Finland, De Verenigde Stammen der Inuit
De sjamaan Usmuaq naderde het einddoel van zijn vijfjaarlijkse Eenzame Ommegang: een pelgrimstocht door het uitgestrekte rijk waarover de sjamaan zich meester mocht noemen. Meester slechts bij gratie van Sedna, hield hij zichzelf altijd direct voor, zodra zijn macht hem te arrogant dreigde te maken. In naam van Sedna de Moeder, de Maagd, de Wijze, Oude Vrouw en Haar zoon, de Zon.
Die avond kampeerde Usmuaq aan de rand van het kruiend ijs, zijn gezicht naar de bevroren oceaan gekeerd. Achter zijn rug strekte de toendra zich uit: gelig, borstelig gras, waarvan de diepste wortels door de permafrost tot zwarte draadjes verschrompeld waren.
Twee robbenjagers hadden zich die dag bij hem aangesloten. Misschien werden ze aangetrokken door zijn aura van macht en competentie, misschien ook hadden ze gewoon behoefte aan ander menselijk gezelschap. Usmuaqs rijk was immers een kil en bitter land, en wie eenzaamheid prefereerde boven de nabijheid van zijn naasten dwaalde al snel over de ritselende vlaktes af, zijn ogen gevuld met wapperend noorderlicht, luisterend naar stemmen, die veel beloofden maar enkel namen.
Soms stuitte Usmuaq op de bevroren lichamen van zulke zwervers: lege hulzen, te lang geleden verlaten om hun zielen nog enige hulp te bieden op hun lange reis naar Sedna’s Tuinen.
De robbenjagers roosterden een gevlekte haai boven een rookloos vuur van turf en boden Usmuaq een stomende moot aan. Niemand sprak. De eenzaamheid sloop als een hongerige wolf om hun kamp, maar kon de cirkel van hun saamhorigheid niet doorbreken.
Later op de nacht zette Usmuaq zich op een rotsblok, dat als een kompasnaald naar het noorden wees. De zon hing een handbreedte boven een ijsberg, die hem sterk aan een zeemeeuw deed denken. Dat was een gunstig voorteken besloot hij: de grauwe skua werd als een van Sedna’s boodschappers beschouwd.
De sjamaan verzamelde een handvol rendiermos en verkruimelde het boven een holte in de rots. Hij opende zijn vuurbuidel en schudde de gloeiende kool uit de voering van asbest. Het mos begon te smeulen en zodra de vlammetjes blauw kleurden, voegde hij de veer van een raaf en een nekwervel van een walrus toe. Zwarte rook walmde op, de stank even penetrant als schroeiend haar, en na al die jaren vond hij de geur nog steeds onverdraaglijk.
Usmuaq gespte zijn sjamanentrommel los en zijn vingers begonnen meteen te verkrampen, hunkerend naar het ritme dat hem in trance zou brengen. Zijn vingertoppen beroerden het strakke zeehondenleer: nu eens was het ritme traag als het kloppen van zijn hart, dan weer roffelde en rukte het als een orkaan door de sidderende taigawouden.
Gaandeweg leek de toendra om hem heen te vervagen en bleef enkel het ritme over, een kern van geluid, die zijn hele aandacht opeiste. De sjamaan sloot zijn ogen en maakte zijn geest vrij. Hij merkte een korte weerstand, alsof hij door een veerkrachtig vlies moest breken. Twee hartenkloppen later zag hij zijn slapende lichaam onder zich liggen, de mond half openhangend. Een groene aasvlieg kroop over zijn voorhoofd.
De sjamaan spreidde zijn onstoffelijke armen en voelde ze in vlerken veranderen. In de gestalte van een zwarte raaf wiekte hij op en dreef ver boven zijn domeinen.
