|
lees een hoofdstuk on-line van
Een masker met een tong

Het hoofdstuk Midori __________________________
1
De eetstokjes glijden uit mijn schokkende vingers. Ik veeg het lage tafeltje met de schaaltjes en kommetjes om en smeer de kleverige inhoud over de rieten matten wanneer ik als een krab zijdelings naar de schuifdeur kruip. Ik voel de kakkerlakken wroeten in mijn buik. Ze maken alles kapot. De lichten beginnen te doven. Ik trek me op aan de schuifdeur. Op mijn knieën, met een krachtsinspanning die me laat kermen, schuif ik het scherm van hout en papier open en tuimel voorover in de gang erachter. De lucht die uit mijn keel opwelt is onbeschrijfelijk. Niet blijven liggen. Ik kruip door de gang. Ik rammel aan een schuifdeur die ik passeer. Even heb ik er hoop op dat er iemand komt. Er klinken stemmen, of misschien is het de tv, maar de deur wordt niet geopend. Een nieuwe pijnscheut golft door mijn buik. Niet opgeven. Denk aan het eiland. Aan de uitkijkrots. Aan de slimme slangen die kunnen praten. Ik kruip verder. De trap is steil en smal. Ik laat mezelf omlaag rollen, mijn hoofd beschermend met mijn armen. De pijn is niets vergeleken bij de kevers in mijn ingewanden. Het kabaal moet overal te horen zijn door de dunne muren van dit pension. Er komt niemand. Ze laten me verrekken. Ik moet hier weg. Over de houten vloer, door de intree met de schoenen van de gasten, naar een houten schuifdeur met een belletje dat klingelt. Ik krijg de schuifdeur open en trek mezelf de straat op. Het asfalt is nog warm. Ik ruik de geur van de gevallen bloesems. Ik wil blijven liggen, in deze nacht, op dat heerlijke warme asfalt. Ik moet mijn lippen tuiten en iemand naar me toe fluiten, maar de spasmen in mijn buik doen teveel zeer. Een meisje. In het neonlicht heeft ze fuchsia haar. Het licht laat haar zwarte lakjasje roze glanzen. Ze draagt visnetkousen en hoge zware laarzen met rubberzolen. Laat me hier niet liggen. Raak me aan. Ze strekt haar hand uit. Ja, ja, raak me aan. Ik ben stervende, maar niet dood. ‘Yuw ok-ay mistah?’
2
Ik zit aan een straatstalletje en pulk het label van de fles bier voor me. Op dit moment ben ik er content mee. Er staat een draak op het label. In Azië is een slang geen verleider, maar een kleine draak. Zodiac-wijsheid. Ik kijk naar haar kleine handen die met de bierfles spelen, naar haar korte vingers met de afgekloven nagels, en besef me hoe anders ze zijn dan de handen van de ouwe man. De ouwe man is lange tijd mijn schulp geweest, zijn lichaam was een comfortabele behuizing geworden, als een paar oude en tot op de draad versleten pantoffels dat naar je voeten gevormd is. Ik weet niet meer direct wat zijn naam was – die heb ik ergens diep weggestopt, met alle andere nutteloze zaken – en ik gebruik al jaren pseudoniemen. Mr. Gallows, Mr. Underwood of Mr. Askew. Maar ook al weet ik zijn naam niet meer, ook al is hij nu wormenvoer, de ouwe dronkaard zal me nooit meer helemaal verlaten. Net als alle anderen voor hem. Ik laat Midori nog een bier bestellen. Het is gemakkelijk om de taal te spreken. De man achter het stalletje heeft een dikke bril en een baseballpetje. Hij vraagt ons iets als hij een nieuwe fles bier van de schroefdop ontdoet en voor ons neerzet. Volgens Midori gaat het over eten. Ook al is eten het laatste waaraan ik nu wil denken, toch laat ik haar iets bestellen. De man maakt het klaar en schuift haar een kommetje toe. Ik geef haar even wat speelruimte en ze pakt eetstokjes uit een pot op de bar en breekt ze van elkaar. Ze begint met verve te eten. Ze graait dikke slierten noedels uit de bouillon en stouwt de uiteinden in haar mond. Ze blijft proppen tot er niet meer bij kan en dan slurpt ze ze luid naar binnen. Ik probeer de gedachte dat het eten opnieuw geïnfecteerd zal zijn te verdringen. Ik probeer niet meer te denken aan de scheurende pijn in mijn ingewanden, die begon als een lichte tinteling rond mijn middenrif. Midori eet zoals vogels eten, gejaagd en schrokkerig. Vogels zijn nog heel lastig dichterbij te zingen, honden of ratten zijn veel eenvoudiger, maar toch zal ik dit meisje leren uit mijn hand te eten. Let wel, het temmen van Midori is niet de enige reden waarom ik hier nog aan dit stalletje zit, tijd te verspillen, wachtend tot de nacht verstrijkt. Ik treuzel ook omdat ik bang ben. Ik ben bang dat het allemaal zal ophouden. Mijn tegenstander is een sluwe schoft, als ik niet goed oplet zal dit onze laatste confrontatie worden. Maar ik – wij, natuurlijk is het wij, meisje – wij zullen terugkeren naar mijn slaapplaats, deze nacht nog. Ja, terug naar het slaaphuis waar je die schijnbaar stomdronken gaijin op de drempel gevonden hebt. Bloed opgevend en stervend. Uitgehold door de kakkerlakken. Deze nacht waarvan je zal willen dat je doorgelopen was, dat je niet voor barmhartige Samaritaan gespeeld had. Dus eet nu je noedels maar op en kalmeer nog wat, en dan gaan we op pad.
