Goliaths, wiens slingerkogels de vreemdste uithoeken van het luchtruim bestrijken, vóór ze doeltreffend tussen de ogen belanden van in hun vertrouwde baan voortsloffende literaire reuzen. De wervende teksten op de site van de uitgeverij noemen Orie een ‘literair illusionist’ die de lezer ‘meevoert in een wereld waar meer wordt verteld dan valt te lezen’; zijn boek is ‘een mythische schelmenroman’. De verhalen in dit boek lijken vrijwel uitsluitend samen te hangen door steeds terugkerende namen van personages – namen als maskers op non-descripte koppen van uiteenlopende actoren, die behalve hun noemer schijnbaar zeer weinig tot niets met elkaar te maken hebben. En door andere repetitieve stofferingen en achtergrondfiguren zoals de ‘Verloren Jongens’. Soms ook lijken in verschillende verhalen optredende identieke personages andere namen te hebben. Een lange rij van mismaakten, gedegenereerde misdadigers, vermoeide superhelden, halvegaren, gevaarlijke feeksen, raadselachtige intellectuelen en fabelkarakters als de ‘Cyperse Kater’, Reinaarde de Vos en met bewustzijn begiftigde houten poppen (zie ‘Cagliostro’s Groot Poppentheater’, Orie’s neo-victoriaanse hallucinatie in Ballustrada 2007 nr. 1/2) trekt aan de lezer voorbij. Hun vaak onsamenhangende en tegelijk dramatisch verknoopte, doorgaans uiterst gewelddadige avonturen en wederwaardigheden suggereren achter de losse draadjes en groteske mislukkingen een afgrond van haast alomvattende, diepe betekenis. De ‘hoofdstukken’ van Orie’s roman spelen zich blijkens aanduidingen aan het begin ervan af in uiteenlopende plaatsen en tijden: Tokyo 2012, Mulhoon 1947, Londen 1888, ‘ergens, lang geleden’ enzovoort.
 

De centrale maar tegelijk ook de meest ongrijpbare en duistere figuur in Een masker met een tong is Cagliostro, die maar zéér ten dele gebaseerd lijkt op de historische schuinsmarcheerder van die naam, de boef en alchemist uit Palermo. Iets van de graaf van Saint-Germain en de markies De Sade, met diens notie van de natuur als het absolute kwaad, kleeft Orie’s Cagliostro aan. Maar ook deze verdikkingen zijn te beperkt. Cagliostro is óók een incarnatie van de Boze: ‘De man geloofde dat hij eeuwig was. Als de golven die onvermoeibaar aan de kust knagen.’
 

De verhalenroman van Orie, genresloper, cinefiel en stripkenner, is uiteraard in een historisch diagrammetje op te nemen. De invloed van het alweer verbleekte postmodernisme is onmiskenbaar, met zijn waardenrelativisme ten aanzien van popular culture en ‘elitecultuur’. Maar Orie is een van de meest opmerkelijke Nederlandse exponenten van die trend. Hij strooit met motto’s van Von Kleist én van Barrie, de bedenker van Peter Pan. Met panache vermeldt de flaptekst van Een masker met een tong dat Orie een stukje van zijn inspiratie put ‘uit gangsterfilms, sprookjes, Commedia Dell’Arte, de Marx Brothers, de bijbel, superheldencomics, dakzitten [de ex-psycholoog werkt tegenwoordig als dakdekker, JK], spaghettiwesterns, Alice in Wonderland, Bladerunner, manga en historische geruchten.’
   De achtergrond van zijn verhalen is niet een consistente werkelijkheidsconventie, maar een hutspot van oudere cultuurproductie, een palimpsestmethode die óók typisch postmodernistisch is.