Afstand telde niet langer: na vier, vijf vleugelslagen kromde de horizon zich en werd de dampkring een mistige blauwe lijn. Usmuaqs rijk lag diep onder hem, half in het licht en half in het duister. Hij keek uit over de eindeloze toendra’s en doodstille wouden, die als een grijsgroene armband om de ijszee lagen: het leek klein genoeg om zo om zijn pols te kunnen schuiven.
In het hart van zijn imperium glansde de noordpool, de spil van de wereld. Het schitterend ijsjuweel, dat de Inuit Sedna’s Troon noemden.
Uit de tenten van zijn volk steeg rook op, kajaks sneden door het schuimende water. Op het pakijs zag hij zijn jagers staan, onbeweeglijk als standbeelden, die slechts in hun ogen en harpoenarm leefden. Maar wat schouwden die ogen diep in het duistere water! Hoe krachtig waren hun armen!
Mijn volk, dacht de sjamaan, ik deel jullie vlees, jullie bloed. Ik heb jullie lief met heel mijn kille, stenen hart. Bloed van mijn bloed. Broeders, zusters.
Tranen brandden achter ogen, die nu geel en gruwelijk scherp, en niet langer de ogen van een man waren. Hij bewoog zijn nachtzwarte vleugels en gleed over het Eiland van de Hete Bronnen. De vikings hadden het IJsland gedoopt, maar in een imperium dat ijs ís, was dat de verkeerde naam.
Het westelijke continent doemde op vanachter de curve van de wereld: naaldbossen omarmden een reusachtige binnenzee, waarin walvissen fonteinen van mist uitademden.
Zuidwaarts nu.
De bomen ruilden hun naalden voor kwetsbaarder groen. Hier leefde zijn volk in blokhutten, gierstvelden strekten zich tot de nevelige verten uit. Maar het was nog steeds het land van de winter. Hij vloog dieper het continent in en de lucht werd mild en vreemd geurig. Onder hem ontrolde zich een oceaan van gras. Bizonkuddes waren slierten modderig bruin in het intense groen.
Halverwege die continentwijde grasvlakte rees een muur van geglazuurde baksteen op. Een vestingwal, die niet door zijn volk opgetrokken was. De grens van Usmuaqs rijk.
De Azteekse Federatie was als een speer op het hart van zijn rijk gericht. Maar die speer zou nooit geworpen worden. De Azteken waren zijn verre neven, net als zijn volk klein van gestalte, git van haar, zwaar van ooglid. Verre neven, geen broeders, geen gastvrienden. Maar ook geen vijanden.
Alleen je echte familie kun je oprecht haten, dacht de sjamaan. Over de Azteken heerste geen Zoon van de Zon. Hun heerser was geen god, maar een ordinaire sterveling, gekózen door stervelingen. En hoe absurd dat ook leek, het Azteekse systeem scheen te werken.
Zijn ware broeder en doodsvijand regeerde voorbij de nauwe landengte die de twee continenten verbond, in de zuidelijke hooglanden. Mijn broeder de Inca, dacht hij, of, om je bij je ware, geheime naam te noemen, de Lamahoeder van de Eindeloze Bergen.
De sjamaan wendde zich naar het westen en stak opnieuw een oceaan over. Hier was de nacht al begonnen en de reflectie van de volle maan zwalkte over de watervlaktes.
De raaf scheerde langs de kust van het Hemelse Rijk. Shanghai draaide onder hem weg, Peking, het duistere lint van de Jangtsekiang.
De tweede Zoon van de Zon, de Heer der Rijstvelden, was een jaar geleden kinderloos gestorven. De negen voortekens hadden zich nergens in China geopenbaard, zodat zijn nieuwe incarnatie nog onbekend was.
Een moment aarzelde Usmuaq. Het rijk van zijn tijdelijk afwezige broeder was zwakker dan ooit. Maar nog steeds te machtig, te dodelijk log om een overwinning tot meer dan een holle zege te maken.
