Misschien dacht je Groot Amsterdam werkelijk te kennen? Haar marmeren beurzen, die elke derde maandag schoon gespoten worden, de parken op hun massieve stelten van grijs metaal, haar paleizen en sloppen?
Luister: er bestaat een tweede Amsterdam. Diep onder de dunne laag grondwater, waar de Amstel al trager en trager stroomt om in stinkende meren te stagneren. De onderstad is flikkerend oranje en diepe schaduwen, die onophoudelijk lijken te bewegen.
De onderstad ruikt naar angst en wanhoop en apathie. In wrakke tempels, opgetrokken uit lege kratten, offeren tandeloze kleuters ratten aan zelfverzonnen goden. Grijsaards kweken gifzwammen in schemerige tuinen, die zelden verder dan twee stappen reiken. Het gedroogde vel brengt hen kortstondige extase en na twee, drie weken de vergetelheid.
De tuinen blijven zelden lang ongebruikt.
uit: Onderaardse reizen door Eban Hourst,
De Nijvere Hommel, Groot Amsterdam, 1963
Voor de jongen is de Onderstad een fascinerende speelplaats, vol wonderen en mogelijkheden. Op zijn twaalfde wordt een kind hier volwassen. Op zijn dertigste zal hij een stokoude grijsaard zijn.
‘Omhoog!’ blaft de man. ‘Weet je niet wat omhoog is?’
De jongen schudt zijn hoofd. Als hij maar iets dichterbij de man durfde te komen! Hij betast de metaalsplinter in zijn broekzak. De punt is niet langer dan zijn duimnagel. Hij zal de man precies in zijn halsslagader moeten raken.
‘Die kant uit.’ De man buigt zich naar voren. Goed. ‘Er is een ladder. Hij klimt en klimt, duizend sporten. Meer. Een trap naar het zonlicht.
‘Ja meneer,’ zegt de jongen, ‘een ladder.’ Hij verzet zijn rechtervoet een paar centimeter en verplaatst zijn gewicht. Lui met messen noem je ‘meneer’. De jongen trilt van begeerte als hij naar de dolk van de ander kijkt. Een wapen is veiligheid, macht over je vijanden.
Een keer praatte hij met een ander kind (een broertje?) over wie God was.
‘God woont in een hut van ijzer,’ had zijn broertje met grote stelligheid beweerd. ‘Om zijn hut groeit prikkeldraad, helemaal tot het plafond. Niemand durft hem te beroven. God heeft het langste en scherpste mes van de wereld. Hij kan iedereen doodsteken.’
De man doet haastig een stap terug. Buiten het bereik van een uitschietende voet. ‘O nee, o nee. Jij gaat voorop. Hoe heet je trouwens?’
‘Heet ik?’
‘Ja. Je naam.’
‘Ik heb geen naam.’
Ze noemen hem ‘Hé jij’ of ‘Pekhoofd’. De meeste ondersteders zijn blond en het haar van de jongen is opvallend zwart.
De man woelt in zijn buidel. ‘Ik heb wél een naam. Een echte.’ Hij reikt de jongen een vettig kaartje aan. ‘Lees maar.’
‘Ik kan niet lezen. Wat staat er op, meneer?’
‘Ik heet Hans d’Ancy,’ zegt de man. ‘Zwart op wit. Vroeger, vroeger was ik heel belangrijk. Een eigen kasteel. Buigende bedienden. Mensen deden wat ik zei. Boven in het zonlicht.’ Hij blijft de jongen nauwlettend in de gaten houden. ‘Ga de ladder op.’
‘Waarom zou ik? Als ik wegren, haal je me nooit in. Je bent oud.’ Dat laatste vol verachting.
‘Ik geef je eten. Straks.’
De jongen haalt zijn schouders op en plaatst een voet op de eerste trede. De trap verdwijnt in een opening van het plafond.