 

Mijn twee favoriete verhalen (of hoofdstukken?) in Orie’s boek zijn ‘Hanze de Geluksvogel’ en ‘De wet van het scheermes’. Het laatste is een nieuwe inkleuring van Heart of Darkness (1899) van Joseph Conrad, waarbij de verhaalruimte van de Congo is verplaatst naar de jungle van Zuid-Amerika in 1898. En waarom ook niet, na Coppola’s Zuidoost-Aziatische variant? Bij Orie zien we Kurtz niet in de gedaante van Marlon Brando of, volgens die andere verfilming, John Malkovich; en Orie’s versie van tijdelijk zoetwaterkapitein Marlow draagt niet de wrange en tegelijk nog jeugdige trekken van Tim Roth. Nee, bij Marcel Orie is hij een rechtlijnige sadist (‘Koffie is discipline’) genaamd Ahab, travestie van Herman Melville’s verpersoonlijking van de blasfemie in Moby Dick. Ahabs ‘nieuwe’ schip is de Conradiaanse rivierboot ‘B-A-A-L’, een vaartuig met een uiterst bizarre bemanning die uitsluitend bestaat uit misvormden (‘Penitenten’ volgens Ahab) en verknipte signaalfiguren als de cowboy Stagger Lee.

 

Melville kwam in de jaren negentig scherper in mijn vizier bij de research voor een essay over Thoreau (Elk moment de dageraad), als een door literatuurhistorici wanhopig bij de beweging der transcendentalisten ingedeelde randfiguur; Conrad omstreeks dezelfde tijd, toen ik werkte aan het non-fictieboek Een ster om op te sturen (1995), over de laatste eeuwen van de vierkant getuigde schepen. Conrad en Melville waren - evenals Orie - auteurs die als genreschrijver waren begonnen, weliswaar binnen de bredere literaire hoofdstroom van hun tijd. Beiden waren (ex-)zeelui en bedienden een breed publiek met hun maritieme avonturen, maar ontpopten zich ook als literaire schrijvers wie het om ‘problematieken’ ging. Melville publiceerde in 1857 (Conrads geboortejaar) The Confidence-Man, wel ‘de eerste moderne roman’ genoemd, een boek dat nog steeds driftig wordt bestudeerd en becommentarieerd.  Zijn zwanenzang Billy Budd werd pas gepubliceerd in 1924, drieëndertig jaar na de dood van de tijdens zijn leven al verguisde schrijver en toevallig het sterfjaar van Joseph Conrad.

Conrads meest ‘vooruitgeschoven’ en schokkende roman is zoals bekend Heart of Darkness. Bij Orie is de plaats van Conrads moreel uitgeholde personage Kurtz ingenomen door – uiteraard – Cagliostro. En Orie’s centrale actor is niet de kapitein, maar een opiumverslaafde gevangene van kapitein Ahab en zijn Alptraumachtige bemanning, die nu en dan als het ware commentaar op zijn eigen verhaalsituatie geeft: ‘Zo nu en dan vroeg ik me af of wat er verder allemaal gebeurde, slechts in mijn hoofd plaatsvond.’ Een andere impliciete ‘doorbreking van de vierde wand’, zoals het in de theaterwetenschap heet als rolfiguren vanaf het podium tegen het publiek gaan praten, is het feit dat een bijfiguur als Martin Underwood (inderdaad een man met een schrijfmachine) in 1898 schermt met Freuds in 1913 verschenen Totem und Tabu, waarvan het publicatiejaar op de titelpagina de hoofdpersoon in verwarring brengt.
 

Waar in het ‘origineel’ van Joseph Conrad Kurtz min of meer ten onder gaat aan het besef van zijn morele bankroet en van de aard van de natuur (‘the horror!’), is Cagliostro in Orie’s raadselachtige pastiche de verpersoonlijking zelf geworden van het hart van de duisternis - de belichaming van de primaire levenskracht van wormen en kakkerlakken, die in ons zo’n afschuw wekken omdat zij het ‘kwaad’ vertegenwoordigen, namelijk de blote, bijna bewusteloze, alles verscheurende levenswil; de onkenbare, eeuwige natuur met zijn bespotting van onze fijngevoeligheden, onze pretentie van moraal en morele evolutie. ‘Een kakkerlak leeft nog dagen voort nadat zijn kop geamputeerd is,’ zegt Cagliostro in ‘De wet van het scheermes’. ‘Een worm kun je met een scheermes in twee stukken snijden, maar je zult de worm niet doden.’
   Is Cagliostro duivel, Uebermensch of een heidense god? ‘Ik ben geen god. Ik ben nog lager dan een worm in de modder onder je voeten.’
 

