uit 'De wintertuin'

 

lees on-line uit

 

      De wintertuin

       door Paul Harland

 

 

 De wintertuin

 

    Buitendijks in straten van licht

    door Paul Harland en Tais Teng

    (eerste hoofdstuk)

     

    Zoals iedere ochtend, verzette Tess zich uit alle macht tegen het wakker worden. Uiteindelijk zou het bed natuurlijk winnen. Als ze niet snel opstond, verstrakte de matras onder haar en werden de lakens stukje bij beetje naar beneden getrokken.

     Ze draaide zich op haar linkerzij en slaakte een klaaglijk geluidje. Onder haar benen begon de matras langzaam de consistentie van marmer aan te nemen. Ze slaakte een zucht en opende in arren moede haar ogen.

     Asgrauw ochtendlicht viel door de brede ramen naar binnen. De diamanten kubus op de sokkel aan haar voeteneind smeerde het uit tot een vage regenboog over haar middenrif.

     Een antieke radiobuis hing als een zwarte schaduw in het hart van de diamant.

     Het was dit type buis, door haar bet-overgrootvader in productie gebracht, dat de basis was geworden voor het immense familiekapitaal.

     Tess stapte uit bed, trok haar zijden ochtendjas over haar schouders en slenterde naar het westelijke raam. De woonboten van Buitendijks waren van deze afstand niet als afzonderlijke schepen zichtbaar: een wanordelijke klontering van stippen en strepen. De straten van licht lagen in een mikado-spel van haardunne gloeilijnen over de vuilgrijze zee.

     Tess gaapte, leunde op de vensterbank. De zon rees allengs hoger. Een eigenaardige goudgele gloed stroomde uit over de zeewijken. De centrale uitkijktoren wierp een indigo schaduw die tot voorbij de horizon leek te reiken.

     In het felle licht verbleekten de straten van licht tot grijze draadjes spinrag. Links in Tess’ blikveld rees het Fluwelen Gordijn op: een muur van wapperend zwart Noorderlicht die Engeland hermetisch afsloot van de rest van de wereld. De Britse eilanden waren het nieuwe Verboden Rijk, mysterieus en onkenbaar. Diplomatie noch spionagesatellieten vermochten haar zelfgekozen isolement te doorbreken.

     Van achter Dijk Europa zwol het loeien van de ochtendsirenes aan. Tess rende naar het landinwaartse raam; het hemelweb gleed als een omhoogvallende vitrage voor de zon langs, waaierde vanuit het zenit omlaag over het Binnendijkse land. De lucht nam een nadrukkelijk roze tint aan.

     Het deed haar altijd genoegen het belangrijkste product van haar bedrijf zo opvallend in actie te zien: een betere reclame had ze zich amper kunnen wensen. ‘Wie heeft er een ozonlaag nodig,’ mompelde ze, ‘als je een hemelweb hebt?’

     De zonden van de vaderen hadden haar geen windeieren gelegd.

     Het holografische schilderij aan de wand reageerde op haar stem. Het beeld nam diepte en kleur aan; het gezicht draaide zich naar Tess. ‘Zo is het maar net, meisje.’

     Tess snoof. Ze bracht haar rechterhand naar haar mond en schraapte met de snijtanden over de muis van haar duim. Een zenuwtic die ze al drie jaar tevergeefs probeerde af te leren. ‘Wat je zegt, pa,’ antwoordde ze lusteloos.

     Ze knipte met haar vingers en het hologram loste op in een spiraal van blauwe vonken.

     

    De vergaderzaal was een zorgvuldig gereconstrueerde vliegtuighangar in marokijnleer en goud. Miniatuur Spitfires manoeuvreerden als zwermen boze horzels net onder het gebeeldhouwde plafond. De achterwand van de zaal keek uit over een scharlakenrode raffinaderij onder een meedogenloos blauwe hemel.

     Een heraut stapte uit zijn muurnis en bracht zijn zilveren Stentor aan zijn lippen. ‘Dames en heren! Uw aandacht!’ galmde het door de zaal.

     Tess voelde een steek van ergernis. De heraut droeg haar bedrijfslogo in zijn linkerwenkbrauw. Een kunstmens. Was ze soms niet belangrijk genoeg om door een menselijke omroeper te worden aangekondigd?

     ‘Hare Excellentie, de Maria Theresa Telefunken von Eindhoven.’ Nou ja, hij trof wèl de juiste toon. Per slot van rekening waren er een stuk of twintig Telefunkens von Eindhoven. Maar slechts één Maria Theresa.

     Het geroezemoes in de zaal verstomde. Honderd gezichten draaide zich in haar richting.

     Ze schreed naar de plexiglazen zetel aan het hoofd van de tafel. De president van het Europees Conglomeraat sprong overeind en bracht haar hand naar zijn lippen. ‘Goedemorgen, mevrouw.’

     Tess verwaardigde zich een koel glimlachje. ‘Goedemorgen, Grigushka.’

     

    ‘En daarom,’ besloot Tess haar betoog, ‘ben ik van mening dat we de kolonisatie van Afrika ogenblikkelijk in stemming moeten brengen. Oom Inuit?’

     De getaande man – geen echte oom, maar haar vertrouweling en lijfwacht – lichtte zijn voeten van tafel en schoof zijn bolhoed op zijn achterhoofd. ‘Stemming: de kolonisatie van Afrika. Geschatte kosten: een komma drie maal tien tot de tiende ECU. Geprojecteerde opbrengst: zeven komma zes maal tien tot de twaalfde ECU over de eerste dertig jaar.’