Bij de zesde trede trekt zijn maag samen. De betonnen hemel ligt nu niet meer dan een meter van hem af. Hij kan de vochtige kiezels met zijn vingertoppen aanraken. Voorbij het plafond? Voorbij de hemel... daar is niets. Zijn wereld eindigt bij het plafond. Hij huivert met bijgelovige vrees.
Hij klimt verder: als je hebzucht niet groter is dan je angst, overleef je niet lang in de Onderstad.
Boven de hemel begint een tweede wereld. Lager. Onbeschrijflijk leeg.
‘Een opslagkelder,’ zegt de man. ‘Hier valt niets te halen. Verder.’
Een tweede trap loopt dood op een stalen luik.
‘Duwen,’ beveelt de man.
De jongen spant zijn beenspieren. Het luik knarst, zwaait omhoog.
Een explosie van licht! Puur zengend vuur.
De jongen krijst. Perst zijn handen tegen zijn brandende ogen.
‘Ach, Zeb!’ vloekt de man en sjort hem door de opening naar buiten. ‘Trek je handen weg! Het went snel genoeg. Alleen maar licht. Niks gevaarlijks.’
Kijk! gilt een stemmetje. Als je blind bent, grijpen ze je.
Hij trekt zijn handen weg, opent zijn ogen.
Vreemdheid omgeeft de jongen. Het plafond straalt blauw en wordt verlicht door een enkele, ondraaglijk heldere lamp. Hij weigert zijn ogen te sluiten, hoewel de tranen hem nu over de wangen stromen.
Theologisch is de jongen niet bepaald onderlegd. Toch herinnert hij zich een verhaal van een priester. Hitte, een wreed, onmenselijk oord.
‘Is dit de hel, meneer?’
Ze wandelen door de wijde straten. De jongen leert snel: de tienduizend kleuren voorbij grijs en oranje.
Doorzichtige ruiten. Die enorme rat met een man op zijn rug heet ‘paard’. Deze kevers zo groot als hutten zijn ‘Galfnise koesen’.
De man onderwijst hem met korte snauwen, trekt hem uit de baan van een galvanische koets, wijst hem een fontein als hij over dorst klaagt.
‘Hier. Naar binnen.’
Een deur schuift open. Ze stappen een lege hut in. De deur glijdt vanzelf achter hen in het slot en de vloer begint te trillen. Iets trekt hem krachtig omlaag, een moment maar, en dan verdwijnt het vreemde gewicht uit zijn benen.
Een minuut gaat voorbij. In een glazen staaf zwemt een lichtend kikkervisje omhoog. Het bereikt de top, dooft. De kamer schokt en de man laat zijn adem sissend ontsnappen, duwt tegen de deur.
Een nieuwe kleur dreunt het brein van de jongen in. Geuren die in dromen thuishoren. Snippers fel gekleurd papier dwarrelen langs.
‘Het park,’ fluistert de man en hij sluit zijn ogen een moment.
De jongen gluurt naar de dolk. Zijn hunkering is verdwenen. Het had even goed een reep vochtig karton kunnen zijn.
‘Ik was vergeten hoe helder groen brandt. De bomen. O God, de vlinders.’
Ze zitten op een kunstmatige heuvel en kijken over het park uit. Sierlijke bruggen krommen over beekjes met forellen en karpers. De man trekt de dolk uit de schede van chitine. Ongehaast.
De jongen duikt opzij, rolt de heuvel af.
‘Nee! Kom terug.’
Hij krabbelt overeind. De man is hem niet gevolgd.
‘Ik doe je niets. Je aast op mijn dolk, niet?’
‘Ja, meneer.’ De afstand tussen hen is groot genoeg voor eerlijkheid.
‘Ik wil sterven. Hier. Nu.’ Hij mikt de dolk in de richting van de jongen.
‘Goed.’ De jongen herkent de blik in de ogen van de man. Hij liegt niet: al zijn oude dromen zijn tot nachtmerries verzuurd. Mensen als hij drinken moedwillig uit de gifmeren en geven hun lichaam aan de Zwarte Rat.