Bovendien, hij was de Walrusjager van het Witte Licht. Hoe kon hij ooit de vitale functies van de Heer der Rijstvelden vervullen? Zijn doel was heerschappij over zijn broeders. Hij verlangde niet hun plaats in te nemen. Verre van.
Hij wendde zijn blik af. Een langgerekte bergketen rees abrupt uit de golven op: het was een silhouet van puur licht, alsof het uit sterren geboetseerd was. De raaf daalde en individuele lichtpunten werden zichtbaar. Toortsen van vissersscheepjes, miljoenen lampions, offervuren. Boven alles uit rees een afgeknotte vulkaan. Dit moest Nippon zijn, waar de Hovenier der Eilanden heerste, de derde Zoon van de Zon.
Usmuaq hing boven de overbevolkte eilanden die westerlingen Japan noemden, een vlekje diepere duisternis tegen de nachthemel.
Een plotselinge leegte deed zijn nachtzwarte vleugels verstarren, een schokgolf van afwezigheid, van wervelende stilte. Usmuaq viel, herstelde zich met een wilde, rauwe kreet. Daar, in het oosten van Nippon...
Twee vleugelslagen brachten hem boven de hoofdstad van Japan. Hij staarde omlaag, onwillig zijn ogen te geloven.
De poort van het keizerlijk paleis in Kyoto zwaaide open! De vonkende, magische cirkels, waarop zijn vermogens al zo vaak machteloos waren afgestuit, gloeiden niet langer.
De schatkamer van de Hovenier der Eilanden lag onbeschermd.
Hij ving een glimp op van het Zegel van de Zonnegod, het kostbaarste juweel dat een Zoon van de Zon ooit kon bezitten. Meer dan een glimp was het niet. Het zengend gouden licht viel abrupt weg en hij was niet langer zeker het ooit gezien te hebben.
Usmuaq, Eerste Zoon van de Zon, Walrusjager van het Witte licht, Jachtleider van de Verenigde Stammen der Inuit, danste als een vlaag noorderlicht boven de stille tuinen en de verlaten pagodes van Kyoto. Zijn ogen mochten geel en scherper dan die van een mens zijn, maar ze vonden die avond het Zegel niet.
Zijn blik glipte door een rooster van zilveren filigraan en raakte het gezicht van zijn broeder, lichtjes, o zo lichtjes, aan. De mond van Hirohito vertrok even alsof hij de pootjes van een insect voelde en toen werd het gelaat van de keizer van Nippon weer sereen.
Hij vermoedt niets, dacht Usmuaq. Hij droomt. O, jij dwaze broer, die zijn kracht nooit heeft laten ontluiken. Jij god, die gelooft een mens te zijn. Een geniale dief heeft het symbool van je macht gestolen en jij droomt van kleurige koraalriffen en snaterende vissen. Dwaas! Dwaas!
De raaf reed op de ijsorkaan, op de ondraaglijk snelle straalstroom, die door de stratosfeer jaagt en waarop enkel fantomen kunnen navigeren.
Een mens had de magische beschermingen tegen de Zonen van de Zon verbroken, een meestermagiër had het Zegel uit het keizerlijk paleis gestolen.
Geliefde dief, beloofde Usmuaq, ik zal je vinden. Ik zal je mantels van illusie en onzichtbaarheid één voor één verscheuren en tenslotte zal ik je doden. Liefdevol, want hoe kan ik de vijand van mijn vijand haten? Maar het past niet dat een kind van de mensen een Zoon van de Zonnegod berooft. Zelfs als die broeder van mij een blinde dwaas is.
De raaf bereed de ijsorkaan en de horizon werd opnieuw een gekromde lijn, die een mantel van blauwe mist droeg.
Hij was wijs en geduldig, die raaf. En zeer, zeer begerig.
De sjamaan ontwaakte uit zijn trance en de zon hing nog steeds een handbreedte boven de ijsberg, die zo sterk aan een zeemeeuw deed denken.