     ‘Ik zie niet in waarom we moeten stemmen over zo’n klein project,’ mompelde de onderdirecteur voor personeelszaken duidelijk hoorbaar. Hij drukte zijn duim op het leesvlak, linksonder op het scherm van zijn terminal. De ingebouwde analysator las zijn genetische code en bekrachtigde zijn stem.

     ‘De uitslag van de stemming...’ Oom Inuit las enkele getallen van zijn monitor af. ‘Tegen: dertig procent. Voor: zesenvijftig procent. Onthoudingen: veertien procent.’

     Tess keek de zaal rond. Op de meeste gezichten las ze instemming; alleen de president van het Europees Conglomeraat keek ronduit bedrukt. Die zou ze in de gaten moeten houden.

     Ze grijnsde naar oom Inuit en stak haar rechterduim omhoog.

     

    Op haar beeldscherm verscheen het teken voor ‘vertrouwelijke mededeling’: een cobra die zich door een zonnewijzer kronkelde. Ze drukte op de ontvangsttoets.

     ‘Moge uw hemel immer rood blijven,’ begon de boodschap op de gebruikelijke wijze. ‘Wees zo vriendelijk om...’ Ze klakte met haar tong en reikte naar de wisfunctie.

     Een chantagebrief, de vijfde al deze week. De afperser eiste een miljoen ECU op een beschermde bankrekening, te storten binnen de eerstvolgende honderdtachtig seconden. Zo niet, dan...

     Haar hand verstijfde boven het toetsenbord. De boodschap was ondertekend met ‘rechterduim.’

     Iemand was er achter gekomen dat van alle Telefunkens von Eindhoven, Tess wel het minste recht had op de plexiglazen zetel. Een miljoen ECU? Een miljard was nog geen te hoog bedrag geweest. Ze moest haar geheim tot elke prijs beschermen.

     Het getal ‘180’ sprong links boven op haar scherm aan, in dikke gele cijfers. Het veranderde direct in ‘179’.

     

    Zodra de vergadering afgelopen was snelde Tess terug naar haar privé-vertrekken. Ze plofte in een stoel. De meeldraden van de bloesemklok wezen zes over twaalf.

     Ze had de één miljoen ECU via haar speciale rekening overgemaakt. Een rekening die beveiligd werd door een hoogwaardig speurprogramma, dat feilloos de identiteit van de ontvanger achterhaalde. Ze hoefde alleen maar te wachten... Ah.

     De printer op haar bureau snerpte, en spuwde een strookje bedrukt cellofaan uit. Een enkele naam, geen adres: A.T. Skagge, gevolgd door de gebruikelijke persoonscode. Dat wijf van Skagge weer. Ze haalde haar schouders op; eigenlijk had ze dat wel verwacht.

     

    Ze riep het internationale bevolkingsregister op en vroeg naar ‘A.T. Skagge, 0421430777-THS’. Centraal op het beeldscherm verscheen een blauw ovaal met de tekst: ‘Slechts toegankelijk voor houders A-status.’

     Geen enkel probleem. Tess plaatste haar rechterduim op het leesvlakje. Zelf was ze een dubbel-A.

     Het scherm flitste twee keer. Het ovaal vermeldde nu: ‘Niet toegankelijk.’

     Niet toegankelijk? Waarschijnlijk weer een computerfout. Geërgerd hield ze haar duim nogmaals tegen het leesvlak.

     Ditmaal vulde het blauwe ovaal het hele scherm. ‘System Malfunction,’ vermeldde het.

     

    Ze verzocht om het dossier van de onderdirecteur waterwerken, Frank Leclerq. Ze wist zijn persoonscode nog uit haar hoofd. Hun verhouding had een voor Tess ongebruikelijke twee maanden geduurd.

     De computer spuwde zonder mankeren een tachtig bladzijden dik dossier uit. Geen systeemfout, dus. Iemand zat met zijn tengels in haar gegevensstroom te roeren.

     

    Tess verbrak het vacuümzegel van haar muursafe en trok een omvangrijke leren map tevoorschijn.

     Het testament van haar vader lag bovenop; het handgeschepte papier begon al aardig te verkleuren.

     Het hologram van A.T. Skagge daarentegen was nog kristalhelder.

     Ze bestudeerde het portret van de jonge vrouw. Het honingraatkapsel, ooit zo schokkend revolutionair dat de eerste draagsters door de politie waren opgepakt, deed nu belachelijk ouderwets aan. Onvoorstelbaar dat ze er als klein meisje zelf nog mee gelopen had.

     Het gezicht was eigenlijk wat te popperig naar haar smaak, maar ze kon zich voorstellen dat haar vader het heel aantrekkelijk had gevonden. Al was het maar bij contrast. Tess’ moeder had het soort profiel gehad dat het goed deed als beeldenaar op munten, maar dat bij geen enkele man romantische associaties opwekte.

     ‘Goed, Skagge,’ zei Tess zacht. ‘We spelen het op jóuw manier.’

     

    Tess had haar vaders maîtresse nooit in levenden lijve ontmoet. Ze stuitte voor het eerst op de naam ‘A.T. Skagge’ de dag dat ze twintig werd, vier uur nadat haar vader definitief overleden was. Als enige opvolgster had ze persoonlijk de hart-long machine uitgeschakeld toen het EEG-patroon op de monitor tot een rechte lijn was afgevlakt. Ze luisterde onbewogen hoe het geluid van de motoren omlaag buitelde door de octaven. De dood van haar vader deed haar niets, op dat moment; hij lag al vier maanden in coma. Het laatste afscheid had ze weken geleden genomen.

