uit 'Computercode Cthulhu'

 

lees hoofdstuk 1 on-line van

 

      Computercode Cthulhu

      Een Cthulhu-roman door Tais Teng en Paul Harland

 

 

 Computercode Cthulhu - het gebonden boek

 

 

      BEURSGANG AL QA’IDA
      OVERWELDIGEND SUCCES!

      Kingston. Geloof het of niet: tien minuten na de eerste uitgifte waren de aandelen al van N$ 16,12 naar N$ 134,15 gestegen!!!

       Vooral de garantie dat tegen aandeelhouders geen aanslagen zouden plaatsvinden, sloeg in als een bom.
      Dus beste mensen, als je ergens nog wat losse pondjes hebt rondslingeren...

    Uit: THE DAILY SCANDAL

     

    De filmvoorstelling van veertien uur dertig was zelden uitverkocht. Een paar huismoeders op zoek naar avontuur, wat kinderen en verder de normale hoeveelheid werkelozen en leeglopers. Irena Xenakis voelde zich op dit tijdstip toch wat minder op haar gemak. Gewoonlijk bezocht ze de avondvoorstellingen, samen met haar verloofde.
         Ze zou dan ook nooit op de maandagmiddag naar de Futurist zijn gegaan als het niet om zakelijke redenen was. Irena was aankomend advertising manager voor INTEL GB en die middag zou, vlak voor een vertoning van de oude film POLTERGEIST IV, haar eerste commercial in première gaan.
         Haar afdelingschef, Arnold Francis, had haar een kaartje voor de voorstelling in de hand gedrukt. ‘Je hebt de rest van de dag vrij. Maak er goed gebruik van.’
         Irena kon zich voorstellen dat het op een bepaalde manier wel nuttig was het filmpje in de bioscoop te zien. Ze had het concept voor haar baas afgedraaid op haar laptop, maar het was toch heel iets anders als je het zag op de plaats waar het thuishoorde.
         De Futurist was de eerste plaats waar het filmpje op publiek uitgetest zou worden. Alleen als bleek dat het effectief was, zouden ze de aanzienlijk duurdere zendtijd op tv kopen.
         Irena liep langzaam de trap op naar de bovenste zaal. In het voorbijgaan wierp ze een snelle blik in de bar, die op deze tijd van de dag nog gesloten was.
         Een hartversterkertje? Ze lachte bibberig. Plankenkoorts? Ach, welnee, gewoon een vleugje tocht. Het was nogal koud in het gebouw. Ongetwijfeld als gevolg van de bezuinigings-politiek van de directie. Het kaartje was dit jaar al weer vier pond duurder geworden.
         Een jong meisje in een donkerbruine uniformjurk nam haar kaartje aan en hield de deur van de zaal voor haar open.
         Irena was nog nooit eerder in de kleine zaal van de Futurist geweest en de aanblik ervan verbaasde haar enigszins. De stoelen waren trapsgewijs opgesteld, onder een hoek van vijfenveertig graden. Voor het scherm bevond zich een bakstenen muurtje, waarop diverse van de eerder aangekomen bezoekers hun bierblikjes en zakjes gepofte sprinkhanen hadden geparkeerd.
         Irena koos een plaatsje achter twee onguur uitziende jongens. Zwart leer was altijd redelijk veilig. Het waren eerder de lieden in driedelige pakken en Armani alpinopetten die een dame alleen lastig vielen.
         Een van de jongens keek om; het viel haar op dat zijn rechterarm onder de elleboog ophield. De ander staarde recht voor zich uit en kauwde luidruchtig op sprinkhanen, die hij met handenvol in zijn mond propte.
         Het licht in de zaal dimde. Irena ontspande zich. Het gordijn schoof opzij, ergerlijk traag, en de afschuwelijke orgelmuziek viel abrupt weg.