Het treinspoor verheft zich boven de straat op hoge betonnen peilers. De ruimte onder het spoor wordt opgevuld door restaurants, winkels, bars, disco’s en seksshops. De straten aan weerszijden van het spoor zijn als schaduwrijke kloven, slechts verlicht door de knipperende neonverlichting. Zij kan de tekens natuurlijk lezen, maar ik doe geen moeite om de informatie uit haar gedachten te filteren. Ik heb de eigenaar van het eetstalletje betaald met het etiket van het bierflesje, omdat jij niet meer dan een paar duizend yen op zak hebt. Hij pakte het dankbaar van je aan met twee handen en borg het op in zijn gelddoosje. Het wisselgeld lieten we hem houden, waarna hij als een knipmes voor ons boog. Dat was lollig, nietwaar? Je begreep misschien niet helemaal wat er gebeurde, maar je zag de humor ervan in. We keren behoedzaam op onze schreden terug. We hebben uren door deze buurt gezworven. Verkennend. Snuffelend. Schuilend in steegjes en afwachtend. Ik ben op mijn hoede voor iedereen die we tegenkomen. Het is niet meer zo druk op straat in deze kleine uurtjes. Een dronken zakenman in een kostuum probeert ons aan te klampen. We ontwijken hem behendig en rennen een eindje bij hem vandaan. Het is werkelijk niet meer dan een beschonken kerel en er is geen reden om harde actie te ondernemen. Uiteindelijk lopen we de bewuste zijstraat in. Ook hier zitten de privé-clubs en sekstenten. Ook hier heeft neonreclame de rol van straatverlichting overgenomen. Een raster van elektriciteitsdraden boven ons hoofd snijdt de grauwe ochtendhemel in repen. Het huis dat ik zoek is ouder dan de naastgelegen betonnen panden. Het staat wat teruggesprongen van het smalle straatje en je zou er zo voorbij lopen. Het is niets bijzonders, deze plaats waar ik bijna definitief gestorven was. Het is een laag gebouwtje uit houten latten en schuifraampjes met matglas. Voor de raampjes hangen rieten matten omlaag. Het weer zit erin. Ryokan, is het woord volgens haar, het betekent zoiets als herberg. Er groeit een laag en gebogen boompje voor het slaaphuis. In het neonlicht zijn de bloesems gekleurd als een rood stoplicht. Stop, zegt die kleur, sta stil. Op de drempel van deze ryokan, daar onder het boompje, is de oude man gestorven. Ik ruik de prikkelende, scherpe geur van chloor. Iemand heeft de vlekken die hij achterliet al vluchtig weggeboend, het bewijs van bloed en braaksel en wie weet wat nog meer. De houten schuifdeur wordt geflankeerd door twee beeldjes. De één is een soort wasbeer met een sakekruikje en enorme opgezwollen ballen. De ander is een wit porseleinen katje met een bel om de nek, dat met haar klauw klanten naar binnen wuift. Achter het katje hangt een gasmeter die gestaag ruist. De beeldjes, waakzame totems, glanzen in het knipperend neonlicht van de naburige clubs, roze en paars, aan en uit. Folklore is van belang. Er liggen prachtige geheimen verborgen achter bijgeloof. Ik ben daar het bewijs van. Mijn tegenstander eveneens. Ik vraag me af wat voor valstrikken hij voor me gezet heeft. Hoe hij me heeft weten te vergiftigen. Overheerste hij de kok? De hospita met de strenge mond en de gedienstige buiging, is zij ook een marionet van degene die ik meer haat in dit leven dan wie dan ook? Of is één van zijn verloren jongens de keuken ingeslopen om de larven in mijn maaltijd te plaatsen? Ik hoor de trein boven de hoofdstraat voorbijrazen. Lang genoeg getalmd. De tijd om te handelen is nu. We treden naar voren. De schuifdeur van het pension is nooit op slot. Ik laat het meisje door haar tanden sissen om het geluid van het klingelend belletje uit te doven. Binnen is het donker en bekrompen. Ik tel de schoenen van de gasten die er staan. Drie paar. Mijn schoenen zijn weg. Zou mijn kamer al weer verhuurd zijn? Dat zou de zaken compliceren. Voordat ik besef wat ze doet is ze al gehurkt en begint de veters van haar schoenen los te maken. Haar geest stribbelt wat tegen als ik haar dwing ermee op te houden. Er is geen tijd voor, als we moeten vluchten wil ik niet barrevoets over de straten hoeven rennen. Maar het taboe snijdt diep en ik voel haar gruwen als we met schoenen aan op het houten plankier stappen. Het doet er niet toe. Ik ben degene met de leidsel in handen en jij bent de muilezel. Vergeet dat niet. Vergeet dat nooit. De trap waarvan de oude man vannacht omlaag rolde is smal en steil. Ik weet dat de derde trede in het midden kraakt, en de zevende trede wankelt helemaal. We vermijden ze en sluipen zo geruisloos mogelijk naar boven. Ze is er beter in dan ik gehoopt had, zelfs met die zware kisten aan haar voeten. De overloop wordt verlicht door een vale tl-buis die nu en dan onrustig flikkert. Ik denk scharrelende geluiden te horen. Zitten ze ook in de muren? Is alles hier geïnfecteerd? We steken de overloop over. Bij mijn kamer aangekomen druk ik haar oor tegen de schuifdeur. Ingespannen luisteren we... niets. We schuiven de deur op een kier open. De kamer erachter is zwart als het holst van de nacht. We stappen naar binnen. Er kraakt iets onder haar voeten. We tasten naar het trekkoordje van de ronde tl-lamp. Hij moet hier zijn, in het midden van de kamer. Ik kan de lamp voor me zien, maar vind hem niet. Is dit een truc van de verloren jongens? Als ze de lamp nu eens verwijderd hebben en de stroomdraden vrij getrokken, het ontbloot koperdraad wachtend op ons gejaagd tasten in het donker? Maar dan vinden haar vingertoppen het trekkoordje. Ping-ping knippert de lamp en we hebben licht. Iemand heeft het besmette eten verwijderd en er liggen natte witte lappen op de vlekken die ik gemaakt heb. Mijn spullen liggen verspreid over de rieten matten. Ze hebben door mijn eigendommen gezocht. Naar bewijsmateriaal? Wilden ze zich verzekeren dat ze de juiste persoon aangepakt hadden? Wilden ze weten of ze niet per ongeluk een onschuldige gaijin-toerist aan de kakkerlakken opgevoerd hadden? Heeft mijn tegenstander erop aangedrongen dat ze zorgvuldig te werk zouden gaan? Leg een zware steen op zijn graf, zoals we vroeger spraken en lachten, want ik wil niet dat hij zich weer een weg naar boven graaft. Ik laat haar de schuifdeur dicht doen. Ik wil niet besprongen worden terwijl ik hier mijn knapzakje inpak. We graaien mijn plunjezak van de vloer en beginnen de spullen erin te proppen. We nemen alleen wat we nodig hebben. Wees alleen spilziek als je je het kunt veroorloven, was het credo van onze leermeester. Mijn leren jack. Mijn mondharmonica, de zippo-aansteker. Een bundeltje dollars en een bundeltje yen. Een paar handen klein geld. Wat nog meer? Scheermesjes. Een half kaartspel. De zwarte veer van een raaf, die ik twee straten verderop in de goot vond. Een handje schelpen van het verloren strand. Een bus haarlak. Twee stokjes wierrook. De reservebril van de oude man – die met het plakband om het montuur – zal ik niet meer nodig hebben, want Midori heeft jonge scherpe ogen die me goed zullen dienen. Iemand heeft de schoenen van de oude man uit het voorportaal hierheen gebracht, vermoedelijk dezelfde persoon die mijn spullen doorzocht heeft, maar ook de schoenen kunnen achterblijven. We zullen ze niet meer nodig hebben.