Zijn reis kon niet meer dan minuten in beslag hebben genomen en de stank van de ravenveer vulde zijn neusgaten nog.
Hij slenterde van het kamp weg tot de lage tenten achter de horizon wegzonken. Usmuaq knielde op de bevroren grond en kuste de steenharde aarde. Vervolgens jaapte hij zijn polsslagader open en liet het bloed omlaag gutsen tot het in een kleine, glinsterende poel bleef staan.
‘Sedna,’ zong hij, ‘luister naar het bloed, dat het bloed van Uw zoon niet is. Uw land is wijd, wijder dan een mens zich wensen kan, maar Uw land is niet de wereld. Hij die niet Uw zoon is, roept U aan.’
Het was een afschuwelijk riskant ritueel, zelfs voor de Walrusjager van het Witte Licht. Hij riep zijn godin niet op in haar incarnaties als Maagd, Moeder of Wijze, Oude Vrouw.
Dit was haar vierde, haatdragendste aspect, vol van jaloezie en ongerichte nijd: De Vrouw Wiens Baarmoeder Onvruchtbaar is. Want Sedna was de vruchtbaarheid zélf, de schepster van al dat zwom en krioelde over de aarde. Dit was haar duistere tegenpool: de Vrouwe van de Droogte, de eeuwige onvervulde maagd, die zich in mensenhuid kleedt en wiens adem de pest en het miltvuur brengt.
Rode druppels spatten uit de poel omhoog en weefden een snoer van bloedkoraal, een netwerk van draden, dat zich verdichtte tot een menselijke gestalte.
Sedna’s stem was schril van verwijt en snerpte door Usmuaqs ziel. ‘Negen zonen verwekte je! De schoot van je vrouw is een waterval van vlees! Zoek je de dood, jager, dat je mijn naam noemde en mij bespotte met je obscene vruchtbaarheid?’
De scharlaken schim torende boven hem uit, stinkend naar zijn eigen bloed. ‘Ik zoek je liefde, Vrouwe,’ fluisterde hij.
Het ding bekeek hem zwijgend. Haar ogen waren korsten ronnend bloed.
‘Kus mij.’
Usmuaq stapte de cirkel van haar armen in en durfde zijn ogen niet open te houden. Hij vond haar lippen tegen de zijne. Zuigend en koud, zo genadeloos koud.
Hij kuste haar opnieuw en haar lippen leken een fractie warmer. Niet langer poolijs, maar gletsjerwater.
‘Open je ogen, geliefde,’ klonk haar stem.
Hij wrong zijn oogleden omhoog. Het leken loden sluitstenen. Ze duwde hem een halve meter van zich af, en legde haar vingerloze handen op zijn schouders. Haar ogen waren de ogen van een lynx, haar tanden de wijd uitstaande ivoren haken van een orka. Een moment was ze beeldschoon in haar pure vreemdheid. Het moment lengde zich, zoals ook de stomende darmen van een rob bijna eindeloos uitgerekt kunnen worden.
‘Wees mijn geliefde.’
‘Ik ben het,’ antwoordde hij en in dat kwetsbare, twijfelend moment was dat de zuivere waarheid.
Ze kuste zijn voorhoofd. Haar aanraking was de aanraking van vlindervleugels. Warm, voedend en warm.
‘Mijn geliefde,’ zei ze. ‘Dit is mijn gift. Hoewel de Walrusjager van het Witte Licht slechts zijn geest buiten zijn land mag sturen, zal ik je een aards lichaam geven, dat de imperia van je broeders kan doorkruisen.’
En Sedna onderwees hem. ‘Ik geef je handen, die ver reiken, benen, die onvermoeibaar zullen wandelen, ogen die schoonheid en wreedheid zien. Ik geef je een tweede lichaam, mijn geliefde.’
Hierna lagen zij bij elkaar en het was een wonderbaarlijk, kuis ritueel, dat in alle opzichten bevredigend was.