         Als ze gedacht had meteen haar commercial te zien, kwam ze bedrogen uit. Geheel in stijl met de antieke hoofdfilm werd ze vergast op een aflevering van ‘Loony Tunes’: drie Tom-en-Jerry filmpjes die zo infantiel waren dat ze er wel om móést lachen. Ze keek geamuseerd toe hoe Jerry, de muis, zijn tegenstander een pak slaag verkocht met een bezem; toen wierp ze een blik ze op haar horloge.
         Pas kwart voor drie. Normaal gesproken zat ze rond deze tijd te mailen of met responstemplaten te schuiven. Ze voelde zich enigszins schuldig. Zij zat hier lekker onderuitgezakt in de bioscoop, terwijl haar collega’s nog druk in de weer waren.
         De Tom-en-Jerrys eindigden en het bekende ‘That’s all, folks!’ kwam in beeld. Irena ging recht overeind zitten.
         Duisternis.
         Licht. Een beeld van de woestijn, het zand stuivend, de duinen ribbels en richels. Een hand, die wat zand oppakte en tussen de vingers weg liet stromen.
         ‘Zand,’ sprak een stem. ‘Ogenschijnlijk zo gewoon.’
         Het beeld van een afgraving, dan van een immense smelt-oven. De stem van de commentator: ‘Dit zand smelt en zuivert INTEL GB tot het puurste silicium.’
         Een opname van een ronde schijf volgde, met daarop duidelijk herkenbaar kleine schakelingen. Irena zag spetterende vonkjes over de circuits glippen, als een leger overijverige glimwormen. ‘En van silicium bouwen wij chips.’ Hier werd de stem enthousiast. ‘Steeds snellere en steeds slimmere chips!’
         Irena wist dat dit een vals beeld was: de quantumschakelingen op een Intel chip waren intussen alleen maar onder een elektronenmicroscoop zichtbaar en zeker niet met het blote oog. De consumenten hadden echter een vastomlijnd beeld van chips en daarop moest de afdeling Advertising noodgedwongen inspelen.
         De commercial ging verder, maar Irena luisterde niet langer. Er zat iets mis, faliekant mis. De boodschap kwam niet over. Met de overgang van zand naar smeltoven en vervolgens naar circuit en computer had ze een klinisch effect willen bereiken: een imago van hi-tech en koele onaantastbaarheid. Koel was allesbehalve het bereikte effect.
         Het filmpje gaf haar eerder een indruk van grote hitte en droogte, een bijkans Arabisch gevoel.
         Kwam dat misschien door het beeld van het zand? Onzin. Het zand werd niet vertoond in verband met iets anders, het was alleen maar zand, een oer-idee. Bijna een gestalt van zand. Zoals ook de chip een gestaltchip was geweest.
         Het filmpje die ze haar baas had vertoond, had haar die indruk beslist niet geven.
         Dat betekende dat er met de film geknoeid moest zijn. Irena keek op en zag de commercial op het scherm eindigen met een flitsende reeks computergraphics.
         Het beeld verdween: tegelijk viel er een druk van haar oren. De verandering deed haar beseffen dat ze tijdens het filmpje een stevige hoofdpijn had opgelopen. Maar waarom verdween die dan op hetzelfde ogenblik dat de commercial afliep?
         De soundtrack van het ding moest volzitten met ultrasone frequenties, besefte ze. Een fout bij het kopiëren. Misschien. Maar hoe viel dat te rijmen met die indruk van vreselijke droogte en hitte, dat haar direct al bij de eerste openingsbeelden bekroop?
        