     Oom Inuit wachtte haar op in de receptie van het bedrijfshospitaal, een verzegelde koker met notariële papieren onder zijn rechterarm.

     ‘Oom Inuit.’ Ze wees naar de koker. ‘Je hebt het testament rond?’

     ‘Jazeker, meisje.’ Hij keek haar enigszins bevreemd aan. ‘Is Rudolf...’

     ‘Natuurlijk. En je weet best dat het hele gedoe niet meer dan een formaliteit was. Hij was al lang dood.’ Ze vouwde haar armen. ‘En?’

     Oom Inuit ontweek haar blik. ‘De hele mikmak is van jou, natuurlijk. Tot aan de laatste telefooncel.’

     

    Haar aanstelling tot algemeen directrice van Hemelweb B.V. nam niet meer dan vijf minuten in beslag. De hoofd-accountant bood haar ceremonieel het in zilverdoek gebonden jaarverslag aan, ter ondertekening. De raad van bestuur zong het bedrijfslied. En dat was het dan.

     Voor de werknemers echter begon nu een tien dagen durend feest. Zeventienduizend ton eerste kwaliteits modderkreeft werd op kilometerslange grills geroosterd. ’s Nachts brandde Tess’ portret in flikkerende aurora’s tegen de nachthemel, terwijl eskaders feestelijk versierde luchtwagens goedkope Haïtiaanse horloges over de menigte uitstrooiden. Wijn vloeide in kolkende rode watervallen langs de taluds van Dijk Europa. Mechanische olifanten wiekten over op vleugels van magnesium. Elke honderd meter dropten ze een concertpiano van lillend dubbelzout.

     Tess leunde over de balustrade van het statiebalkon en wuifde naar de hossende menigten. Ze nipte aan een rubber beker met haar favoriete champagne.

     Oom Inuit tuurde bekommerd naar het schermpje van zijn zakrekenmachine. ‘Het kost je dertig miljoen per dag, meisje. En je wilt dit tien dagen volhouden? Is dat het waard?’

     Tess hief haar hand op. ‘Luister!’ Op Dijk Europa scandeerde een koor van honderd miljoen man haar naam.

     ‘Voor een feest is het prijzig,’ zei ze. ‘Als populariteitscampagne is het spotgoedkoop.’

     Oom Inuit liet zijn rekenmachine in de binnenzak van zijn pelsjas glijden. ‘Zo te horen zul je een uitstekende directrice worden. Een waardige opvolgster voor Rudolf.’

     Tess zweeg. Ze leegde haar beker, wierp hem tegen de muur. Hij stuiterde over de balustrade en verdween in de menigte. ‘Ik had toch liever vader zelf nog op die plaats gezien.’ Ze maakte een geërgerd gebaar. ‘Geld? Macht? Die heb ik altijd bezeten. Dit is alleen maar meer van hetzelfde, maar nou verwacht iedereen dat ìk elke dag een paar uur in die afschuwelijke plexiglazen stoel bivakkeer! Als het kreng nou nog een beetje lekker zat...’

     ‘Als dat alles is,’ zei oom Inuit, ‘waarom vervang je dan de stoel niet door een eiderdonzen zitzak? Jíj bent tenslotte de directrice.’

     ‘Het is zíjn stoel!’ barstte Tess uit. ‘Die kan ik toch niet zomaar weggooien?’

     ‘Het is een herinnering aan je vader,’ beaamde oom Inuit.

     Tess beet op haar onderlip. ‘Vader? Ha! Jouw Rudolf was altijd ‘meneer de directeur’. Zelfs voor mij. Op mijn verjaardag stuurde hij twee verhuiswagens vol presentjes. Om elke wagen zat een grote gouden strik waarop ‘van papa, voor zijn allerliefste dochter’ stond.’ Ze trok haar schouders op. ‘Van jou, oom Inuit, kreeg ik altijd maar één heel klein pakje. Daar stond op: ‘voor Tess’. En het was altijd iets wat je zelf gemaakt had. Weet je nog, die ivoren pinguinpuzzel? Vijfenveertig stukjes, en hij was maar drie centimeter hoog!’

     ‘En toch?’

     Tess schudde haar hoofd. ‘Als vader me maar één keer een nachtzoen had gegeven. Eén keertje. Dan zou ik hem nu niet zo missen.’

     ‘Misschien had Rudolf best een goede vader kunnen zijn,’ zei oom Inuit. ‘Maar het bedrijf gunde hem eenvoudigweg de tijd niet. Neem je eigen telefoon nou. Is er ooit een ogenblik dat die niet rinkelt?’

     ‘Als ik thuis ben trek ik de stekker er gewoon uit.’

     Oom Inuit klopte haar op de schouder. ‘Heel verstandig. Maar dat is nou juist wat Rudolf nooit kon. Hijzelf noemde het plichtsbesef, maar wees eerlijk: hij was gewoon aan werken verslaafd.’

     Hij nam haar bij de arm en leidde haar het appartement binnen. ‘Ik heb nog iets voor je. Rudolf wilde dat ik het je gaf na je aanstelling. Als je je draai een beetje gevonden had.’

     Tess leunde tegen oom Inuit’s schouder. De vertrouwde geur van zijn pelsjas drong haar neus binnen: rokerig, met een vage ondertoon van muskus.