De subtiel, of juist met galmende gong uitgedragen wreedheid en genadeloosheid van ‘de wereld’ in Een masker met een tong, ook tot uiting komend in vele Tarantino-achtige scènes van plastisch, bruut geweld, is goed te rijmen met Orie’s fascinatie voor Japan, met zijn cultuurhistorische signatuur van genadeloosheid (ook tegenover zichzelf) en zijn in ideologisch opzicht nihilistische religies van sjinto en zen-boeddhisme.
   ‘Hanze de geluksvogel’, op het eerste gezicht een fantasyverhaal met tal van bekende sprookjesmotieven (zelfs een prinses in een met klimop begroeide toren ontbreekt niet), blijkt al spoedig een schijnwerper die alle beloftevolle schaduwen en endorfineuze illusies laat oplossen. De meest ‘verre’ fictie van Orie spiegelt juist het onbarmhartigst het leven, dat geen oplossingen en overwinningen kent, maar alleen verwikkelingen en eindigheid. Met de middelen van het sprookje wordt hier het sprookje ontkracht – of verkracht. Marcel Orie werkt hier als een subtiel en tegelijk hardhandig literair homeopaat, die het ‘gelijke met het gelijke’ geneest. De Cyperse kater wordt op een fataal moment een gewone poes, Hanze sneeft aan zijn stupide eigenwaan, de begeerlijke prinses herwint haar isolement om de geneugten van de opiumpijp te kunnen ondergaan.
   -  Maar wat heb je daar eigenlijk aan, het sprookje ontmaskeren en inzien dat er géén spook door Europa waart, tenzij eentje van papier? Is het een functie van onze hypertrofe ratio? Zijn we nog altijd het kind dat zijn eigen speelgoed vernielt, al is het in naam van de ‘waarheid’?
   Ja.
   We moeten wel, het is onze taak.
   Gelukkig is in de literatuur de diagnose tegelijk het medicijn.
   Geheel volgens de conventie van het sprookje stuurt Marcel Orie zijn lezers het bos in, waar een rijk spoor van verwijzingen is gestrooid. Als je die kruimels volgt merk je uiteindelijk dat je niet aan de rand maar in het allerdiepste van het woud bent beland. Hoe komen we hieruit? Een nieuw verhaal?

uit Ballustrada jaargang 23, nummer 3-4 (c) Jan J.B. Kuipers

 

Door Paul van Leeuwenkamp in Holland SF

Een masker met een tong is een indrukwekkend, kleurrijk, onderhoudend en intrigerend boek. Het is ook een boek dat een beetje irriteert, omdat ik niet doorzie wat ik heb gelezen, niet begrijp wat ik aanvoel. “Masker met een tong” is ook een heel poëtisch boek. De superlatieven, dat is de verdienste van de schrijver; het onbegrip mag geheel op mijn conto worden bijgeschreven, al vermoed ik dat er nog wel een paar lezers zijn waarvoor dat geldt.

De afzonderlijke verhalen, gebeurtenissen, beginnen op een intrigerend punt, een punt waarop er iets aan de hand is, en daardoor wordt de lezer meteen gegrepen. “De eetstokjes glijden uit mijn schokkende vingers. Ik veeg het lage tafeltje met de schaaltjes en kommetjes om en smeer de kleverige inhoud over de rieten matten wanneer ik als een krab zijdelings naar de schuifdeur kruip.” En: “Ik ben niet groter dan een jongen. En helemaal van hout.” En:  “Hanze trok al dagen voort en de mist was zo dicht dat hij niet verder voor zich uit kon zien dan een pas of tien.” En: “Een wiegende staart zonder kat? U ziet me niet, maar ik ben er wel.” Beginzinnen van de eerste vier verhalen. In een soepele, directe stijl zet Orie vaak bizarre situaties overtuigend en heel beeldend neer, en vervolgens componeert hij het verhaal zodanig dat het in beweging blijft. Het blijft mysterieus, soms op humoristische, luchtige toon, want al wordt er concreet gehandeld en is er volop actie, de vragen van de lezer worden maar gedeeltelijk beantwoord, of de antwoorden roepen weer nieuwe vragen op.