Kyoto, Japan
Takao had zichzelf nooit als meestermagiër beschouwd en zelfs zijn beste vrienden zouden hem geen genie noemen. De zoon van een Koreaans wijnschenkstertje, bij haar verwekt door een mompelende leerlooier: een nederiger afkomst was in Japan amper denkbaar.
Een man als hij had weinig opties: hij griste zijden ondergoed van wasrekken of hurkte aan de rand van de markt, bedelliedjes zoemend. Zijn nagels waren tot scherpe scheermesjes geslepen: mocht de volle geldbuidel van een koopman door zijn gezichtsveld deinen dan flitsten ze naar voren om het koord met een soepel polsgebaar door te snijden.
Geen gardist had ooit de moeite genomen hem te arresteren: Takao was als een kakkerlak die over je vloer trippelt. Verpletter hem en er staan honderd anderen klaar om zijn plaats in te nemen.
Die middag slenterde hij met een duizendtal andere bezoekers de keizerlijke tuinen binnen. Net als zij siste Takao van ontzag bij de aanblik van flanerende pauwen, hij stond te dringen om het koperen boeddhabeeldje te kussen en viste een handvol bloesemblaadjes uit de keizerlijke vijvers. Takao genoot van het waterige zonnetje en zijn ogen dwaalden niet één keer af naar de bengelende geldbuidel van de koopman vlak voor hem.
Glimlachend en buigend naar elke vriend of vage bekende schuifelden de bezoekers door de tuinen, een menselijke slang van bijna zes kilometer lang. Langs deze colonne snelden visventers, zwaaiend met stokjes opgerolde tonijn. ‘Sushi! Verse sushi!’ snerpten ze, ‘verwen niet alleen uw ogen, maar ook uw tong!’
Ongemerkt ging de namiddag in de avond over. Bronzen gongen galmden en de bewakers staken kruiken Bengaals vuur aan. Kolommen van gele en groene vlammen wierpen wapperende schaduwen over de grasvelden.
‘Wij gaan sluiten!’ brulde een potige hovenier met een stem als een gebarsten bazuin. ‘Wij gaan sluiten! Begeef u ordelijk naar de uitgangen!
Takao zat net geknield voor een bonsaiboompje en aaide de minuscule naaldjes. Zijn geest was vol suizelende rust: een gevoel dat heel dicht bij pure tevredenheid kwam. De rauwe stem van de tuinier verbrak die betovering. Met een knorretje van ergernis veerde hij op, even beledigd als een kater die in zijn middagslaapje gestoord wordt.
Takao was een impulsief man: zonder een moment te aarzelen zwaaide hij zijn lange benen over het vergulde hekje, doorwaadde een ondiepe karpervijver en dook weg in de schaduw van een mimosastruik.
Gaandeweg stierf het geklik van de houten sandalen weg, de schrille stemmen maakten plaats voor het snerpen van krekels. Twee, drie uur bleef hij onbeweeglijk onder de struik liggen. Pas toen de maan vanachter de tuinmuur omhoog glipte, kwam Takao overeind. Hij sloop over de stille grasvelden, zijn tred zo licht, dat geen van de doezelende pauwen wakker schrok. In het blauwige maanlicht werden de tuinen een sprookjesachtig oord: de ogen van heraldische draken leken in hun kassen te draaien om hem na te kijken, een granieten wijze hief zijn hand op om hem te zegenen.
Takao stak een sierlijk glazen bruggetje over en wierp een steentje in het water. Kringen van puur zilver expandeerden over de karpervijver.
Takao schreed over de grasvelden als een man in een droom. Dit was zíjn tuin, zijn eigen speciale plaats. Na een paar minuten passeerde hij een bordje met sierlijke gepenseelde ideogrammen:
dit gedeelte van de keizerlijke tuinen
is niet toegankelijk voor het publiek
op het negeren van deze waarschuwing
staat de doodstraf
dit op bevel van de keizer
moge hij eeuwig leven!