     Ze keek op naar zijn gezicht. Oom Inuit scheen nooit een dag ouder te worden. Zijn gezicht was een breed, gebruind ovaal, de wenkbrauwen zware luifels, de ogen nooit meer dan spleetjes. Alsof hij voortdurend over een blikkerende ijsvlakte tuurde. Over zijn voorhoofd liep een pokdalig litteken dat zijn linkerwenkbrauw kruiste.

     Over dat litteken had hij haar, toen ze een klein meisje was, tientallen sterke verhalen verteld: een uit de hand gelopen ijsberenjacht, een worsteling met een hondsdolle huzaar, een kudde op hol geslagen neushoorns. Later was ze tot de conclusie gekomen dat hij het litteken zelf had laten aanbrengen en dat het een louter kosmetische functie vervulde.

     Voor een buitenstaander was oom Inuit ongetwijfeld een bizar personage. Naast een bolhoed en een smetteloos wit overhemd met vlinderdas, droeg hij een volumineuze pelsjas en geborduurde bontlaarzen. De zakken van de jas bevatten, behalve een keur van lichtpennen, telefoons en een draadloze modem, ook een set walvisbenen harpoenen.

     ‘Hier heb je hem dan,’ zei oom Inuit. Hij reikte haar een envelop aan. Op de voorkant stond haar naam in het hoekige handschrift van haar vader: ‘Maria Theresa Telefunken von Eindhoven. Te openen na mijn dood’.

     ‘Zal ik je even alleen laten?’

     Tess schudde haar hoofd. ‘Als het van vader afkomstig is, weet je toch wel wat er in staat.’

     

    ‘Beste Maria Theresa,’ begon de brief. ‘Ik besef dat ik als vader ernstig te kort ben geschoten. Mijn huwelijk met Hildegard Telefunken von Eindhoven was nooit meer dan een zakelijke overeenkomst. Hildegard was een nicht van mijn vaders kant; ons samengevoegde genetische patroon was bijna identiek aan dat van de oprichter van het bedrijf.

     ‘Ik hoef je niet te vertellen dat het stemrecht van een Telefunken von Eindhoven direct samenhangt met zijn genetische zuiverheid. In jou wilden we een perfecte dochter scheppen, een waardige algemeen directrice. Hildegard liet het aan mij over om een goede draagmoeder uit te zoeken.

     ‘Nu komt het meest gecompliceerde stuk. Men beschouwt mij in het algemeen als een koel en cerebraal mens. Niets is minder waar! Maar in mijn positie kan ik me niet veroorloven welke emotie dan ook te tonen. Je weet wat die arme oom Archibald overkomen is.

     ‘Ik had al twee jaar een verhouding met een van mijn secretaresses. Je hebt haar nooit gekend; haar naam was Anna T. Skagge. Ze vertelde me dat ze zwanger van me was.

     ‘Dat plaatste me voor een dilemma. Uit bedrijfspolitieke overwegingen zou het kind vernietigd moeten worden; het was ondenkbaar dat er een Telefunken von Eindhoven buiten de opvolgingslijn geboren werd. Dus vertelde ik Hildegard dat ik Anna als draagmoeder had uitgekozen, en dat het embryo al in haar overgeplant was. Ik heb aan heel wat vreemde en onwettige touwtjes moeten trekken... Acht maanden later werd jij geboren.

     ‘Ik vond dat je dit moest weten. Je bent een kind dat uit liefde geboren is. Bedrijfspolitiek had er niets mee te maken.’

     

    Tess keek oom Inuit aan. ‘Jij wist dit?’

     ‘Je vader had voor mij geen geheimen.’

     Tess slaakte een klein kreetje. ‘Ik ben geen echte Telefunken von Eindhoven! De eerste keer dat iemand mijn genetische code natrekt sta ik op straat!’

     Oom Inuit wapperde met zijn handen, trok een gek gezicht en maakte een radslag. ‘Goed zo,’ zei hij. ‘Heb ik je volledige aandacht?’

     Tess knikte dof.

     Oom Inuit hield zijn rechterhand omhoog. ‘Hoe vaak heb je al niet gestemd? Zes, zeven keer. En begonnen toen de alarmschellen te rinkelen?’

     ‘Nee,’ gaf Tess toe. ‘Dat niet. Maar bij elke stemming wordt mijn code toch nagetrokken?’

     Oom Inuit hield zijn rechterduim onder Tess’ neus. ‘Dit, meisje, is het geheim. Direct na je geboorte liet je vader je rechterduim vervangen door een gekloonde, die wel de juiste genetische code bevatte.’

     Hij viste een foto uit zijn bodemloze binnenzak. ‘Dit is je echte moeder.’

     De vrouw in het hologram was haar volkomen vreemd. Zomaar iemand, met een honingraatkapsel en kleine sierkralen in haar ooghoeken.

     ‘Het maakt me niets uit wiens kind je bent,’ stelde oom Inuit haar gerust. ‘Ik ben blij dàt je er bent.’

     Tess klampte zich vast aan zijn grote bruine hand. Oom Inuit was het enige vaste punt in een plotseling onherkenbaar universum. ‘Je wist het al die jaren,’ fluisterde ze. ‘En je hebt me nooit iets verteld.’

     

    De zon was al onder toen oom Inuit de deur achter zich sloot. Buitendijks gloeiden de straten van licht op als een teer kantwerk.

     Dijk Europa lag verlaten in het blauwe maanlicht. De laatste zeppelin met feestvierders was vertrokken; een peloton schoonmakers rolde de slurven van hun vuilwagentjes uit.

     Tess zat onbeweeglijk op haar sofa in de schemering; het ingelijste hologram van haar vader vormde de enige lichtbron.

