![]() |
|
|
||||||||||||||
|
|
||||||||||||||
|
|
||||||||||||||
![]() |
||||||||||||||
|
|
||||||||||||||
|
Bloedrood morgenzwart door Sophia Drenth
Hij zag de zon en wist dat het einde naderde. Zo stelde hij op schrift en aldus geschiedde. Juda 24.12
Ondanks dat we wisten dat de kracht van het geschreven woord niet mochten onderschatten, waren we er niet op voorbereid. In hoeverre is iemand immers ooit voorbereid op het einde? Namen we de geschriften niet serieus omdat de inkt amper droog was? Tot mijn grote schaamte moet ik erkennen dat we schapen waren, makke lammeren, in slaap gesust door arrogantie, want nooit hadden we gedacht dat de zon Hem op deze wijze zou verraden, ook al wezen alle tekens er op, ook al zei hij het zelf, dag na dag. We zagen hoe de angst in Zijn preken sloop, en juist daardoor luisterden we niet. Aan Hem twijfelen, betekende aan onszelf twijfelen. Alles en iedereen is vergankelijk, zo ook Hij en het Morgenzwart dat Hij schiep: de zoete belofte van eeuwigheid die Hij zichzelf en Zijn volgelingen had gedaan.
‘Opdat het morgen zwart moge zijn.’ Ik prevelde de woorden als een zinloze litanie. Ik had ze sinds mijn wederopstanding dagelijks uitgesproken, maar in geen jaren hadden de woorden zo oprecht mijn lippen verlaten. Ik was stilaan vergeten wat het gebed betekende. Nu het te laat was, ervoer ik het als nooit tevoren. De woorden vulden mijn wezen tot in alle uithoeken, reikten tot de kleinste zenuw, het nietigste adertje, maar toch voelde ik me leeg van binnen. Het lukte me amper om de klanken verstaanbaar over mijn lippen te krijgen. Wat deed het ertoe? Er luisterde toch niemand. Een angstig lachje stootte zich door mijn strot omhoog, een verstikt geluid van totale wanhoop. Ik onderdrukte het met een huivering. Het was pikdonker in mijn schuilplaats, veel donkerder dan nodig was. Er was geen reden voor angst. Ik was veilig: het was volledig zwart rondom me, zoals het buiten nooit meer zou zijn, een mantel wier bescherming ik kon aanraken en om me heen kon verzamelen als een dikke pels van vossenbont. Even kon ik geloven dat het Morgenzwart nog altijd heerste. Maar niets was minder waar. Ze waren allemaal dood, vergaan in luttele hartslagen. Zijn afwezigheid voelde ik het meest van al, als een gat in mijn borst waar eens een stroom van eindeloze liefde was geweest. Mijn meester, mijn aanbidder en minnaar. Uiteindelijk was Hij het eind met een glimlach tegemoet getreden, had het met open armen opgezocht. Toen het onvermijdelijke daar was, kende Hij geen angst. Hij had een dergelijk oordeel immers eerder ondergaan, maar deze keer zou Hij niet aan het einde ontsnappen, dat was zeker. Met hem stierf het geweten van de wereld. De mensen juichten, zoals ze ook bij Zijn eerste sterven hadden gedaan. Nu was er geen discipel meer die hem kon bewenen. Alleen ik was er nog, en ik had hem verraden zoals alle anderen…
‘Maddalin!’ Ik keek op, terwijl mijn hart als een opvliegende vlinder op Zijn stem reageerde. Niemand anders sprak mijn naam met zoveel liefde uit. Niemand anders kon mij door het spreken van die paar simpele klanken het gevoel geven dat ik onmisbaar was. Ik kon amper geloven dat uitgerekend die stem me uit de diepst mogelijke rouw wekte, want hartslagen geleden had ik nog geloofd dat ik Hem nooit meer zou horen. ‘Geen tranen, Maddalin. Geen tranen, nooit meer. Raak me niet aan, maar laat mij jóu aanraken.’ Ondanks dat de zon niet meer scheen straalde Hij licht uit. Angst overrompelde me, maar toen ik Hem zag glimlachen verloor ik elk gevoel van twijfel. Hij had Zijn belofte gehouden. Hij was teruggekomen. Ik rende op Hem af en Hij sloot me in zijn armen. ‘Ik zei het je toch,’ fluisterde Hij in mijn oor en kuste mijn haar. ‘Niets kan ons scheiden. Niets kan Mij van het leven scheiden. Ik ben Hem. Ik ben de Ene.’ Hij lachte alsof Hij het zelf nauwelijks durfde te geloven, en strekte Zijn gebalde vuisten naar de inktzwarte hemel uit om die bijna uitdagend in zich op te nemen. De zon zou nooit meer schijnen. Het verdriet over Zijn heengaan had het Licht gedoofd. Met Zijn dood en wederopstanding was het Morgenzwart geboren, die illusie die ons decennia lang zou koesteren en voeden. Hij joelde uitzinnig als een kind tegen de duisternis die uit respect voor hem was geboren. Hij had de dood verslagen. Alle twijfel was samen met het Licht heengegaan. Wie kon er nu níet in Hem geloven?