Takao had nooit leren lezen. Hij wierp een dromerige blik op het bordje, schudde zijn hoofd en liep door.
Zes meter verderop ontdekte hij een tweede plakkaat, een plaat bleke jade met gouden letters:
verderfelijke magiër
moge uw zonen met honden paren
en uw dochters uitwerpselen strooien op uw graf!
U heeft de eerste magische cirkel doorbroken
negen andere cirkels wachten u
elk duizend maal potenter dan de vorige
keer om nu uw vlees nog niet van uw botten druipt
en leef een lang en gelukkig leven
Takao streek met zijn vingertoppen over de gladde jade en likte voorzichtig over een gele letter. De metalige smaak bewees dat het inderdaad zuiver goud was. Een fractie van een seconde overwoog hij de letters met zijn pennenmesje los te wrikken. Takao schudde zijn hoofd. Hij mocht dan een dief zijn, maar hij was ook een Japanner en wist dat schoonheid heilig is. Deze letters waren te perfect uitgevoerd, te volmaakt om te verminken. Alleen een koopman zou laag genoeg kunnen zinken voor zo’n walgelijk hebzuchtige daad.
Sereen wandelde hij verder tot hij aan de tuinmuur kwam. Achter de wal van geglazuurde baksteen rees het keizerlijk paleis op: grillige torens, daktuinen met zwaaiende lampions. Takao slenterde langs de muur tot hij op een kleine deur van gepolijst ebbenhout stuitte en tikte de deurklink met zijn vingertoppen aan: geruisloos zwaaide het deurtje open.
Voor Takao strekte zich een lange, duistere gang uit. Giechelend van plezier trok hij het verduisteringskapje van zijn dievenlantaarn. Hij had de schatkamer van een draak gevonden! Uit deze droom wil ik nooit ontwaken, dacht hij. Laat mij voor altijd slapen!
Takao bleef voor een manshoog paneel van onyx staan. Een menigte bolwangige peuters dartelde over een steile bergweide. Imposante bergen rezen achter hen op, hun toppen omgord door slierende mist. Uit de hemel blikten de onsterfelijken omlaag: grijnzende gezichten, even onleesbaar als Mona Lisa’s gelaat.
Hij huppelde langs rekken met goudbestikte gewaden, aaide een geglazuurde tempelhond met smaragden ogen, opende gietijzeren kistjes met parels en woelde grinnikend in een vaas met platina ringen. Het kwam niet in hem op om zelfs het geringste kleinood te stelen. In deze droom mocht hij voor één nacht een wijze aristocraat zijn, een kunstkenner, en kon hij vergeten dat hij eigenlijk een kruimeldiefje was.
De gang eindigde in een ondiepe nis. Amper vijf stappen diep. Gelig licht vulde de ruimte: een gloed zonder aanwijsbare bron. Op een gietijzeren standaard wachtte een onaanzienlijk kastje. Het leek Takao de gewoonste zaak van de wereld om dat kastje van de standaard te lichten, de deur achter zich te sluiten en naar zijn mimosastruik terug te wandelen. Hij krulde zich op als een zuigeling en viel in slaap met zijn linkerhand op het kastje.
De volgende ochtend verliet hij de tuin, zodra de eerste bezoekers binnendromden. Hij wrong zich door een groepje Russische matrozen en stapte de drukke straten van Kyoto in, het kastje stevig onder zijn arm geklemd.
Takao had het onmogelijke verricht: hij was in de best beschermde schatkamer van heel Azië doorgedrongen, een daad die geen meestermagiër hem zou verbeteren, en was in één klap de potentieel machtigste man op aarde geworden. Twee feiten, waarvan hij zalig onwetend was.
Die nacht droomde Takao dat hij zijn hand uitstrekte naar de zon en zijn schijf moeiteloos uit de hemel plukte. Hij drukte de schijf tegen zijn oor en hoorde het zoemen van tevreden hommels. Het was een droom die hem met een gevoel van plezierige melancholie deed ontwaken.