     Een paar verdiepingen lager begon een klok te slaan. Tess telde de lange, trage slagen. Elf uur. Ze kwam overeind als een slaapwandelaar en schoof de brief in de vocodergleuf van het holoportret.

     Het hologram opende zijn ogen. ‘Beste Maria Theresa,’ zei het. ‘Ik besef dat ik als vader ernstig te kort ben geschoten.’ Hij trok even aan zijn das. ‘Het huw...’

     Tess mepte op de repeteertoets, zodat de eerste zin eindeloos zou worden herhaald. Ze wierp zich op de sofa.

     ‘Beste Maria Theresa,’ begon het portret weer. ‘Ik besef dat ik als vader...’

     

    Tess wiste de foutmelding van haar beeldscherm en keerde terug naar het basismenu.

     Systeemfout, jaja. Deze onzin was duidelijk het werk van een computerkraker, een van die schrille wonderkinderen die zichzelf ‘boekaniers’ noemden. Haar eigen computernet viel niet langer te vertrouwen. Wat ze nodig had was een totaal nieuwe toegang tot het bevolkingsregister, eentje waar de indringer haar helemaal niet verwachtte.

     Met tegenzin viste ze haar vaders blauwe boekje uit een lade. Dit was pas de tweede keer dat ze het opensloeg. Bladeren in de inhoud kwam haar teveel voor als het gluren in de donkerste uithoeken van Rudolfs leven. Het bevatte een lijst van alles wat voor geld te koop was, van discrete sluipmoord tot sodomie met dode kangoeroes.

     Ze vond het juiste bedrijf onder ‘computernetwerken, illegaal’. Het was de enige naam op de pagina waarbij een aanbeveling stond in haar vaders handschrift: ‘uitstekende service!’

     Op het beeldscherm verscheen een overdadig versierde slagroomtaart. ‘Patisserie Le Bon Gôut,’ zei een hoge vrouwestem.

     ‘Kan ik de heer Ahmed de Vries spreken?’ vroeg Tess, overeenkomstig de aanwijzingen. ‘Het gaat over de zeshonderd gevulde tulbanden voor het personeelsfeest.’

     ‘Ik verbind u door. Momentje graag.’

     Haar scherm werd donker. Uit de luidspreker klonk een golf van ruis die uitzwol tot een kunstmatige stem. ‘Ahmed de Vries, Gegevensbemiddeling vzw. U kunt vrij spreken. Deze lijn is afgeschermd.’

     

    Tess zou de vertegenwoordigers van Gegevensbemiddeling vzw. ontmoeten in de restauratie van zeppelinstation Noord. Volgens de instructies moest ze wachten tot ze aangesproken werd door een man of een vrouw met een witte lelie.

     De restauratie was zo goed als uitgestorven. Achter de kassa zat een verveelde pakistani zijn pornostrip te betasten. In een hoek van het restaurant dansten zes clochards een sarabande met een kwetterende witte gibbon. Twee neopunks in driedelige grijze pakken keken grijnzend toe, hun metaalbeslagen hoge hoeden scheef over hun ogen gezakt.

     Een half uur later bestelde Tess haar vierde kop lauwe koffie. De gibbon bespeelde nu een doedelzak en twee van de clochards hadden hun broek uitgetrokken. De neopunks hadden zich bij de eerste snerpende noten hoofdschuddend in de toiletten verschanst.

     ‘Juffie?’

     Tess draaide zich met een ruk om. Een van de neopunks wenkte haar van achter een stellage met gevriesdroogde hamburgers. ‘Moet je die tulbanden nou nog, of hoe zit dat?’

     Tess wierp een blik op de kassier. Die staarde echter met glazige ogen naar het plafond en hijgde zachtjes na, de pornostrip een massa natte flarden in zijn rechterhand.

     Ze dook onder de toonbank door. Nu pas viel het haar op dat de neopunk een witte lelie door zijn neusschot had gestoken. Zijn lippen gingen grotendeels schuil achter de groene kelkbladeren.

     ‘Tess,’ stelde ze zichzelf voor.

     ‘Ik heb geen naam,’ antwoordde de jongen. ‘De sekte van mijn moeder deed daar niet aan. Maar noem me voor het gemak maar Ahmed.’ Hij gaf een ruk met zijn duim. ‘En zij daar, dat is Paardenbloem.’

     Het voorhoofd van het meisje was, net als dat van Ahmed, zo overdekt met acne dat het wel een open schaafwond leek. Ze scheen een passie te hebben voor kleine zilveren oorringen: door haar bovenlip zaten er minstens een half dozijn. Aan haar uitgerekte onderlip bungelde een stalen hangslotje.

     ‘Hebben jullie iets voor me?’

     Het meisje Paardenbloem knikte. ‘We hebben een half uur computertijd voor je weten te reserveren. Het Proletarisch Netwerk. Een van die rare Taoïstische terreurkernen. Hun filosofie is niet te volgen, maar hun uitrusting is professioneel genoeg.’

     ‘De hele zaak kost je twintigduizend ECU,’ vulde Ahmed aan. ‘De helft nu, de rest in Buitendijks.’

     

    ‘Perfecte vermomming,’ zei Paardenbloem. ‘Je eigen moeder zou je niet herkennen.’ Ze draaide Tess’ hoofd naar de spiegel. ‘Tevreden?’

     Tess keek in het diepbruine gezicht van een Buitendijkse. ‘Hoe maak ik dit weer ongedaan?’ vroeg ze een beetje ongerust. Tenslotte kon ze zich zo onmogelijk op een directievergadering vertonen. Een Telefunken von Eindhoven behoorde te allen tijde modieus te zijn, een levende reclame voor hun eigen zonwerende hemelwebben.