Ik voelde me naakt, was opnieuw wees. Ons egoïsme was verantwoordelijk voor onze ondergang. We verdienden niet beter, want wij stonden in niets boven de anderen. Eens zou Hij het precies zo gepredikt hebben. Ik had het Hem zo vaak horen zeggen: ‘In de ogen van de dood is iedereen eender.’ ‘Maar de Wederopstanding is hetgeen wat ons onderscheidt,’ zou Hij daar later aan toevoegen. ‘Kom en drink.’ Hij was een ander sinds de geboorte van het Morgenzwart, dat leed geen twijfel. Men zei dat het de marteling voor het sterven was die Hem had verbitterd, maar niemand kende Hem zoals ik. Het was het verlies van Zijn moeder dat Hem zo veranderde. Hij had het me niet hoeven vertellen, dat deed Hij nooit in woorden. Ik kon het me maar al te goed voorstellen: Hij was uit de dood opgestaan om er achter te komen dat degene die Hem het leven had gegeven in de tussentijd van verdriet was gestorven. Als Hij eerder de weg terug had gevonden, was dat niet gebeurd, dan had ook zij de eeuwigheid mogen smaken. Hij had de dood weerstaan, maar kon niet ál Zijn geliefden redden. Wellicht verscheen op dat moment de eerste barst in Zijn geloof, klonk toen voor het eerst de fluistering in Zijn hoofd, dat de Vader niet meer dan een waan was, gedachten zonder leiding, zonder functie of waarheid. Was Hij wat sommigen dachten: een bedrieger en een charlatan? Nu ik erop terugkeek, kon ik me indenken dat dat de reden was dat Hij Zijn bloed aanvankelijk met iedereen wilde delen, om het tegendeel van Zijn eigen twijfel te bewijzen, maar het zaaide alleen maar meer twijfel, want velen waren niet opgewassen tegen de kracht van de levenswijn die door Zijn aderen vloeide. Sommigen zullen beweren dat ook ik veranderde. Ik zou ze niet tegenspreken. Getuigen van mijn oude ik bestonden inmiddels niet meer. Mezelf achtte ik op dit moment geen geloofwaardige getuige. In één zonnestraal was ik wees en weduwe geworden. Het enige wat ik nog was, groeide in mijn baarmoeder; het enige wat restte van wat wij, en Hij, waren geweest, een herinnering die nog geboren moest worden. En zelfs die herinnering scheen niet meer dan een illusie, want ik was niet zeker over de identiteit van de vader. Het was koud, terwijl de wereld zou moeten koken nu de zon was weergekeerd. God, wat was het koud. Ik kon me niet herinneren wanneer ik voor het laatst kou had ervaren. Ik wreef over mijn onderarmen om het onbehaaglijke gevoel te verdrijven. Het hielp niet eens een beetje. Met de terugkomst van de zon zou het in mijn ziel voor eeuwig vriezen en dat vreesde ik nog meer dan het Licht. Een enorme honger had zich van me meester gemaakt, ware bloeddorst zoals ik het nooit eerder ervaren had, een gevoel dat doorgaans slechts licht op de achtergrond aanwezig was, als een vergeten verlangen, best prettig; maar nu, sinds de terugkeer van de zon, was het alles, het enige waar ik aan kon denken, zoals Hij al die duistere jaren het enige was geweest. Ik kon het niet weerstaan, wilde dit niet eens, maar moest… maar waarom? Omdat het hoorde, omdat niemand door de dronk mocht sterven, terwijl iedereen die ik liefhad het leven had gelaten. Het enige waarover ik nog kon dromen was over het verleden, want ik had geen toekomst. Ik kon niet gaan. Ik mocht niet gaan. Ik had het hem beloofd. Mag iemand dan niet terugkomen op zijn fouten?