3
Ik voel de opluchting zich meester maken van Midori. Nu het slaaphuis achter haar ligt en de hemel lichter wordt, neemt haar angst iets af. Ze kan nog steeds niet bevatten wat er gebeurt. Waarom ze deze dingen doet, zonder dat ze ze wil. En wie de stem is die in haar hoofd tegen haar spreekt. Maar haar acute paniek begint weg te ebben. Dat is het bijzondere aan mensen. Het vermogen tot het koesteren van hoop, ook al is hun situatie uitzichtloos geworden. Midori heeft nog niets door, maar vanaf het slaaphuis worden we al gevolgd. Ik heb de volger niet goed gezien, maar het is in ieder geval een mens. Een van de verloren jongens, die als honden bedelen om de resten die de meester van tafel veegt? De pavloviaanse schobbejakken die kwijlen en klaarkomen bij de vertoning van slechts een greintje magie. De mismaakte boemannen die het vuile werk voor je opknappen in de ijdele hoop dat ze ooit tot tovenaarsleerling bevorderd zullen worden. Enkele straten verder, terwijl we wachten bij een stoplicht, zie ik in de spiegeling van een etalage dat een tweede jager zich bij hem heeft aangesloten. Bij een kiosk aan de straat blijven we staan en doen we of we de tijdschriften bekijken. We werpen een goede blik naar achter en krijgen het duo beter te zien. Zo opvallend als de eerste is, zo weinig opmerkelijk is de tweede achtervolger. De eerste is een kleine Japanner in een haaigrijs kostuum met daaronder een overhemd van flamingoroze. Hij heeft geblondeerd haar en draagt een zonnebril. Hij heeft een brede lach waarbij zijn witte tanden zichtbaar zijn. De ander is een lange slungelige gedaante. Een vogelverschrikker met een lange vuile regenjas en een vilthoed met een brede rand. Onder die hoed vandaan hangen lange slierten grijs haar. Ik kan niet eens bepalen of het een westerling is of een Aziaat. Hij loopt onhandig en houdt zijn ene zij stevig vast alsof hij een stel gebroken ribben verzorgt die hem bij iedere stap pijn doen. We lopen door en gaan dan een cafetaria binnen. We kiezen een tafeltje. Ik wacht gespannen af of ze achter ons aan naar binnen komen. Er komt een serveerstertje naar onze tafel. Bestel wat je wilt. Midori aarzelt. Heeft geen honger. Bestel koffie. Bestel iets. Het doet er niet toe. Je zult het toch niet opdrinken. Alleen de jongen met de zonnebril komt binnen. Hij blijft aan de toonbank staan. Het meisje erachter vraagt hem iets, maar hij weert haar vragen af met een opgestoken hand. Als onze koffie gebracht wordt, buigt de serveerster zo diep dat het wonderlijk is dat haar papieren mutsje niet afvalt. We laten de consumptie onaangeroerd en begeven ons naar de toiletten achterin de zaak. Wanneer we opstaan, zie ik de achtervolger verstarren. Midori begint nu eindelijk ook te begrijpen dat deze man het op haar gemunt heeft. Het laatste wc-hokje bevat een westers toilet. Als een klein bang kind doen we de deur achter ons op slot. We klimmen op de wc-bril en reiken naar het raampje. Openen het. We duwen de plunjezak door het raampje naar buiten. Midori hoort voetstappen op de gang en het geluid maakt haar nog banger. Ik dwing haar zichzelf op te trekken aan de raamstijl. Haast je meisje, de verloren jongens komen eraan, ze komen eraan om ons een lesje te leren. Ze wurmt zich op haar zijde door het smalle raampje. Ze denkt dat het onmogelijk is, maar ik heb nu geen tijd voor haar gedachten. Doe het, anders zullen ze ons te pakken krijgen en dat zal alles compliceren. Ze tuimelt voorover, naar buiten, en landt zacht op een verend bed van transparante vuilniszakken. Ze krabbelt overeind. Haar hart klopt gejaagd in haar borst als ze om zich heen kijkt. Als een rat in de val. We bevinden ons op een binnenplaats waar aan iedere zijde hoge betonnen wanden oprijzen. Er is een achterdeur, maar die leidt terug naar het cafetaria. Paniekerig kijkt ze rond, terwijl ik haar handen in de tas laat zoeken totdat ze de ravenveer vinden. Ik steek de slagpen van de veer door haar oorlel. Ze grimast van de pijn en kruipt verder weg in haar schedel. Ze deinst voor me vandaan. Voor de bruut die haar lichaam pijnigt, die haar lijf als een werktuig gebruikt. Ik weet het, meisje, ik weet het, het lijkt wreed, maar sommige dingen moeten gedaan worden. Ik sluit haar ogen en stel me voor dat we haar gewicht afschudden. Haar botten zijn hol als vogelbotjes, breekbaar en broos, maar zo licht. Er is geen vlees meer op haar botten, geen spieren, geen vet. Slechts holle stokbotten en huid. Ze is als een vlieger, wachtend om opgepikt te worden door de wind. Ik voel hoe we loskomen van de grond. De punten van haar laarzen zijn nog in contact met de bodem, alsof haar voeten weigeren los te laten van alles waarin ze geloven... en dan gebeurt het. Levitatie is nooit mijn terrein geweest. Het gaat me niet natuurlijk af. We zullen ervoor moeten zwoegen. Terwijl we zachtjes omhoog zweven, laat ik haar helpen met haar handen en voeten. Met vederlichte aanrakingen klautert ze langs de loodrechte muur omhoog. Het is klimmen zonder je eigen gewicht mee te torsen. Zwaartekracht, ha! Laat me niet lachen, de natuurkrachten zijn misschien niet even gemakkelijk te misleiden als mensen, maar het is ook niet veel moeilijker. Midori heeft geen hoogtevrees. Ze kijkt zelfs een paar keer omlaag in de diepte onder haar bungelende laarzen. Mijn dappere punkmeisje. Ik weet nu hoe trotse een vader zich moet voelen. Onder ons klinkt het geluid van een deur die geopend wordt. De zonnebril waarschijnlijk, of de vogelverschrikker. We kijken niet om. Midori pakt de betonnen rand vast en trekt ons lijf het dak op. Er spat gruis op van de betonrand en er klinkt een luide knal uit de diepte. Ik laat Midori bij de dakrand vandaan rollen. We krabbelen overeind en beginnen te rennen. Haar benen trillen nu ze weer vaste grond voelen. We zoeken een weg over de daken, door het woud van antennes, tussen de schotels en de elektriciteitspalen door. We klauteren over de zoemende blokken die zorgen voor airconditioning. We dwalen door de ondoorzichtige witte stoomwolken die uit schoorsteenpijpen lekken. Zo nu en dan moeten we de afstand tussen de daken overbruggen met een korte sprong. Het is eenvoudig, maar iedere keer fladdert haar hart op in de kooi van haar ribbenkast als een vogel die een kat ziet. Ze is al snel buiten adem en ik laat haar achter een schoorsteen hurken om op adem te komen. Haar hand gaat omhoog en betast voorzichtig haar pijnlijk kloppende oor. Haar oorlel is plakkerig. Ik laat haar even stil staan om de veer te verwijderen, maar sta niet toe dat ze ’m weg gooit. We steken de veer weer bij ons. Het bloed heeft een vlies over de schouder van haar jasje gevormd. Ik laat het haar uittrekken. Het roept een stroom van herinneringen en halfverwoorde protesten op. Ze brabbelt over hoe duur het jasje was en hoeveel avonden ze ervoor heeft moeten werken. Ik zie één of andere supermarkt voor me. Klanten aan de andere kant van de kassa, die ze met twee handen het wisselgeld overhandigt en vervolgens het plastic tasje met ingepakte boodschappen... We hebben geen tijd voor jouw trivialiteiten! Dit is een zaak van leven en dood, meisje, in ieder geval voor jou en mogelijkerwijs ook voor mij, dus blijf bij de les en doe wat ik je opdraag. Het leren jack van de oude man is te groot voor haar, haar