Hij pakt de dolk op, strijkt met zijn duim over de punt. ‘In uw hart, meneer?’
‘Ja. Wacht een moment.’ Hij ademt uit en zuigt de lucht schokkend in, alsof hij de muffe stank van de Onderstad uit zijn lichaam wil verdrijven. ‘Ik verlangde te sterven in het licht van de zon. Maar ik ben te laf.’
‘Ja, meneer,’ zegt de jongen en steekt het lemmet vakkundig tussen de juiste ribben.
Een familie picknickt onder een houten pilaar, die uitwaaiert in een bos groene papiersnippers.
Voedsel! De jongen sprint over de verende bodem en grist de mand weg.
Een uur later braakt hij alles uit. De tweede keer is hij voorzichtiger. Hij eet hij met kleine hapjes, steeds pauzerend om te zien of hij de vette spijzen nog verdraagt.
Een alarmerende loomheid komt over hem. Hij wrijft over zijn buik in een poging die alarmerende zwaarte te verdrijven. Dit is de eerste keer in zijn leven dat de jongen zijn maag werkelijk heeft kunnen vullen.
Als hij zwetend van angst ontwaakt, hebben ze de hoge lamp gedoofd. In het plafond gloeien nieuwe lichtjes. Veel zwakkere.
Hij kruipt de bosjes uit. Het gemurmel van talloze stemmen bereikt hem. Het park is stampvol. Duizenden staan in onbeweeglijke groepjes, hun gelaat naar het plafond gekeerd.
Hij volgt hun blik. Niets.
‘Zie je hem?’ vraagt de vrouw naast hem.
‘Wat?’
‘Daar.’ De vrouw wijst naar de verre lichtjes. ‘Hij kan nu elk ogenblik opzwellen.’
Eén lichtpunt wordt een vette stip, groeit tot een verblindende vlam. ‘Hij beweegt!’ roept de jongen opgewonden. ‘Hij beweegt!’
Ver boven de stratosfeer stijgt ‘Hemelbestormer I’ nog steeds. Verzengende bundels laserlicht stuwen hem hoger en hoger. Over een half uur zullen de lasers van St. Petersburg de taak van het Christiaan Huygensinstituut overnemen en de ballon in een baan om de aarde duwen.
De nieuwe maan glinstert met tienduizenden spiegeltjes, even helder als haar oudere zuster. Het is de eerste van de communicatiesatellieten, die laserboodschappen van continent naar continent zullen kaatsen.
‘Hoe heet dat?’ smeekt de jongen. ‘Wat is het woord?’
De vrouw klopt hem op het hoofd. ‘Het is nog te nieuw om een naam te hebben. Jij mag er een verzinnen.’
‘Oh,’ zegt de jongen teleurgesteld. ‘Maar ik heb zelf niet eens een naam...’
Hij tuurt over de uiterste rand van het park omlaag. Zijn handen omklemmen de titanium reling. Onder hem strekt Groot Amsterdam zich uit tot de gebouwen kleiner dan zandkorrels worden en versmelten met de nevelige hemel.
Hij bekijkt het mes. Het is kleiner dan hij zich herinnerde. Bovendien staat het lemmet een fractie scheef en zit het onder de roestvlekken.
Hij wrikt de dolk tussen de spijlen door en volgt het wapen met zijn blik tot het onzichtbaar wordt.
Ik ben nieuw, denkt hij. Even nieuw als de lamp, die door de hemel kruipt.
‘Je mag zelf een naam verzinnen,’ had de vrouw beloofd. ‘Hans d’Ancy,’ besluit hij, want de man is dood en heeft niet langer een naam nodig. ‘Ik zal een belangrijk man worden in het zonlicht. Mensen zullen mij gehoorzamen.’
Die middag hoort hij voor het eerst een troubadour zijn mandoline bespelen.

(c) 2007 Verschijnsel en Tais Teng. Nadruk en verdere verspreiding verboden.