Juda opende de doos eerbiedig. ‘Ze noemen het De Spiegel van de Ziel,’ fluisterde hij, alsof het reliek zou breken als hij zijn stem verhief. ‘Sommigen hebben hun Wederopstanding ingeruild om één blik in deze doos te mogen werpen.’ Ik voelde een rilling langs mijn ruggengraat schieten. Eindelijk zou ik het Ware Licht weer aanschouwen. Hoeveel jaar was het geleden? We telden ze niet meer, niet nu het eeuwig donker was. Seizoenen bestonden niet langer, net zomin als sterven of ouderdom. Dergelijke, banale angsten waar stervelingen dagelijks mee te kampen hadden stonden zo ver van me af. Toch was er een verlangen naar alles wat je niet hebt. Ik was als een kind in de tempel van verleiding, stond oog in oog met het kwaad en overwoog er de liefde ermee te bedrijven. Ik overwoog het niet alleen, ik deed het ook. Mijn gevoelen waren zo sterk, dat ik me niet kon herinneren hoe de anderen reageerden. Weerzin, afkeer, nieuwsgierigheid waren slechts enkele van de emoties de me omringden. Wat ik me veel sterker herinner, was dat ik de eerste was, op Juda na, die het reliek aanraakte. Het laatste zonlicht, gevangen in een stukje spiegel, knipoogde naar me vanuit de duisternis van de bewerkte notenhouten kist. Het deelde alleen wat speldenprikjes uit die sprankelend over mijn lichaam schoten, meer niet, als kinderlijk onschuldige bliksemschichtjes, van mijn tenen tot mijn kruin. Even voelde ik dezelfde spanning als toen ik mijn leven voor de eerste keer aan Hem had overhandigd. Voordat ik er erg in had verliet een zacht lachje uit opwinding mijn lippen. Schuldbewust beet ik op mijn onderlip, dat was nog voordat Hij binnenkwam, want ik wist dat het verkeerd was om te genieten van hetgeen je zou moeten vrezen. Natuurlijk kon de aanwezigheid van het Licht hem niet ontgaan. Hij was een storm. Nooit eerder had ik hem zo tekeer zien gaan. Hij veegde de scherf, Juda’s kostbare spiegel van de ziel, van tafel alsof het ding in brand stond en stampte er net zo lang op tot het laatste beetje zonlicht tot poeder was vermalen. Juda probeerde Hem tegen te houden door zich met een jammerkreet op het Licht te werpen, maar Hij trapte nietsontziend op Juda’s handen en ging hem even later zelfs met zijn vuisten te lijf. Hij hield niet op met schoppen en slaan, totdat wij Hem van Juda af sleurden. Nog nooit hadden we Hem geweld zien gebruiken. Juda bleef op de grond liggen en staarde als een geslagen hond naar zijn woedende meester op. Ik zag hoe het geloof uit zijn ogen wegvliedde en al was ik er getuige van, geloven deed ik het niet, voor geen seconde. Ik geloofde in geen van de voortekenen. Liever sloot ik mijn ogen. Nu het te laat was, sloot ik ze niet meer, uit angst, want alles was voorbij. Als ik mijn ogen sloot zou het Licht mij vinden. ‘Opnieuw verraad je mij,’ spoog Hij, Zijn ogen gek van woede. Inmiddels weet ik dat het angst was. Juda veegde het bloed van zijn lippen. Hij keek ernaar en zag erin bevestigd wat hij reeds lange tijd wist: ‘Vergeven maar nooit vergeten… Je moedigde mij aan, bezegelde je lot met een kus, want ik deed wat Vader wilde.’ Hij raapte zichzelf van de grond. Ik zag hem groeien van een uitgespuugd stuk vuil tot een man die zijn eigen lot in handen nam. ‘Zonder mij was je als oude man gestorven. Dat geldt voor ons allemaal.’ Hij keek ons stuk voor stuk aan. ‘En dan waren we beter af geweest.’ ‘Dan was je in de aarde.’ Zijn woorden trokken als een collectieve siddering door ons heen. Hoe we allemaal van dat idee gruwden… ‘Liever ben ik in de aarde waar de bloemen in mij groeien dan dat ik in deze eeuwige duisternis verder moet leven. Dit is niet wat ons was beloofd.’ Juda’s woorden spraken alles tegen waarin we geloofden, maar toch waren ze met schoonheid gevuld. Ik keek vanaf dat moment anders naar hem dan ik sinds onze wederopstanding had gedaan. ‘Wij zijn slechts zo sterk als de zwakste onder ons.’ Het was alsof Zijn woorden Juda als een klap in het gezicht raakten, harder dan de fysieke aframmeling die hij net te verduren had gekregen. ‘Is het zwak om te verlangen naar wat je niet hebt? Is het zwak om te hopen op verandering, op de terugkeer van een oude liefde? Eens hoopten we op een nieuwe liefde, en zij kwam en bracht verandering. Nu houdt zij ons gevangen.’ ‘Die oude liefde van jou zal ons doden.’ ‘Wie zegt dat? Vroeger leefden wij in haar Licht. Waarom zou het nu anders zijn? Omdat jij het zegt?’ ‘Omdat zij zich van ons afkeerde toen we stierven.’ ‘Toen Jíj stierf… uit verdriet, uit eerbied, niet uit afkeer. Uit liefde.’ Hij knikte. ‘Zij verliet ons omdat ze wist dat wij in haar aangezicht zouden sterven. Met haar bestaat er geen eeuwigheid. Ons Licht schijnt van binnen.’ ‘Dit Licht, deze wereld, dit Morgenzwart is geen Licht. Het is een vloek en ik vervloek het.’ Met die woorden wierp Juda al zijn verachting aan de voeten van de man die hij tot Meester had gezworen en verwoordde hij de onvrede die we al jaren verscholen, zowel voor Hem als voor onszelf. Het was gebeurd. Juda had zich van ons afgekeerd. Vreemd genoeg begreep ik wat hij voelde. Ik stopte de gevoelens weg, uit angst en schaamte. De duisternis was eeuwig, en deze eeuwigheid bleek niet wat we ervan hadden gehoopt. We waren niet meer dan een gevreesde en zelfs bespotte sekte. We hadden de wereld niet verlost. Slechts weinigen durfden Hem te aanbidden, en nog minder van hen waren in staat Zijn bloed te delen. We waren onze dromen vergeten, elk van ons, behalve Juda. Hij durfde te twijfelen. Open en eerlijk. Hij was alles wat geen van ons durfde te zijn. Nooit zou ik deze gedachten in Zijn aanwezigheid openbaar maken. Ik wilde geen afvallige zijn, niemand wil bewust afvallig zijn en alles wat hij kent de rug toekeren. Daar is moed voor nodig.