    Subliminale beelden! Ze vloekte zachtjes: een van de jongens voor haar draaide zich om en keek haar met glinsterende ogen aan.
        
    Het was de enige mogelijkheid. Iemand had subliminale beelden in haar commercial ingevoegd. Een opname per seconde, te kort om werkelijk waargenomen te worden, maar wel degelijk van invloed op het onderbewustzijn.
         Kordaat stond ze op. Op het witte doek begon een aankondiging voor een nieuwe film - Rocky 18, met de cyberkloon van Sylvester Stallone - maar daar had ze geen oog voor.
         Iemand had met haar commercial geknoeid en ze zou niet rusten voor ze wist wie haar dat geflikt had.

     

    Frankie’s, haar favoriete club, die met antieke rode neonlichten langs de ramen adverteerde, was nog niet open. Gelukkig maar, anders had ze zich nog laten verleiden tot een drankje om de verontwaardiging weg te spoelen.
         Ze liep de club voorbij, langs Navigation Street, om uiteindelijk aan het eind van Broad Street te belanden. Bij de televisiestudio aarzelde ze. Zou ze de bus nemen?
         Beter van niet, besloot ze. Een wandeling zou haar goed doen. Ze zette er stevig de pas in.
         Zoals altijd blokkeerden twee vrachtwagens de hoofdingang van het INTEL GB gebouw aan de Hagley Road. Een ervan droeg een Zweedse naam.
         In de toegangsdeur verscheen een immense kist, getorst door vier mannen: een Systeem T56, zag ze; en nog steeds even onhandig verpakt als altijd.
         Waarom liet de directie ook geen aparte vrachtingang maken? Ze wrong zich langs de kist; een van de Roemeense sjouwers probeerde een hand vrij te maken om zijn pet voor haar te lichten en liet de kist bijna glippen. Een hevig vloeksalvo van zijn collega’s bracht hem tot andere gedachten.
         Irena glimlachte vluchtig naar de man en beende toen de lobby door naar de lift. Op de vierde verdieping liep ze direct door naar haar kamer en trok het kristal dat alle beelden van de commercial bevatte, uit haar archief. Een groene spiraal lichtte op: nog steeds virusvrij.
         Bij het verlaten van het gebouw blikte ze omhoog; de digitale klok op de zijvleugel sprong net op vier uur.

     

    Irena ontgrendelde de stuursloten van haar wagen door haar duim op de vier gevoelige vlakjes te plaatsen. Haar geur, duimafdruk en genetische code vielen binnen de aanvaardbare grenzen: uit het dashboard klonk een peinzend gezoem en de tuit van het gifgasreservoir trok zich met tegenzin in zijn nisje terug.
         Ze zwenkte het asfalt op, laverend tussen de uitgebrande autowrakken van afgelopen vrijdag. Het Sanitaire Peloton staakte nu al een maand: het was twijfelachtig of ze de wrakken ooit nog uit het asfalt zouden losbikken.
         Een halve kilometer verder bereikte ze een beschermde zone en kon de wagen op de automatische piloot zetten. Hier had de plaatselijke burgerwacht een nauwe rijstrook vrijgemaakt door autowrakken op de trottoirs te trekken.
         Met een zucht van welbehagen leunde ze achterover in de versleten nylonkussens. Ze schakelde haar ruiten op spiegelen en stak een sigaret op. Hoogst illegale import uit Colombia, waar geen boer meer de moeite nam coke te verbouwen. Niet als tabak het vijfvoudige opbracht.
         Ze sloot haar ogen en inhaleerde diep.

     

    Duinen doemden op voor haar geestesoog, verstilde rimpelingen in een zandbak zo wijd als een continent. Het landschap leek absoluut bewegingloos, als ingebed in een klomp glas. Ze hief haar hand op om het zweet uit haar ogen te wrijven. Haar arm sidderde en zakte langzaam terug. Positieve actie, hoe gering ook, was hier ondenkbaar.
         ‘Arabië, Arabië.’
         Achter de horizon broeide een aanwezigheid. Iets oerouds en droogs. Stoffig en kwaadaardig. Wachtend.
         ‘Een stad als een mummie,’ fluisterde een stem. ‘Irem. Irem van de duizend zuilen.’ De stem had geen klank of volume en bereikte haar louter als informatie. Zoals je de ondertiteling van een film ook ongemerkt leest. ‘Vertel mij over Irem.’

     

    Een heftige steek tussen haar wenkbrauwen wekte Irena. Haar voorhoofd schrijnde en klopte, alsof ze urenlang door verblindend zonlicht voortgestrompeld was. Ze likte over haar lippen, die alarmerend droog aanvoelden.
         Buiten zwiepten lantaarnpalen langs. Ze zag iedere stalen mast dubbel en omgeven door trillende zomen rood en groen.