     ‘Het houdt maar tien tot twaalf uur. In noodgevallen...’ Ahmed overhandigde haar een plastic buisje met drie gelatinecapsules. ‘Dit doodt de melanine-imiterende bacillen.’

     

    Ahmed parkeerde zijn driewieler naast een kleine wachtpost van rood en wit geblokt vezelglas. Zestig meter verder begon Buitendijks. De zeebries droeg een verwarrende mengeling van geuren aan: teer, ammoniak, de stank van smeulende algenbriketten. Tess hoestte.

     Paardenbloem wierp haar een verwijtende blik toe. ‘Als je zo doorgaat haal je de hoek van de straat niet eens. Doe onopvallend. Buitendijkers hebben flink de pest aan rijke lui.’

     Ahmed trok aan de mouw van Tess’ driedelige grijze kostuum. ‘Kom mee.’

     Hij beende op het wachthuisje af en smeet de deur open. De twee wachters keken verstoord op. De voorste reikte naar zijn verdover, met de afgemeten schokkende bewegingen van iemand die in directe verbinding staat met een computernetwerk. ‘Wat moet...’

     Ahmed stapte over de drempel. ‘Avondrood twintig, start,’ riep hij. De wachters zonken terug in hun stoelen. Hun holografische ogen werden gitzwart; minuscule laserblauwe lettertjes schokten over het oppervlak, projecteerden haarscherpe kolommen alfanumerieke karakters op de wanden.

     Ahmed trok de deur achter zich dicht. ‘De systeemtest,’ zei hij tevreden. ‘Werkt altijd. Over dertig seconden worden ze wakker zonder één enkele herinnering aan het laatste half uur. Kom nu; we moeten opschieten.’

     

    Ze sprintten langs het talud omlaag en klauterden over een strandwal van verweerde spuitbussen, ploegden door kleverige matten van waterhyacint. ‘De vloedlijn,’ wees Ahmed. ‘Elk jaar ligt-ie een paar centimeter hoger.’

     Ze stopten aan de rand van de zee. De stank was hier bijna ondraaglijk, zo potent dat het eerder een smaak dan een geur leek. ‘Schoenen uit,’ commandeerde Ahmed. Hij klikte zijn laarzen vast aan zijn koppelriem.

     Tess’ ogen waren intussen aan het halfduister gewend geraakt. De hoofdstraat slingerde zich in een lint van koude gloed naar de horizon. Woonboten puilden aan weerszijden uit het water als een school gestrande walvissen. De allerarmsten woonden op drijvers van beton, onder wankele contrapties behangen met zompige oude lappen en klapperend canvas.

     Tess haalde diep adem en stapte het klotsende water in. Het glazen wegdek lag dertig centimeter onder het oppervlak. ‘Koud!’ huiverde ze.

     Paardenbloem snoof. ‘Dat went wel. Of niet. Drie van mijn broertjes stierven aan gierende tuberculose.’

     Tess voelde een steelse aanraking, alsof mondjes van nat schuurpapier haar tenen kusten. Ze gaf een klein gilletje.

     Ontelbare lichtende kwalletjes dwarrelden om haar enkels. Ze zakte door haar knieën en schepte een hand vol krioelend zeeleven. De meeste waren niet meer dan speldenkopjes van neon, blauwig opflakkerend bij elk schokje. Een paar hadden echter het formaat van fikse druiven en straalden als kalme lampions.

     ‘Aasvreters,’ verklaarde Paardenbloem. ‘Zonder kwalletjes zou Buitendijks al snel stranden in haar eigen drek.’

     Een luchtkussen-ark denderde langs in een ranselende fontein van sproeiwater. Het wegdek deinde onder Tess’ voeten; ze greep Ahmeds arm om niet onderuit te gaan.

     ‘Het kost een paar dagen om je zeebenen te verdienen.’ Hij gebaarde naar de meanderende straat, de logge woonboten. ‘Buitendijks is één groot waggelend vlot, niets ligt hier ooit stil.’ Hij wierp een geamuseerde blik op Tess’ strakke lippen, haar trillende neusvleugels. ‘Maar voor sommige mensen went het natuurlijk nooit. Toch, je moet eens langskomen als er een tsunami inslaat. Dat is pas een belevenis. Onze voornaamste toeristentrekpleister.’

     ‘Ik denk dat ik de voorkeur geef aan vaste grond.’

     Achter haar rug mompelde Paardenbloem iets dat verdacht veel leek op: ‘delicaat kasplantje’. Het neopunk-meisje waadde met lange soepele schreden vooruit. ‘Wat onze dame nodig heeft is iets stevigs in haar maag,’ zei ze gemeen. ‘Een lekkere geschuimde wulk. Of een streng gefrituurd zeewier.’ Ze smakte met haar lippen. Tess voelde het zuur in haar keel omhoog borrelen.

     Ahmed loodste haar naar een zijstraat. ‘Let maar niet op mijn collega. Het is nog maar een klein eindje.’

     Ze passeerden een dobberende winkelstal met manden vol vergulde zeeëgels en glazen kapmessen. Een oude vrouw troonde op de gietijzeren weerhaan op de nok en ontlokte melancholieke trillers aan een fluit van gneiss. Haar bruine gezicht was een mombakkes van rimpelig leer, onder haar als strengen van geloogd stro. Het had het masker van een demon kunnen zijn.