Niets gebeurt zonder reden. Alles is een test, elke ademteug, maar de eeuwigheid is zo lang. Is het vreemd dat wij verdwaalden? En wie van ons verdwaalde eerst? Hij misschien zelfs eerder dan wij? Welke van mijn zonden was de grootste? Ongetwijfeld die die mij het meeste genot bezorgde. Ik had niet naar hem moeten toegaan, maar ik voelde dat het de laatste keer zou zijn dat ik hem zag. ‘Juda,’ fluisterde ik, ‘ga niet. Het is niet erg. We vinden wel een ander reliek. Samen.’ Hij stond in zijn bijna duistere cel wat spullen in een oude plunjezak te proppen. Zo leefden we, als dieven in de nacht. Hij liet een schamper lachje horen. ‘Samen, Maddalin? Probeer me niet met praatjes tegen te houden. Niemand kan me hier houden. Samen zullen we het Licht nooit aanschouwen. Daar zorgt Hij wel voor.’ De minachting gonsde door zijn hele lichaam. We hadden die middag iets verloren wat we nooit meer terug zouden vinden. ‘Ik weet het.’ Ik ging op zijn brits zitten en pakte zijn hand. Hij hield op waar hij mee bezig was. Wat van zijn woede leek hem te verlaten. ‘Maar als je weggaat, dan zal niets meer hetzelfde zijn. Wat zijn we zonder jou?’ ‘Jullie kunnen best zonder de verrader.’ ‘Hoe weet je dat zo zeker?’ Ik zag hem zelfs in het weinige licht glimlachen. ‘Het is mijn roeping. Mijn werk is gedaan. Voor de zoveelste keer.’ Ik wilde niet dat hij ging, niet zonder dat ik van hem geproefd had. Misschien zou het me de moed geven om gehoor aan mijn gevoelens te geven. Het was snel gebeurd: met een paar tranen wekte ik zijn medelijden en ging hij naast me zitten. Op dat moment geloofde ik werkelijk dat ik zijn troost nodig had. Eenzaamheid is immers de grootste vijand van hen die de Eeuwigheid vergaard hebben. Het was me nooit eerder opgevallen hoe goed gebouwd hij was. Ik had altijd maar oog voor één gehad. Juda zorgde goed voor zichzelf. De eeuwigheid had hem niet verslapt. Niets anders wilde ik, dan dat hij me troostte. We waren even bang als toen Hij die eerste keer gestorven was, alleen leken die duistere uren nu eeuwig voort te duren. Deze keer was er geen hoop op verlossing. Hij gaf zichzelf aan mij. Mijn tanden braken de huid in zijn hals in de meest tedere kus die ik kende. De overgave was wederzijds. We dronken van elkaar tot we compleet verzadigd waren, en daar bleef het niet bij. Levenswijn was niet het enige wat we deelden. De vrije val was begonnen.
Het bloed gutste in een rijke stroom mijn mond binnen. Het was bijna teveel om door te slikken. Ik kreunde. Het herinnerde me aan de eerste keer dat ik het proefde: een onbeschrijflijke sensatie, die al mijn onschuld uitwiste en me het eeuwige gaf. Gulzig dronk ik, bijna kokhalzend, zonder dat de smaak tot me doordrong. Pas toen de man dood was, kreeg ik het koud van binnen. Ik had een leven genomen. Hier was geen sprake van Wederopstanding. Ik drukte mijn trillende vingers op de wond die ik had gemaakt, alsof ik mijn misdaad op die manier ongedaan kon maken, maar het was natuurlijk zinloos. Ik had de hals van de man compleet opengescheurd. Ik veegde de dikke vloeistof die ik tot me had genomen met een trillende hand van mijn kin. Ik had gedronken als een beest. Zo deden we het niet, zo deden we het nooit. Het was een geschenk, een intieme daad, intiemer dan met elkaar liggen. Alles wat heilig was, had ik geschonden. Ik was een beest. Alles was weg. Op dat moment raakte ik ervan doordrongen hoe kleurloos mijn toekomst er uitzag. Mijn enige hoop was het Licht te betreden. Tranen vloeiden over mijn wangen en vermengden zich met de stollende levensresten van mijn slachtoffer. Ik liet mezelf in het stof zakken en legde mijn hoofd op de borst van het snel afkoelende lijk. Langzaam krulde ik me op en nestelde me in de plooien van het dode lichaam, trok de levenloze arm over me heen, precies zoals ik altijd met Hem gelegen had en slechts één keer met Juda.