Twee weken later klonk een bescheiden klopje op Takao’s schuifdeur. Hij trok het zware paneel van chitine op een kier en tastte naar zijn rolmes. ‘Wat moet je?’
In de smoezelige gang wachtte een bode, zijn witgeschminkte gelaat even uitdrukkingsloos als een kabuki masker. ‘Een bericht voor Takao san. Ik neem aan dat u dat bent?’ Hij overhandigde Takao een envelop en hield een vel perkament omhoog. ‘Hier tekenen voor ontvangst.’
Na een korte blik op Takao’s smoezelige mantel, voegde hij toe: ‘Een kruisje is genoeg.’ De lippen van de man krulden in iets wat bijna een glimlach was. ‘Zal ik het bericht voorlezen?’
‘Graag.’
De man verbrak het lakzegel en trok het briefje te voorschijn. Takao’s adem stokte: de boodschap was op een biljet van duizend yen gepenseeld!
‘Wilt u mij op de geishaboot de Vier Dartele Apen ontmoeten? Daar zou ik gaarne een zaak bespreken, die ons beiden tot voordeel kan strekken.’
‘Geen afzender?’ vroeg hij, hoewel hem dat weinig interesseerde. Iemand die bankbiljetten als notitieblok gebruikte was hoe dan ook de moeite waard om te ontmoeten.
‘Nee, het spijt me.’
De geishaboot lag in een van de duurdere uitgaanswijken. Op het dak prijkten porseleinen urnen met narcissen, terwijl zijden vaantjes met zilveren belletjes vrolijk in de wind rinkelden. Takao stak de parelmoeren loopplank over en belde aan. De deur schoof open en de zware geur van sandelhout wolkte hem tegemoet.
‘Kom binnen, Takao san.’ De stem was een aangename bariton, beschaafd, maar absoluut niet verwijfd.
Zijn gastheer verhief zich uit de bestikte kussens en boog. ‘Welkom, bedrevenste aller dieven.’
Takao deed een stapje achteruit en drukte zijn duim tegen de handgreep van zijn mes. Een gedempte klik vertelde hem dat het lemmet van zijn mes zich tot de volle veertig centimeter ontrold had. ‘Ik vrees dat hier sprake is van een misverstand.’
‘Je bent te bescheiden.’ De man hief zijn hand op. Prompt drapeerde een net van spinragdun gaas zich over Takao’s gestalte. Takao floot van ontzetting en hakte met zijn mes op de mazen in. Het lemmet sprong met een hoog, zingend geluid in scherven. De fragmenten bleven een moment in de golvingen van het net dansen voor ze tinkelend op de grond vielen.
‘Een net van gesponnen osmium,’ zei zijn gastheer op conversatietoon. ‘Het stopt alle menselijke gedachtengolven. Binnen dit net is geen magie mogelijk.’ Hij reikte in zijn tuniek en richtte een kleine kruisboog op Takao’s hart. ‘Dit wapen is echter zo ordinair als maar kan. Geen spoortje magie.’
Takao liet zich op zijn hurken zakken, enigszins gehinderd door het wervelende net. ‘Een nogal vreemde ontvangst.’
Hij bestudeerde zijn tegenstander. Een leren jak, afgezet met bont. Opvallend grote neus, de lange, soepele vingers van een dichter, die echter ontsierd werden door eeltrichels en witte littekens. Zware oogleden. Mongools, maar zeer beslist niet Japans. Een Eskimo, dacht hij. Of een Inuit, zoals die barbaren zichzelf noemen.
‘Je verbaast mij,’ zei de man peinzend. ‘Een doodgewoon rolmes. Ik had een regen van alchemistisch vuur verwacht, of een horde vliegende spinnen.’
‘Wat denk je dat ik ben? Een tovenaar soms? Ik kan nog geen water in rijstwijn veranderen!’