     Tess ving een glimp op van de vingers van de oude vrouw: stramme takjes, bultig van de paarse tumoren.

     Ze stootte Ahmed aan. ‘Die vrouw daar,’ fluisterde ze. ‘Hoe oud?’

     Hij wierp een ongeïnteresseerde blik op de verkoopster. ‘Net zoiets als jij,’ was zijn antwoord. ‘Eén, twee jaar jonger misschien. Zie je haar hoofdband? Dat is de kleurencode van een algen-oogster. Ze werkt overdag in de volle zon.’

     ‘Oh.’ Tess had de Buitendijkers altijd gezien als een kolonie kwetterende aapjes: amusant en een beetje vertederend. Net echte mensen. ‘Maar er zijn toch...’ Ze schudde haar hoofd. Anti-K kostte zo’n duizend ECU per ampul. Meer dan deze vrouw ooit bij elkaar gezien had.

     

    Ahmed trok Tess een nauwe passage binnen. De vloer verspreidde hier nauwelijks meer dan een gedempt schijnsel; heel anders dan het vurige lint van de hoofdstraat.

     ‘De broom-raffinaderij,’ verklaarde Paardenbloem. ‘De kwalletjes verfletsen door de afvalstoffen in het water.’

     Ahmed hief een hand. ‘We zijn er.’ Hij stond stil voor een plaat bladderend vezelglas en haalde een gecodeerde sleutel tevoorschijn. De deur was lang geleden waterdicht geweest; de flenzen, ooit soepel roze rubber, waren nu verdroogd en lekten een fijn wit poeder.

     Hij hield de deur voor Tess open. ‘Hier verlaten we je.’

     ‘Deur achter je dichtdoen als je weggaat,’ vulde Paardenbloem aan.

     Tess drukte haar het bundeltje ECU's in de hand. In een onbedoeld komisch gebaar lichtten de twee neopunks hun metaalbeslagen hoeden en maakten een kleine buiging.

    Ze belandde in een lange duistere gang. Kille druppels kletsten van het plafond in haar nek. Naaktslakken met rode en gele tijgerstrepen glibberden over de wanden, lieten sporen achter als kronkelende banen verf.

     De gang eindigde abrupt tegen een blinde muur vol oude theaterposters. Tess las: ‘Octópus Filerghi danst Macbeth’, ‘Asjiem Rasoelbaks leest voor uit eigen werk’ en ‘De negende van Beethoven, een muzikale komedie door Wim Wenders’.

     Dwars over de posters was een zwarte pijl gekalkt. Hij wees naar de vloer.

     Tess wrong het kromgetrokken houten luik open. De onderzijde was overdekt met een pluizige blauwe schimmel waartussen heremietkreeftjes kropen als maaimachines door een korenveld. De scharnieren en het handvat echter waren zilverig glimmend staal.

     Ze liet zich zakken in een van de meest buitenissige computerruimtes die ze van haar leven had gezien. Het was weinig meer dan een plexiglazen doos, een meter in het vierkant en twee meter hoog, die met een kleefmagneet tegen de onderkant van de woonboot was bevestigd. Een uitsparing in de wand bevatte een beeldscherm en een toetsenbord.

     De kwalletjes buiten de ramen waren rimpelig en dof; de monitor vormde de enige verlichting. Hij toonde een gele driehoek met de naam ‘Proletarisch Netwerk’. Daaronder het woord ‘Welkom’.

     Tess klapte het voorgevormde stoeltje uit de wand. De zitting bestond uit gevlekt staalplaat waarin gestileerde vuistjes waren gestanst. Het beeldscherm werd blank.

     Ze legde een verbinding tussen het Proletarisch Netwerk en de gegevensopslag van het bevolkingsregister. Dan moest ze nu... Het beeldscherm flitste.

     ‘Verbreek de verbinding,’ sommeerden hoekige rode letters op een grijze achtergrond. Daaronder knipperde het woord ‘onmiddellijk’.

     Tess voelde een koude vlam rond haar middenrif. Een Fuik! Een van die terminals die ver onder de vastgestelde prijs opereerden, maar die in werkelijkheid waren opgezet als lokaas voor al te ondernemende boekaniers. Daar was ze met open ogen ingelopen.

     Boven haar hoofd ratelde het zacht. Ze zag nog net de sluitklep dichtglijden; toen ging er een schok door het hokje. Het schijnsel van de monitor doofde. De glazen rechthoek dwarrelde door het duistere water, heen en weer, als een blad naar beneden.

     

    De zeebodem onder Buitendijks was overdekt met het afval van eeuwen. Met slijmdraden behangen staketsels, hun oorspronkelijke functie niet meer te achterhalen, priemden omhoog uit poelen van borrelend slib. Deurloze koelkasten werden bewoond door gistende horden minuscule rode kreeftjes. Twee vette langoesten vochten om een bewerkte zilveren taartschep.

     Aan de grens van haar blikveld ontwaarde Tess het geknakte wrak van een antieke Engelse veerboot. Op de luie welving van de romp waren de woorden: ‘... ree Enterprise II’ nog net leesbaar. Ettelijke volledig intacte reddingsboten hingen ondersteboven in de davits.

     Tess maakte zich niet al te veel zorgen. De Binnendijkse politie hield de Fuiken nauwlettend in de gaten. Voordat het zuurstofgehalte al te sterk terugliep hadden ze haar lang en breed opgevist. En natuurlijk zouden ze een Telefunken von Eindhoven niet...

     Geschokt realiseerde ze zich dat ze geen identiteitskaart bij zich droeg. En ze was nog steeds zo bruin als een kastanje. Naarstig doorzocht ze de zakken van haar pak. Waar was dat verdraaide buisje met capsules?