handen verdwijnen in de mouwen en de onderkant reikt tot net boven haar knieën, maar hij is tenminste schoon en heel wat warmer ook. Ik laat haar haar eigen jasje opvouwen en in mijn tas proppen. Ze doet het alsof ze een schat verbergt. We blijven langs een hoofdstraat lopen, aan de achterkant van de lichtreclames en videoschermen. De geluiden van de straat drijven omhoog, het verkeer, de muziek en reclamejingles, maar komen nauwelijks boven het grommen van de koelinstallaties uit. Dit is de achterzijde van de stad. Dit is achter de coulissen. Wanneer we een blik op de straat wagen, vele verdiepingen onder ons, door het gat in een neonletter, zien we dat de straten volgestroomd zijn met de ochtendspits. We zullen een weg omlaag moeten zoeken en ons in die menigte verschuilen. Geen levitatie meer, vandaag, als ik het voorkomen kan. Een trap of... Op dat moment hoor ik achter ons het grind knerpen. Als we over Midori’s schouder kijken, zien we de vogelverschrikker. Hij wurmt zich juist tussen twee chromen pijpen door. Hij hobbelt verder op zijn ongemakkelijke benen en bukt onhandig onder een gespannen metalen draad door. Hij staat nu weer rechtop, slechts een meter of tien bij ons vandaan. Het lijkt alsof hij lichtjes gewiegd wordt door de bries. Zelfs op deze afstand dringt zijn ongewassen lijfgeur zich aan ons op. Van onder zijn flapperende jas haalt hij een brandweerbijl met een lange steel te voorschijn. Ik hoor hem luid snuiven. In zijn stakerige armen houdt hij de bijl voor zich uit. Op dit moment zou ik mijn linkerbal opofferen voor een revolver. Alleen is dat een ruil die ik in mijn huidige schulp niet kan maken. Heeft Pan je gezegd wie ik ben? zeg ik met Midori’s stem. De vogelverschrikker aarzelt even en knikt dan. Ik kan zijn ogen nog steeds niet zien, ze blijven verborgen door de rand van zijn hoed. Ik kan je leren vliegen, laat ik Midori roepen, je weet dat ik dat kan. De wanhoop in haar stem klinkt echt. Overtuigend. Hij houdt zijn hoofd wat scheef. Ik zie hem aarzelen. Twijfelen. Eerst aanhoren, denkt hij, en dan doden. Ik ben goed met mensen. Ik kruip in je hoofd en zorg dat je gelooft wat ik je vertel. Ik geef je de talisman, vertelt Midori, en leg je uit hoe het werkt. Ik zal je geven wat je meester je alleen maar voorhoudt. Ik reik in mijn tas en haal twee kaarten uit het spel. Ruiten acht en schoppen twee. Het moet voldoende zijn. Ik houd de kaarten naar hem op. Hij is geïntrigeerd. Hij is niet al te slim, deze speurhond, en hij is gretig. Hij weet dat er macht schuilt in de meest alledaagse voorwerpen; je moet alleen weten hoe je die macht moet bevrijden. Deze kaart, zegt Midori zonder het te begrijpen, kan vliegen. En met een ruk van haar pols werpen we de eerste kaart. Hij zeilt door de lucht, draaiend als een tol. De vogelverschrikker verstart, maar ziet dan dat de kaart wijd gaat. Ver langs hem heen. Hij opent zijn mond, toont ons zijn rotte tanden en lacht met het geluid van een hyena. De kaart zeilt verder en treft één van de tuidraden waarmee een hoge antenne vaststaat. Met het geluid van een snaar die knapt snijdt de kaart het tuidraad door. De vogelverschrikker kijkt om bij het geluid en op dat moment werpen we de tweede kaart, ruiten acht, met een lichte kromming. De kaart cirkelt door de lucht en pakt de achterste van de twee resterende tuidraden. Als die knapt, is de derde draad zinloos. De lange antenne valt om als een gevelde boom, terwijl de laatste draad verslapt. Het uiteinde van de antenne treft de vogelverschrikker in zijn nek als een mokerslag. De verloren jongen slaat tegen de grond, en blijft liggen. De ijzeren antenne ligt schuin over zijn rug. Het is onmogelijk, denkt Midori terwijl we al naar onze belager toelopen. Ja, meisje, net zo onmogelijk als door de bliksem getroffen worden. Of vliegen. Onmogelijk voor degenen zonder verbeeldingskracht. Voor degenen met dode oude harten en glazen zielen versluierd door staar. We kijken neer op de vogelverschrikker en zien dat hij nog ademt. Een aantal van de metalen uitsteeksels is in zijn schouder gedrongen. We schoppen de bijl bij hem vandaan. Midori hurkt bij hem neer. Kijk eens aan, vogelverschrikkerman, ik geloof dat je nek gebroken is, laat ik Midori zeggen, maar het geeft niet, want je kunt vast nog wel praten... Als ik zijn hoed afneem staart hij naar me op met twee piskleurige ogen. Het is het soort ogen dat je inderdaad zou moeten verbergen. Zijn mond is samengeknepen tot een spleet. Nog even en je wilt me alles vertellen wat je weet. We halen de mondharmonica te voorschijn en ik begin te spelen.
4
In de massa zijn we onzichtbaar en veilig. We zullen wachten en plannen maken. We rekken onze tijd tot het meest opportune moment en dan slaan we toe. We laten ons meevoeren door de menigte. Ik ben één van de autochtonen. Mijn naam is Midori. Ik ben hier opgegroeid. Ik ben niets bijzonders. Schenk maar geen aandacht aan me. Op het kruispunt hangen tv-schermen, elk zo hoog als een verdieping van de flats waaraan ze bevestigd zijn. Op één ervan zien we lange slanke vrouwenvingers in een potje gelatineachtige smurrie glijden. Dan een close-up van een mooi Aziatisch vrouwengezicht, en diezelfde vingers die de troep uitsmeren over de scherpe jukbeenderen en de volmaakte glooiing van de wang met bewegingen die vaag aan masturbatie doen denken. De pruilende lippen fluisteren: Softu-cellu. Dan komt er in grote letters voorbij: SOFTCELL, gevolgd door allerlei kanji en een spotprijs in yen. Ik ben een artiest. Jij bent meedogenloos commercieel. Jij verkoopt je experimenten en verkwanselt de wonderen die je gegeven zijn. Is het nog steeds Prometheus Incorporated, of heb je tegenwoordig een nieuwe naam voor je praktijken? De regeneratieve huidcellen die je kweekt. Sigaretten die je slimmer maken. Qali-qali zoetigheid met echte suiker. Niets is jou te laag: van erectiestimulanten tot gemuteerde huisdieren, overal pik jij een graantje van mee. Zoals onze meester placht te zeggen: een vliegende kraai heeft altijd wat. Ze beweren zelfs dat je een manier gevonden hebt om kanker te genezen. Als je dat op de markt brengt, zal de verkoop van je sigaretten helemaal een vlucht nemen. Maar als je zo doorgaat zal iedereen ten slotte van onze onsterflijkheid proeven. Zullen ze je dan man van het jaar maken? Je een Nobelprijs aanbieden? Jouw foto op alle tijdschriften? Natuurlijk niet. Jij blijft de onzichtbare man achter de corporatie. De briljante wetenschapper en uitvinder. De moderne alchemist. Het geheime wapen, waar alle andere bedrijven jaloers op zijn. De uitverkoren zoon... zelfs bij onze leermeester kwam jij altijd eerst, hoe hard ik ook zwoegde... Volgens mij heb je gewoon veel geluk. Zelfs toen we nog samenwerkten, op onze strooptochten vanuit het Nimmerland, toen we de mensen bedrogen met onze kwakzalverij en hun dochters weglokten met onze muziek, toen liepen ze al met je weg. Het is een uniek talent: jij kan de mensen bedriegen, terwijl ze van je blijven houden. Mij verafschuwen ze om hetgeen ik moet doen. Jou sluiten ze in hun hart als een avontuurlijke schelm. Je hebt altijd de wind onder je vleugels gehad... gelukszalige mestkever die je bent. Ik zou je ogen uit hun kassen willen lepelen en ze verorberen als twee zachtgekookte eitjes bij mijn ontbijt.