‘Jammer genoeg heb ik te weinig tijd om van inventieve leugens te genieten.’ De man verschoof een palletje in de handgreep van zijn kruisboog en haalde de trekker over.
Takao slaakte een onderdrukt kreetje en staarde ontzet naar het glazen pijltje in zijn pols. De zuiger bewoog zich soepel naar voren en injecteerde een blauwe vloeistof.
‘Gif!’ jammerde hij en wapperde woest met zijn hand. ‘Je hebt mij vergiftigd!’
‘Welnee. Het is een waarheidsserum. Meer niet.’
Kleurige vliezen trilden voor Takao’s ogen. Zijn wild darrende gedachten kwamen tot rust en zijn ziel werd een kalme poel.
‘Je drong in de keizerlijke schatkamers binnen. Je wandelde dwars door de krachtigste magische cirkels, die ooit gelegd werden. Je bestal een Zoon van de Zon. Hoe heb je dat in Sedna’s naam klaargespeeld?’
‘Magische cirkels? Ik weet niets van magische cirkels! Ik wandelde door de keizerlijke tuinen. Het was als in een droom. Het maanlicht, de juichende krekels. Ik was gelukkig, gelukkiger dan ooit te voren. Na een tijdje vond ik een deur en ging naar binnen. Dat is alles.’
‘De waarheid!’ gromde zijn tegenstander. Kloddertjes slijm sproeide van zijn lippen. ‘Vertel de waarheid!’ De man balde zijn vuisten, liet zijn adem hortend ontsnappen. ‘Dit ís de waarheid, niet?’ fluisterde hij. ‘Zelfs een god zou niet kunnen liegen met tien cc veronal in zijn aderen.’
Hij bekeek zijn slachtoffer met iets dat bijna medelijden was. ‘Je bent écht een gewoon kruimeldiefje, niet? Iemand zonder een spoortje magisch talent?’
‘Ik kan nog geen wrat wegtoveren.’
De man schudde zijn hoofd. ‘Een onwetende. De magische cirkels waren bedoeld om machtige tovenaars af te weren. Ze vlammen op bij het geringste spoortje van vijandelijke magie en verteren zelfs de machtigste adept in een paar seconden. Wie had ooit verwacht dat een onschuldige de cirkels zou oversteken? Iemand zonder magie of hebzucht.’
Hij streek over zijn kin. ‘En het kastje? Waar heb je dat verborgen?’
‘Het was niet meer dan een souvenir. Natsuki drong aan op het betalen van mijn drankrekening en ik verkocht het kastje aan een Hollandse barbaar.’
‘Zijn naam! Wat was zijn naam? Waar woont hij?’
‘Gran en nog iets. Granville, ja. En hij vertelde dat hij de volgende avond naar Groot Amsterdam zou terugkeren. Dat was vijf dagen geleden.’
De Walrusjager van het Witte Licht was geen bijzonder haatdragend mens. Niettemin, het past niet dat een sterveling een Zoon van de Zon berooft.
De volgende ochtend visten twee gardisten Takao’s lijk uit het Iwatsukanaal. Het gezicht van de dode droeg een bijzonder vredige uitdrukking: zijn lippen waren in een glimlach vol heimelijk plezier bevroren. Zelfs na een vrij grondig onderzoek konden de gardisten geen spoor van geweld ontdekken. In het bloed van de overledene werden minieme sporen veronal aangetroffen, maar dat hoefde niets te betekenen. Tijdens zakelijke transacties namen de onderhandelaars meestal een waarheidsserum in.
‘Beschonken in het kanaal gedonderd,’ concludeerde een van de gardisten. ‘Hartaanval denk ik.’
‘Zo zat als een vos in de hemel arriveren,’ zei zijn collega. ‘Daar zou ik voor tekenen.’

(c) 2007 Verschijnsel en Tais Teng. Nadruk of verdere verspreiding verboden.