Neem het eerste verhaal, “Het hoofdstuk Midori”, dat zich afspeelt in het Tokyo van 2012. Een oude man is vergiftigd en sterft, maar een entiteit in die man springt over naar de jonge vrouw Midori, die de stervende man te hulp komt, en neemt haar over. Op de entiteit wordt jacht gemaakt door een tegenstander die uiteindelijk niet alleen machtig is in economische, menselijke zin, maar die net als de entiteit ook over bovennatuurlijke krachten beschikt. Een soort van Highlanders, maar dan anders. Machten die boven de mensen staan en een strijd voeren die al lang gaande is. Aan het eind duikt de Pan genaamde tegenstrever op, in de gedaante van een klein, kaal geschoren Japans jongetje. De entiteit verliest en ligt opnieuw te sterven. “Alles glipt me door de vingers. Alles is voor niets geweest. Dan, uit het niets, hoor ik het tikken van naaldhakken op de straat en ik weet weer wat hoop is.” Einde verhaal, of nee, einde eerste hoofdstuk, want de flaptekst heeft ons verteld dat het een roman is.

Wie is die machtige entiteit? Wie is Pan? Het tweede verhaal of hoofdstuk, “ Cagliostro’s Groot Poppentheater”, geeft daar geen antwoord op, in ieder geval niet direct. Wederwaardigheden van enkele houten marionetten in het Londen van 1888. Hun schepper Cagliostro komt alleen maar voor in de gedachten en verhalen van de poppen, maar het is duidelijk dat hij een machtig wezen is; een magiër, een schepper, misschien god zelf wel. Is hij de entiteit die door Pan werd opgejaagd? Ze ontmoeten elkaar in het negende, het op één na laatste verhaal, hoofdstuk “Pan eet eieren”, dat zich in het Japan van 1930 afspeelt. Daartussen is de lezer achtereenvolgens al ergens lang geleden geweest en in 1947, 1898, 2026, 1986 en 1890, om in het laatste verhaal of hoofdstuk te eindigen in 2021. Cagliostro en Pan zijn een aantal keren opgedoken, maar vaker nog duikt de Cyperse Kater uit het tweede verhaal op, soms in onzichtbare vorm (“U ziet me niet, maar ik ben er wel. Ik zal uw gids zijn. Laat me tegen u praten.”) en in het laatste verhaal is hij degene aan wie die cyborg (de elektronische marionet) zijn bekentenis aflegt. Is hij de entiteit uit “Het hoofdstuk Midori”? Of is het een van de andere personages die opduiken?

Waarom wordt er heen en weer door de tijd gegaan?

Ik krijg de stukken van deze roman niet aan elkaar, maar op een lichte irritatie achteraf na, maakt dat niet eens zoveel uit. Dat komt omdat de verhalen zo helder zijn neergezet, dat ze, ondanks de open einden, allemaal als afzonderlijke vertellingen zijn te genieten. Ook wanneer je de verhalen eerder al in tijdschriften hebt gelezen, ook wanneer je ze daarna afzonderlijk weer tegenkomt, zoals “Pan eet eieren”, dat na het verschijnen van de verhalenbundel verscheen in het literaire tijdschrift “Ballustrada”. Het is niet voor niets dat Marcel Orie werd genomineerd voor de de Brandende Pen 2009, de literaire prijs voor het beste Nederlandse korte verhaal van het literaire tijdschrift Lava, en dat hij winnaar was van de HC-Trofee Schrijfwedstrijd 2008 , van de SLAU (Stichting Literaire Activiteiten Utrecht).

Verhalen waarin beelden uit de genreliteratuur samensmelten met de algemeen menselijke klassieke thema’s tot fantastische Literatuur, met hoofdletter. Een boek voor iedere lezer, een boek om te lezen en te herlezen. De volgende keer lees ik ze eens in de chronologie van de verhalen.
 

Terug

Contacteer Verschijnsel

(c) 2010 Verschijnsel vzw en de diverse auteurs

illustratie Verschijnsel-toren (c) 2008 Tais Teng