5
De metro is druk, maar discreet. De schuchtere mannen in hun grijze kostuums zitten te slapen of doen alsof. Of ze lezen stripboeken zo dik als telefoongidsen. De rest speelt met hun mobiele telefoontjes. Alles om de mogelijkheid van toevallig oogcontact met een ander levend wezen uit te sluiten. Jouw geboortegrond... is dit de natie van trotse woeste samoerai? Ik had verwacht krijgers te vinden, maar ik vind schuchtere muizen. Maar misschien is dit allemaal façade, vraag ik me af, geveinsde zwakte. Zoals onze leermeester Cagliostro zei: niets is ooit wat het lijkt. Een schoolmeisje in uniform tegenover me doet haar hoge witte sokken goed. Uit Midori pik ik op dat er speciale lijm gebruikt wordt om de sokken op te houden. Om de tijd te doden snuffel ik nog wat in Midori’s herinneringen. Ze zit nog op school. Doordeweeks draagt ze ook zo’n uniform. Bijbaantje bij de Daily Yamazaka. Haar moeder werkt, als wat wordt me niet duidelijk. Haar jongere broertje is ziek. Iets genetisch. Haar vader is weggelopen. Het klinkt als een couplet uit een countryliedje. Is er niets spannends? Geen fetisjen, misdaden of verborgen zonden? Kom op, Midori, je kunt beter dan dit. Het leven hoeft niet zo ongelooflijk saai te zijn. Zo geestdodend traag en...alledaags. Dat is het probleem met de meeste mensen. Jullie schapen. Jullie volgers. Dode dromers. Modderaars met jullie voeten in de klei. Door het leven zwoegend zonder een greintje magie te ervaren. Zonder de kleinste vonk van macht te voelen. Zielepoten. Nee, jij niet, meisje...jij kunt meer zijn dan de zieltogende rest. Jij bent mijn uitverkoren prinses. Mijn dochter en moeder. Mijn voortzetting. Mijn intiemer-dan-minnares. Mijn muilezel. Deze nieuwe stem in je hoofd is belangrijker dan je geweten. Geloof me maar. Je zult moeten doen wat ik zeg, anders wordt het je einde. Degene waartegen we strijden is een monster. Als je de vogelverschrikker al onaangenaam vond, maak dan je borsten maar nat. Pan is veel erger. Als hij op je ademt zul je wegrotten. Hij kan je verstrikken en wurgen met je eigen schaduw. De dood die hij brengt komt achteloos. Je zult ’m niet zien aankomen, totdat het te laat is. Hij stuurt je verterende indigestie sluimerend in het kleverige kokoshart van zo’n qali-qali reep, steriel verpakt in de fabrieken die hij bezit. Wanneer hij je toezingt loopt het bloed uit je neusgaten. Hij is een gifadder wiens beet je pas voelt als je al aan het sterven bent.
6
Wanneer we het station willen verlaten stortregent het. Ze wil niet naar buiten zonder paraplu. Ik zou haar kunnen dwingen, want dit is klagen over de regen voordat je een duik in zee gaat nemen, maar ik besluit dat we een paraplu kunnen kopen bij een van de stationswinkeltjes. Dit kan ik haar nog wel gunnen. Ik besluit helemaal genereus te zijn en we nemen de tijd om een blikje hete koffie uit een automaat te trekken. Op een reclameposter naast de automaat staat een jongeman die met grote ogen van verbazing in zijn eigen spijkerbroek staat te staren. Release the id! zijn de enige letters die ik lezen kan. Maar ik hoef Midori de kanji niet te laten ontcijferen om te begrijpen dat het hier gaat om een product aangeboden door Prometheus Inc. Midori houdt meer van koffie dan van alcohol. Dat kan ik gebruiken om haar te belonen. Om haar dociel en volgzaam te houden. Ze kan me niet ontsnappen, maar ze kan voor problemen zorgen. Ze kan de zaken gecompliceerder maken dan nodig is. Ik heb liever een gehoorzame bondgenote dan een onwillige slavin. Terwijl ze aan het hete blikje nipt en de weeïge zoete drank tot zich neemt, begint ze vragen te stellen. Ze wil weten wat er op de vismarkt is. Dat weet je al, vertel ik haar, je moet niet naar de bekende weg vragen. Wat de vogelver... Ja, precies wat de vogelverschrikker vertelde: boven de vismarkt is een kantoor van Pan. Daar gaan we heen.
De toppen van de wolkenkrabbers verschuilen zich in de regennevel. Op de straat is een paddestoelenwoud van paraplu’s opgeschoten. De lichten van de straat worden weerspiegeld in de diepe plassen op het ongelijke asfalt. Het voelt claustrofobisch. Zelfs geluiden dragen niet ver, blijven in de buurt als kleine kinderen die aan de hand lopen. Het koude zweet breekt Midori uit. De overdekte vismarkt ligt net aan de rand van het centrum. Als we er aankomen, zijn de meeste toegangen al afgesloten met metalen rolluiken. Aan een achteringang treffen we arbeiders aan in plastic laarzen en doorwerkpakken, ze laden de overblijfselen van de dag in een vrachtwagen. Plastic kratten met harige krabben, roggen, tonijnen en een soort zilveren alen passeren ons. Een vuurrode octopus in een piepschuimen bak met ijs leeft nog en beweegt zijn tentakels tot over de rand, wanneer hij de regen in gedragen wordt. De dood is absoluut, maar er zijn gradaties van levendheid te onderscheiden. De laders kijken naar Midori als we op de betonnen verhoging klimmen en naar de achterdeur lopen, maar ze zeggen niets. Pas in de deuropening worden we staande gehouden door een oudere man die met een slang de vloeren schoonspuit. ‘We gaan sluiten,’ is wat hij volgens Midori zegt. Ik laat haar antwoorden dat we voor Prometheus komen. Daarop wendt de man zijn blik af en staart fronsend naar de vloer alsof hij een bijzonder hardnekkige vlek heeft ontdekt. Ik laat Midori om aanwijzingen vragen. De man gebaart met zijn arm de gang achter hem in. Ga weg. We blijven naar hem staren. Hij keert ons de rug toe en staat nu in een hoek water te spuiten, als een man die staat te urineren. Ik laat Midori de band van de plunjezak verplaatsen, zodat hij haar borst niet meer kruist, maar nog slechts aan haar schouder hangt. Op deze manier kunnen we de tas in een oogwenk afwerpen wanneer we moeten handelen. Ze probeert zich flink te houden. Ze denkt aan Rusty O’Neill in een of andere western. Helden bestaan niet, zoals onze leermeester zei, er zijn alleen schoften en slachtoffers. We lopen verder naar binnen. De lampen in de hoofdgang branden nog. Maar de meeste zijgangen zijn al helemaal donker, terwijl anderen zijn afgesloten met rolluiken. Al snel sterven de geluiden van de late werkers weg en onze voetstappen klinken nu griezelig hol. De vloeren en wanden zijn bedekt met vierkante blauwe tegeltjes. De plassen op de grond hebben een giftige gele glans in het tl-licht. De geur van schoonmaakmiddel kan de geur van de zee niet verbergen. Ik houd van deze geur, ze doet me denken aan het thuis dat me ontstolen is. We dwalen door de gangen, zoekend naar het logo waaronder mijn tegenstander zijn zwendelarijen verkoopt. We hoeven niet lang te zoeken. De verloren jongens vinden ons al snel. Een trio van deze hondenkoppen, van