Wat is erger dan te sterven? Is de dood immers niet zwart, een eeuwig zwart, even zwart als mijn geliefde Morgenzwart: het enige waar ik nog naar verlang? Wat valt er nog te vrezen. Misschien was het Licht geen slechte keus. Het viel te verkiezen boven deze eeuwige vlucht. Ik had lang genoeg in de duisternis geleefd om te weten dat het niets ergers herbergt dan wat je in je ergste nachtmerries kan verzinnen. Waarom zou ik het Licht vrezen? Alles wat ik vreesde was immers reeds waarheid geworden. Vrees bezat geen enkele waarde meer. Ik herinnerde me hoe ik me voelde toen ik in Juda’s spiegel keek: een kind dat voor het eerst begreep wat het leven werkelijk inhield. Zo erg kon het toch niet zijn om in het Licht te treden? Na het Licht komt de duisternis en in het zwartste zwart wacht Hij. Opnieuw zal ik met Hem liggen, voor altijd veilig en geliefd. Voor mij zal het leven morgen zwart zijn, zwart als de eeuwige mantel van de dood. Voor de allerlaatste keer baadde ik in het bloedrood, nam ik een leven, want ik had kracht nodig. Ik bezwoer het. Vandaag zou ik het durven, zoals ik mezelf nu al dag na dag vertelde. Vandaag zou ik de zon tegemoet treden. Vandaag… laat vandaag voor altijd morgen zijn. Mijn handen lagen op mijn buik. Het laatste wat ik had om me aan vast te klampen. Kleine, opstandige beweginkjes waren onder mijn vingertoppen voelbaar, alsof het kind verzet pleegde tegen het naderende einde, en dat terwijl de geboorte niet lang meer op zich zou moeten laten wachten. Opnieuw danste de twijfel door mijn hart als mijn beste bondgenoot en mijn grootste vijand. In mij leefde Zijn bloed voort. Ik had hem beloofd het te voldragen en te baren, lief te hebben en op te voeden, te onderwijzen en te vertellen over de man die haar vader was. Het onrecht legde een knoop in mijn hart. Zelfs als het niet Zijn kind was dat ik in me droeg, dan nog was het van Zijn bloed, want wij waren allen van Zijn bloed. We waren stuk voor stuk uit hem herboren, ook Juda. Er werd mij geen uitweg geboden. Toch was het uiteindelijk niet de belofte die ik aan Hem had gedaan die me tegenhield. Verder dan het eerste straaltje zonlicht dat in mijn schuilplaats viel, kwam ik niet. Ik keek naar het felle licht dat het puntje van mijn teen streelde. Het schroeide mijn vlees met een diepgewortelde haat, of misschien zelfs jaloezie. Mijn adem stokte. Dat kleine beetje zonlicht was voldoende om me inwendig aan stukken te scheuren: een alles omvattende pijn die beloofde dat het eind niet kort en niet genadig zou zijn. Onwillekeurig deed ik een stap achterwaarts en ik wist, ik wist dat ik Hem of het Morgenzwart nooit zou weerzien.
(c) 2008 Verschijnsel en Sophia Drenth. Nadruk en verdere verspreiding verboden.
|
||
|
|
|
||||||||||||||||||||
![]() |
|
illustratie Verschijnsel-toren (c) 2008 Tais Teng |