     

    Haar elektrowagen snorde de hellende betonbaan naar de ondergrondse garage van het Balsall Heath Park af. Irena remde bij de slagboom, draaide haar raampje open en stak haar identiteitskaart uit. De jonge Chinese bewaker schoof haar kaart in zijn optische scanner, die hem prompt uitspuwde.
         ‘In orde,’ hij wierp een blik op zijn schermpje, ‘miss Xenakis.’ Irena legde een biljet van vijf pond in zijn uitgestoken hand.
         Dat was weliswaar niet verplicht, en mogelijk zelfs verboden, maar alleen een dwaas liet de fooi achterwege. Anders zou zijn scanner haar de volgende keer misschien niet herkennen, of haar kaart in rokende flinters uitbraken.
         Ze parkeerde haar wagen boven het laatste stel vrije klemmen en tikte haar code in op het kastje tegen de muur. De klemmen verschoven een inch of twee, tastten het chassis af en sloten zich met een abrupt klak! om de assen. Drie inch dik, vervaardigd van een keramieksoort die aanzienlijk harder was dan staal: voor een autodief was het eenvoudiger de klemmen uit de betonnen vloer los te bikken dan ze door te zagen.

     

    Buiten straalde de hemel met een eigenaardige zwavelgele gloed, alsof achter de horizon complete steden brandden. De wind was bovendien gedraaid. Ze woei nu uit het oosten in gure, ranzige vlagen. Herfst in haar minst aangename kleed.
         Irena spitste haar oren. Die morgen was ze gewekt door sporadische schoten, maar nu was het rustig. Ze huiverde. Ze dacht liever niet aan de muur waarop haar straat doodliep. Of wie daarachter woonden. Vooral niet wie daarachter woonden.

     

    Op de hoek van Alder Road bleef ze abrupt staan. Wat was dat? Haar blik bleef achter de morsige etalage aan de overkant haken. Saoedi Import: een van die stoffige winkeltjes vol smakeloze prullaria. Ze zocht de uitgestalde waren af: waterpijpen van uitgeslagen messing, porseleinen minaretten, plastic palmboompjes en glazen bakjes met thee.
         Boven de toonbank hing een verdofte holografische poster van een Arabische familie, vier mensen die om het hardst schenen te glimlachen. Een schattig jongetje met ogen als zwart glanzende kralen zat op de schoot van de pater familias. Deze was in een net en bovenal westers kostuum gekleed. Daarnaast hield het zusje de hand van haar moeder vast. De vrouw droeg een lange, geborduurde jurk, terwijl het haar schuil ging onder een zwart zijden doekje. Dat mocht nog net. Noem het
    couleur locale.
         Irena deed een stap opzij om de tafel achter de man in beeld te krijgen. Ja, daar, een hoekje van een modern toetsenbord. Een computer met de bekende INTEL inside!
    sticker. De jongens van de ideële reclame waren in ieder geval grondig. Bovendien wisten ze heel goed wie hun campagnes financierde.
         ‘ER ZIJN OOK GOEDE ARABIEREN,’ beweerde de poster.
         De oorlog met de Verenigde Arabische Emiraten duurde intussen al drie jaar en was minder populair dan ooit.
         ‘Het spijt me,’ zei Irena tegen de poster, ‘maar ik denk niet dat iemand je gelooft.’ Vooral niet als alle jonge Arabieren zingend door het centrum marcheerden in mantels en rode tulbanden die Haroen al Rashid misschien herkend had, maar die in het Midden Oosten al een generatie lang niet meer gedragen werden.
         Wat had haar aandacht getrokken? De poster kon het in ieder geval niet wezen. Die had ze al honderden keren gezien. Wacht. Wat was die glans daar?
         Een koperen vaasje, niet langer dan haar duim, leunde scheef tegen het vensterglas. Vloeiende Arabische tekens krioelden als spinnetjes over de sierlijke rondingen. Een moment leken de karakters echt te bewegen en zich te herschikken tot woorden: ‘Irem, vertel mij over Irem.’
         Irena knipperde met haar ogen. De vaas was glad, onbeschreven...

     

    (c) 2007 Verschijnsel, Tais Teng en erven Paul Harland. Herdruk of verdere verspreiding verboden

     


Terug

Contacteer Verschijnsel

(c) 2010 Verschijnsel vzw en de diverse auteurs

illustratie Verschijnsel-toren (c) 2008 Tais Teng