deze klusjesmannen verspert ons de weg. De kleine Japanner is erbij. Hij draagt zijn zonnebril nog steeds en ik vraag me af hoeveel hij kan zien, hier binnen in dit schemerduister. Hij draagt nu een ander kostuum dan vanochtend, dit is van een dik blauw fluweel dat zeer ongepast lijkt op deze plaats. Er zit een orchidee in het knoopsgat gestoken. Hij grinnikt naar Midori alsof hij gedrogeerd is. In zijn rechterhand, langs zijn been, houdt hij een revolver. Rechts achter hem staat een reus van een kerel in een mouwloos vuil hemd en een overall met helmzelen. Het is een westerling met kleine donkere varkensoogjes, een Rus zou ik zeggen als ik moest gokken, zo’n achtergebleven kozak van de radioactieve taiga. Als ik me niet vergis kan hij wel wat van jouw sigaretten gebruiken, Pan. Over de ene kant van zijn gezicht loopt een vers litteken van wenkbrauw tot mondhoek. De twee lappen huid worden bij elkaar gehouden door metalen krammen. Bij dit slechte licht is het net alsof er een grote duizendpoot over het gezicht van de man kruipt. Maar het litteken is niet de zwaarste verminking van zijn vlees: de pols van zijn rechterarm gaat over in een vuurrode kreeftenschaar, veel groter dan de hand die er hoorde te zitten. De schaar lijkt bezield met een eigen leven en gaat ritmisch open en dicht, terwijl de grote man roerloos staat. Het laatste lid van dit drietal is een slanke vrouw in een strak en glanzend zwartleren rijgkostuum. Ik kan niets van haar gezicht zien, want ze draagt een antiek gasmasker dat zijn oorsprong moet hebben rond de tweede wereldoorlog. Lang dik vuurrood haar komt aan de achterkant onder het masker vandaan. Op haar schouder, half verborgen onder de waterval van scharlaken haar, zit een grote vadsige albinorat die met zijn rode oogjes naar me kijkt, terwijl zijn dikke haarloze staart verwachtingsvol opkrult. Ik verwacht dat de vrouw een rijzweep of iets dergelijks bij zich zal hebben, maar tot mijn verbazing is zij niet gewapend. ‘Daar ben je dan,’ zegt de dandy met de zonnebril in het Japans, ‘we verwachtten je al. Nu zullen...’ Ik laat Midori zo hard schreeuwen als ze kan. Het drietal schrikt op van de kreet die plotseling tussen de wanden heen en weer kaatst. Een ogenblik lang staan ze aan de vloer genageld, zoekend naar een geschikte reactie. En voor dat moment aanbreekt zijn we al omgedraaid en aan het rennen. Een korte sprint en dan duiken we op goed geluk een zijgang in. Dan pas hoor ik ze de achtervolging inzetten. Midori rent zo hard ze kan, alle voorzichtigheid vergetend want de angst neemt bezit van haar, maar als we uitglijden op deze glibberige vloeren en vallen dan is het met ons gebeurd. Blindelings kiezen we onze weg door het doolhof van verlaten gangen. Zijn ze het spoor al bijster, of volgen ze nog steeds...? De gang eindigt ineens bij wat betonnen treden die ons bijna de nek kosten, maar we blijven op de been en bevinden ons in een groter vertrek. Rijen van langwerpige voorwerpen – vrieskisten zie ik nu – maken het vertrek onoverzichtelijk. Mooi. We rennen tussen de vrieskisten door. Ik kies er één en laat Midori de deksel openschuiven. Er ligt alleen een berg ijs in, de kist is halfvol. We klauteren erin en gaan op het ijs liggen, een ongemakkelijk bed en de kou begint direct door haar kleren te dringen. Als ik haar dwing om de deksel te pakken en hem dicht te schuiven, bereikt haar paniek ongekende hoogten. Er is iets met levend begraven worden dat mensen raakt. Toch schuiven we de deksel dicht. Niet helemaal natuurlijk. Als ik een dwaas was had ik nooit zo lang overleefd, waanzinnig misschien, een dwaas nee. Ik houd dus een brede spleet over. Alsof we opgebaard liggen. Een begrafenis met open kist. Maak je niet druk, het zal niet lang duren. Een tijdje hoor ik niets dan het zoemen van de vrieskist. Ik concentreer me en we luisteren zo aandachtig mogelijk. Ik negeer de kou die bijna ogenblikkelijk in haar botten kruipt. Ik weet het: drie tegelijk is teveel. Dan hoor ik iets. Het is de kreeftman, ik hoor hem naderen aan het overijverig klak-klak-klak van zijn scharen. Ik luister nauwkeurig of er anderen in de buurt zijn. We zetten ons schrap in onze schuilplaats, liggend op haar rug, onze wapens gereed. We houden haar adem in, terwijl de geluiden dichterbij komen. Slepende voetstappen en het onophoudelijk gejammer van de scharen. Ziet hij de kist open staan? Ziet hij het ijs dampen? Midori is het aas in de kreeftenkorf. Klak-klak- Plotseling verschijnt zijn grote vierkante smoel boven de vrieskist. Zijn kreeftscharen gaan de lucht in... Met één hand knippen we mijn aansteker aan, met de andere hand richten we de spuitbus. De vuurgolf raakt de kreeftman vol in het gelaat. Krijsend duikelt hij achterover, met zijn normale hand probeert hij de gele vlammen die gretig aan zijn gezicht en haar likken uit te slaan. Hij verdwijnt uit ons blikveld. De scharen klepperen dreigend en tegelijkertijd hulpeloos als castagnetten. We veren overeind en klimmen uit de kist. De kreeftman rolt over de grond, brullend van de pijn, en voordat hij de vlammen kan doven, laten we onze zelfgemaakte vlammenwerper nog drie keer zijn werk doen. Dan is de spuitbus leeg en we werpen hem weg. De kreeftman brandt nu als een toorts. De arm met de kreeftscharen maait wild in het rond. Als je hoofd daar tussen komt te zitten, wordt ie gekraakt als een noot in een notenkraker, geen twijfel mogelijk. We wachten niet totdat de kreeftman sterft, want zijn geschreeuw zal onvermijdelijk de anderen aantrekken. Midori wil weer wegrennen, maar ik zorg dat we ons verschuilen achter een ronde betegelde pilaar. We drukken ons ertegenaan en houden ons stil. Niet eenvoudig, want de geur van brandend vlees prikkelt in haar neusgaten en maakt Midori misselijk. De kokhalsreflex kan ik niet goed onderdrukken. Denk aan iets anders, denk aan iets plezierigs... denk aan een barbecue... Dan begint ze vol overgave te spugen. Na twee zure golven is haar maag leeg, maar ze blijft kokhalzen. Ik dwing haar om door haar neus te ademen en te kalmeren. Er is een eiland, sus ik haar, hier ver vandaan. Het heeft suikerwitte stranden en grappige golven die onvermoeibaar komen aanrollen vanuit de horizon. Aan het strand zijn palmbomen die tot aan de hemel reiken en waar je in kunt klimmen net als de ondeugende lachende aapjes, om bij de kokosnoten te komen en de zoete melk te drinken. De kokosmelk is zoet als honing. En dieper in het woud, onder de schaduwen van de bomen leven wolken blauwe vlinders. Wanneer je stil blijft zitten strijken ze op je neer, alsof je een met mos overgroeide boomstronk of een liaan bent. Dat eiland is een geheim, vertel ik haar, het is mijn geheim, maar nu vertel ik het haar en dus nu is het ook ons geheim. We zullen naar dat eiland gaan en dan hoeven we ons nooit meer zorgen te maken. Maar eerst moeten we dit doen. Eerst door de zure appel heen bijten voordat we de poort van het paradijs kunnen terugvinden. Begrijp je het nu? Ze rilt en huivert nog wat, maar het braken is gestopt. Ze probeert te huilen, maar ik laat het niet toe. Ik hoor weer voetstappen in het vertrek. Ditmaal is het de dandy in het blauwfluwelen pak. Hij zet zijn stappen stil en behoedzaam, alsof hij bang is om zijn schoenen nat te laten worden. Hij loopt vlak langs ons om het lichaam van de kreeftman te bekijken. Ik laat hem me passeren tot we hem in de rug kijken. We hebben de mondharmonica tevoorschijn gehaald. Op het moment dat we het instrument aan de lippen zetten, draait hij zich om en richt de revolver. ‘Doe dat niet,’ zegt hij in het Japans. Dan voegt hij er overbodig aan toe: ‘Of ik zal schieten.’ Hij houdt de revolver op ons gericht en stapt dichterbij. Hij steekt een hand uit, voor de mondharmonica. ‘Geef dat aan mij.’ We laten de mondharmonica vallen en grijpen met twee handen de revolver vast. We worstelen om de revolver en proberen de loop opzij te duwen, maar de dandy is sterker dan Midori en drukt de revolver tegen haar zijde. Hij grinnikt nerveus terwijl hij het doet. Zijn wijsvinger haalt de trekker over. De haan spant zich, maar voordat hij terug kan vallen, voordat de slagpin het slaghoedje van de kogel kan raken, heb ik Midori haar hand ertussen laat duwen. De slagpin bijt gemeen in de muis van haar hand en er welt bloed op. De verbazing straalt van zijn gezicht af. Midori geeft hem een kopstoot. Het doet zeer, ook bij haar, maar ze raakt de brug van zijn neus met haar voorhoofd, zoals het hoort. We horen zijn neus breken, zijn hoofd slaat achterover en zijn zonnebril vliegt af. De revolver glipt uit zijn greep en scheurt los uit Midori’s bloedende hand. Het wapen klettert op de grond zonder af te gaan. Verdwaasd wankelt de dandy achteruit. Hij heeft geen ogen meer. Op de plaats van zijn ogen zijn twee muntjes ingezet. Het zijn van die kleine Japanse muntjes, met een rond gaatje in het midden, het soort waar je precies helemaal niets mee kunt kopen. Pan is de eigenaar van die muntjes en hij weet op ieder moment wat ermee gebeurt. Midori schopt de dandy vol in het kruis en terwijl hij kermend op zijn knieën zakt, duiken we naar de revolver en graaien hem van de grond. We richten met twee handen en spannen de haan met haar duim. De dandy schudt zijn hoofd. Zijn lippen en kin zijn rood van het bloed. Zijn mond is waterig en slap. De afwezigheid van ogen maakt het makkelijker om hem niet als mens te zien. Kijk hier, dit is voor jou, Pan! We schieten twee keer. Om zeker te zijn. Midori begint al af te harden. Ze huivert wanneer de knallen door de hal galmen, maar het gebeurt al verder bij haar vandaan. Het is niet meer zo belangrijk wat er met anderen gebeurt. Nog even en het geweld zal niet meer zijn dan een achtergrondruis. Er bestaan twee soorten mensen. De eerste besluit vrij snel dat ze alles en dan ook werkelijk alles willen doen om te overleven. Het tweede type aarzelt iets langer. Ik weet hoe het is. Ik heb het vaak genoeg zien gebeuren in mijn lange jaren. Het is nu stil in de hal. De smeulende vlammen op de kreeftman zijn uitgedoofd. De dandy bloedt nog. We vissen de plunjezak op uit de vriezer. Midori is vermoeid. Haar kleren zijn nat van ons ijsbed en er zit wat waterig braaksel op haar schoenen en netkousen. We houden de revolver stevig vast in haar bloederige hand. Ik weet dat het niet meevalt, meisje, maar we moeten lijden alvorens de deuren naar het paradijs voor ons openzwaaien. Voorbij de verloren jongens, voorbij Pan, daar wacht het beloofde land. Ons geheim.
Vanuit haar ooghoeken zie ik Midori’s schaduw over de muur slepen, alsof hij ons wil vertragen. Onwillig en muitend door de magie die zijn werk doet. We grijpen in mijn jaszak naar mijn mondharmonica, maar zijn te laat. Het donker zwelt rondom ons op en de schaduwen spoelen over ons heen als een hoge golf. Zo’n zevende golf, want die zijn het hoogst. In het Nimmerland is iedere golf altijd een zevende. Net zoals de maan er altijd vol is en de wind uit zee altijd krachtig blaast. De schaduwen drukken Midori op haar knieën, ze kolken om haar heen en kleven aan haar vast. Ze maken haar ogen blind en vullen haar neus en mond met inktzwarte duisternis. Let op nu! Dit is hoe je verdrinkt op het droge. Met onhandig trillende vingers brengen we het instrument naar haar mond en met het laatste beetje lucht in haar longen blaas ik de eerste tonen. Zuiver en scherp als altijd. De schaduwen wijken ogenblikkelijk voor ons, ze verspreiden en fladderen weg als een wolk vleermuizen. Midori drinkt de zuurstof gretig in. Achter haar in de gang staat de roodharige heks met het gasmasker. Ze heeft haar handen opgeheven alsof ze een marionet bespeelt. Dus jij kunt schaduwen weven? Heeft Pan je wijsgemaakt dat jij zijn leerlinge bent? Zijn adept? Ik zal je laten zien hoe het moet. Ik zal knopen in je ingewanden leggen. Ik laat Midori de mondharmonica weer aan de mond brengen en begin de struikelende fandango te spelen. Een deuntje dat danst en huppelt met onhandige benen die voortdurend verwikkelen en kluwen. Het laat de heks koud. De teef moet haar oren dichtgestopt hebben onder dat masker. Terwijl we doorspelen, richten we met links de revolver, maar de heks reageert te snel. Als een panter springt ze naar ons toe. Ze landt bovenop ons en haar vingers rijten Midori’s gezicht open. Er zitten metalen vingerhoedjes over haar vingertoppen die uitlopen in metalen naalden. Ze klauwt naar Midori’s ogen, maar we duwen onze arm ertussen. De naalden dringen door de mouw van mijn jas, tot in Midori’s arm. We beschermen ons gezicht en proberen haar van ons af te werken, maar ze is snel en beweeglijk als een kat, en iedere keer dat haar klauwen Midori raken vloeit er bloed. Het gasmasker is vlak bij Midori’s gezicht. Ik kan niet naar binnen kijken door de ooggaten met de ronde metalen ringen en het donkere glas, maar ik hoor het hijgen achter de trommel. Haar nagels dringen nu in Midori’s hals. Heel even overweeg ik om het zinkende schip te verlaten en over te springen naar de heks. Maar ik zal niet spilziek zijn. Ik wil Midori niet laten sterven. Ze is mijn beste kans. We slagen erin de loop van de revolver tegen de buik van de heks te drukken. Er klinkt een gesmoorde knal en de heks rolt van ons af. De heks krult zich op tot een bal, haar handen op de buikwond gedrukt. We houden de revolver voor haar gasmasker en halen nog een keer de trekker over.