     Weg. Een van de neopunks had het gerold voordat ze zich uit de voeten maakten.

     Tess stompte in opperste frustratie tegen de wanden van het hokje. Duizenden kwalletjes snelden toe; lag daar iets eetbaars? Ze zwermden in vlokkige wolken naar beneden en neuzelden tegen het glas, tot Tess zich voelde alsof ze verdronk in watten en spinnenweb; als een vlieg, vastgeplakt op een sneeuwend beeldscherm.

     Uit de gapende laadklep van de veerboot dook een zwarte vestzak-onderzeeër op. Bovenop roteerde de flauwrode reflector van een infrarood-schijnwerper.

     De lichtende kwalletjes sloten haar helemaal in. Tess kneep haar ogen stijf dicht. Het licht rukte op, onstuitbaar. Het spoelde haar persoonlijkheid weg tot haar lichaam aanvoelde als een huls van gebeeldhouwd glas; weergaloos mooi en uiterst breekbaar. Waar bleven ze nou?

     

    ‘Wie ben je?’ De woorden drongen maar half tot Tess door. Ze wist ook niet werkelijk wie ze was. Alles was licht; een vormeloze vloed van straling.

     ‘Wie ben je?’ Een hand raakte haar wang aan.

     Met een schok kwam ze tot zichzelf; haar ziel snelde door haar lichaam zoals een vloedgolf een fjord vult.

     ‘Ik ben...’ Haar tong smaakte bitter. ‘Ik ben Maria Theresa Telefunken von Eindhoven.’

     Ze draaide haar hoofd. Een politiepost... Ja, ze zat in een politiepost. Een officier in een zwart uniform met overmaatse lieslaarzen van geribbeld cellofaan stond voor haar. ‘Wie zei je?’

     ‘Maria Theresa... Telefunken von Eindhoven. Kijk, ik weet dat ik er een beetje vreemd uitzie, maar...’

     De officier grinnikte. ‘Oh, vast wel. Maar dan mag ik de kleinzoon van de president zijn, ja?’

     Hij gaf een ruk met zijn duim in Tess’ richting. ‘Oké, Jeroen. Zet de dame maar op slot.’

     Een jongen van een jaar of vijftien stapte Tess’ blikveld binnen. Met zekere gebaren gespte hij een tuig van roze plastic riemen rond haar hoofd; bovenop zat een doorschijnende schotel van gel, tien centimeter in doorsnee.

     ‘Ja, maar ik ben ècht...’ riep Tess. De jongen schoof het bit in haar mond, zodat ze haar tong niet kon doorbijten, en schakelde het cortexslot in.

     Een vloed van witte ruis scheurde door Tess’ gedachten en rafelde haar woorden uiteen. Haar lichaam verstrakte. Bewegingloos zat ze op de stoel, met wijd open ogen.

     Een draadje speeksel droop langzaam uit haar mondhoek.

    Tess nestelde zich wat dieper in het witte bont en schurkte behaaglijk met haar schouderbladen.

     Haar duim smaakte zout. Mmm... Zou buiten de rode zon al schijnen?

     Rode zon? Ze fronste. Waarom was de zon in haar prentenboeken eigenlijk altijd geel? Dat moest ze oom Inuit toch eens vragen.

     Ze opende haar ogen en ging met een ruk overeind zitten. Wat was er met haar kamer gebeurd? Het plafond was een bovenlicht vol dansende sneeuwvlokken. En wat een hokje was het geworden! Hoogstens vier bij drie meter!

     Poppen stonden in lange rijen langs de muur opgesteld. De meeste ervan waren haar volkomen onbekend.

     En al die foto’s tegen de wanden... De onderste waren duidelijk van haarzelf: een peuter in een glanzend chromen hoepelrokje, Tess op een hobbelleeuw met staak-ogen, en dàt was het uitstapje naar de jungle van Chicago waar die lama haar in de modder had geduwd. Het merendeel van de foto’s toonde echter meisjes en vrouwen die ze niet kende.

     Ze klampte zich vast aan de poot van haar speelbeer. Hij torende boven haar uit, een bontkolos van zeven meter. Ze wist nog goed hoe ze oom Inuit om de grootste speelbeer van de wereld had gevraagd. De volgende dag stond die bij haar voeteneind, met net zo’n bolhoed op als haar oom.

     Tess hoorde voetstappen op de gang. ‘Hé,’ zei ze zachtjes. ‘Is daar iemand? Oom Inuit?’ Haar hoofd voelde aan alsof het volgepropt zat met kapok. De geur van brandend hout trok door haar neusgaten.

     ‘Oom Inuit!’ gilde ze. ‘Oom Inuit!’ De deur schoot met een klap open. Oom Inuit nam haar in zijn armen.

      ‘Waar ben ik,’ jammerde ze. ‘Waar ben ik?’

     ‘Corticale shock,’ snauwde oom Inuit over zijn schouder. ‘Snel! Ze is in regressie.’

     Een ijskoude vinger beroerde haar nek. Tess voelde de slaap van het puntje van haar neus door haar hele lijf stromen. De wereld werd rood. In haar oren zoemde het.

     

     

     

    (c) 2007 Verschijnsel en erven Paul Harland. Nadruk en verdere verspreiding verboden.

     


Terug

Contacteer Verschijnsel

(c) 2012 Verschijnsel vzw en de diverse auteurs

illustratie Verschijnsel-toren (c) 2008 Tais Teng