Als we weer opstaan vraag ik me af hoeveel van zijn verloren jongens ik nog moet passeren. Midori kan niet veel meer hebben. Ze bloedt uit tal van kleine wonden en alles doet haar zeer. De vermoeidheid neemt nu zijn tol van haar. Haar spieren voelen slap en leeg. We zijn er bijna, zeg ik tegen haar en ik hoop dat het zo is. Verderop in de gang zit de grote witte rat naar ons te gluren. We gebruiken onze laatste kogel om op hem te schieten, maar missen hem, en het ongedierte vlucht weg. Ik zou hem kunnen terugfluiten om hem dood te trappen, maar ik besluit dat er dringender zaken zijn. We proberen weg te lopen, maar na enkele passen zakken we door haar benen. Met een flits dringt het tot me door dat dit geen vermoeidheid is die we ervaren. Het lijkt vermoeidheid die overgaat in spierkramp. Spierkramp die overgaat in verlamming. In mijn geheugen roffelen de oorlogstrommels van de wilden uit het woud, als de bittere curare Midori omhelst. Verlamming die overgaat in de verstikkingsdood. Ik dwing haar te kruipen. Je hebt lucht nodig, meisje, een beetje frisse lucht en je knapt weer op, dat zul je zien.
Het kruipen lijkt eindeloos te duren, maar ik weet dat het schijn is. Een grote sterke man houdt de strijd tegen de curare misschien een half uur vol, niet langer. Midori is niet zo groot, maar ze is taai. Ze vecht voor haar leven en voor dat van mij. Ik ben trots op haar. Ik zal haar missen, maar niet vergeten. We bereiken een deur die naar buiten leidt. Haar ademhaling komt nu ongelooflijk zwaar. We zitten in een bankschroef die langzaam aangedraaid wordt. Al het gevoel is uit haar benen getrokken, we slepen ze als dood gewicht achter ons aan. Haar armen tintelen nog, maar het zal niet lang meer duren. Ze heeft nog hoop als ze naar buiten kruipt. Een deel van haar gelooft nog dat mijn magie haar redden kan. En nu, als ik op mijn zwakst ben, verschijnt Pan ten tonele. Zoals immer heeft hij de onschuldige gedaante van een klein Japans jongetje, niet ouder dan een jaar of tien. Zijn hoofd is glad geschoren en hij draagt een eenvoudige groene kimono. Zijn blote voeten zweven zo’n twintig centimeter boven de straat, terwijl hij naar me toe beweegt. Alsof hij te verheven is om de grond te raken. Alsof het hem pijn zou doen om contant met de basale aarde te hebben. Hij blijft op een veilige afstand. Bekijkt me nauwkeurig met zijn glinsterende donkere ogen. ‘Hallo Pan,’ zeg ik moeizaam met Midori’s mond, ‘Heb je me gemist?’ ‘Het is lang geleden,’ zegt hij ernstig, ‘maar niet lang genoeg.’ Lang geleden dat jij me verbannen hebt, jij schoft, jij moederloos monster. ‘Wie is deze jongedame die je bij je hebt?’ vraagt Pan alsof hij werkelijk geïnteresseerd is. Zijn stem klinkt als muziek, precies zoals ik het me herinner. Hij heeft zijn panfluit in zijn handjes, maar hij hoeft hem niet eens te gebruiken. Als ik niet uitkijk zal hij zelfs mij, zijn oude kameraad en gezworen vijand, in slaap sussen. Hij is zo ongelooflijk begaafd, het maakt me ziek. ‘Doet het ertoe?’ laat ik Midori zeggen. Pan haalt zijn schouders op. ‘Je hebt lelijk huis gehouden onder mijn dienaren,’ zegt hij alsof hij het betreurt. Maar ik weet wel beter. Jij bent net als ik, Pan, jij geeft niets om mensen. ‘Waarom al deze moeite? Waarom al dat bloedvergieten?’ vraagt Pan, ‘Je had gewoon kunnen weglopen. Je had mijn pad nooit meer hoeven kruisen. De wereld is een grote uitgestrekte plaats.’ Omdat ik niets geef om deze wereld. Je mag hem helemaal hebben wat mij betreft. Maar geef me de sleutel naar het Nimmerland terug. Laat me terugkeren naar het eiland... maar die woorden komen niet over haar lippen. Ik denk er niet aan. Ik zal niet als een hond bij je komen bedelen om je gunsten... als één van je verloren jongens... ik kom opeisen wat van mij is. Ik kom het terughalen. ‘Jij gooit onze wonderen te grabbel,’ laat ik Midori zeggen, om hem bezig te houden, terwijl we dichterbij proberen te kruipen. Ze heeft geen gevoel meer in haar armen. Hij zweeft wat achteruit en lacht. ‘Onze wonderen? Onze onsterfelijkheid? Jij bent niet onsterfelijk, mijn oude overbodige vriend, jij bent verleden tijd. Een verhaal dat afgelopen is.’ Ik hoor de achterdeur opengaan, maar Midori kan niet meer omkijken. Ik hoor een zware slepende tred. ‘Ah, daar ben je dan,’ zegt Pan. De nieuwkomer schuifelt dichterbij. Klak-klak-klak. ‘Raak hem niet aan,’ zegt Pan tegen zijn handlanger, ‘want dat is precies waar hij op hoopt.’ De kreeftman komt nog wat dichterbij, maar blijft dan staan. Hij heeft geen huid meer, zijn vlees en spieren zijn een verkleefde gesmolten massa, zwartgeblakerd en verwoest. Verkrampt van pijn en woede staart hij op Midori neer. We kunnen hem ruiken, zoals hij daar naast ons staat. ‘Hij ruikt naar barbecue...’ laat ik Midori fluisteren. De arm van de kreeftman schiet de lucht in. ‘Laat dat!’ zegt Pan, ‘Ga weg hier.’ Ik kan alleen nog maar hopen dat de kreeftman zijn beheersing verliest. Dat zijn wraaklust groter zal zijn dan de angst voor zijn meester. Sla toe, smeek ik, sla toe en scheur haar in tweeën met die klauw. Maar de kreeftman draait zich om en begint weg te lopen. Het klepperen van de scharen verdwijnt in de nacht. ‘Het is bijna voorbij,’ zegt Pan.
Ik laat Midori haar ogen sluiten. Haar borstkast beweegt nog nauwelijks. Het gif heeft de ademhalingsspieren lam gelegd. Ik vraag me af hoe lang Pan blijft toekijken.
7
Ik lig te sterven. Tweede maal dit etmaal. Klinkt als een grap, maar het is niet leuk. Pan is weggegaan. Midori maakt het niet lang meer. Ik voel het in haar ademhaling, schuchter en fladderend als een mot. Ik voel het in haar hartslag. Hoe kan ik alleen sterven in deze stad van miljoenen levende wezens? Waarom komt er geen zwerver die probeert mijn zakken te rollen? Of een vuilnisman die me ziet liggen en kijkt of ik nog leef voordat hij een ambulance belt. Een korte aanraking is genoeg. Ik ben nu zo wanhopig dat ik zelfs met een dier genoegen zal nemen. Maar de raven zijn te sluw. Ze blijven op afstand totdat ik dood ben. Heel even lijkt mijn geluk terug te keren als er een straathond komt aanscharrelen, maar het beest ruikt iets aan me dat het niet vertrouwt en zoekt zijn heil elders. Ik probeer het terug te fluiten, maar er is niet genoeg lucht meer. Haar lippen proeven naar bloed. Haar ogen zakken weer dicht. Is dit het? Ik probeer me voor te stellen dat ik terug op het eiland ben, dat ik in de branding lig, met de goede warme zon op mijn huid, wachtend op de volgende golf die komen zal. Maar ik kan het niet meer voor me zien. Alles glipt me door de vingers. Alles is voor niets geweest.
Dan, uit het niets, hoor ik het tikken van naaldhakken op de straat en ik weet weer wat hoop is.
|