‘Ren als de moa’s, sifarch,’
zongen de Neanderthalers terwijl zij vuistbijlen uit harde vuursteen klopten.
‘Ren als de moa’s, sifarch
want aan de horizon
blinken glazen speren.
‘Breng mij naar weelderige eilanden,’ galmden ze.
‘Zwem, reuzeninktvis, zwem
naar weelderige eilanden
waar pandelen dromen.’
Het waren oude woorden in een taal die zij niet begrepen. Ook nooit begrepen hadden. Hun voorouders waren de ploegapen van Cotrahviné geweest, grove, slome dieren zonder eigen taal of woorden. In Cotrahviné waren ze wakker geworden, begonnen voor het eerst glimwormpjes begrip in hun ogen te glanzen.
Cotrahviné verdween, verzonk onder de golven, werd uitgewist door oprukkend pakijs, wie zal het zeggen? Zij herinnerden zich haar koperen paleisbomen, de stinkzwammenkwekers en magiërs van een ras dat zichzelf ‘Mens’ noemde voor de Homo Sapiens bestond.
Wanneer de sneeuw in een witte muur omlaag viel en rook de grotten vulde, zongen de Neanderthalers de legenden van Cotrahviné. De klanken van die taal waren harmonieus als het klateren van kleine beekjes of het fluisteren van de wind over grijsgouden steppen, en de onbegrepen woorden troostten hen in de grote, hongerige winter van de wereld.
Luister, zo beginnen de kronieken van Cotrahviné:
‘In het noorden dreunen gletsjers, in het zuiden stuift sneeuw. Mammoets stampen over de bevroren toendra, wolharige neushorens wroeten naar diepvriesmos, bitter als gal: de wereld is ijs.’
Heel de wereld?
Nee, in een azuren oceaan droomt Cotrahviné, een tropische archipel, zwoel als een zomeravond. Hier heeft magie de tijd stilgezet: slanke compsognatussen fluiten tussen varenbomen die elders met het Carboon verdwenen, onmachtige goden schuilen in de holen van snuffelmuizen. Lang voor de eerste ploegaap getemd werd, stichtten onze magiërs (wier wijsheid de goden welgevallig is) het land der landen: Cotrahviné, dat zal bloeien ‘tot het ijs zelf smelt en de laatste mammoet verdwenen is’.
Voor altijd dus.
Dit was het Platina Tijdperk van Cotrahviné: stille, vredige eeuwen waarin elke dag met een zilveren ochtend begon om in rood goud te eindigen.
Iedereen wist zijn plaats en voor ieder was een plaats. Soms vertrapten de jachtpartijen van een sifarch het maïs van een boer, maar wat is het leed van een boer? Minder dan de val van een waterdruppel in een lichtloze grot.
Natuurlijk kende ook die tijd zijn avonturiers: een sterke, sluwe man of vrouw kon een eigen rijk uithakken in het achterland, een visser kon een inktvissenmagnaat worden.
Rust en vrede en een lang, saai leven waren toch de norm. Vreemd dat legendes zo zelden over lange, saaie levens gaan...
De paddenvrouw
Zo vonden de dorpelingen Padeir in de namiddag: koud en stijf, een wijnzak in de verkrampte rechterhand. Op zijn lippen lag definitief een zelfvoldane grijns bevroren.
De waarlijk slechten sterven zorgeloos.
Onzeker stonden ze bij het omhulsel van hun kwelduivel. Een dorpeling raakte snel de punt van Padeirs neus aan en trok sidderend zijn hand terug. Zoiets zou hij nooit gewaagd hebben toen Padeir nog ademde.
‘Hij heeft zijn mantel niet gewassen,’ zei Ler zacht en dat was zo: Padeirs mantel stond stijf van geronnen bloed, dat beslist het zijne niet was. Aan de tint te beoordelen moesten de vlekken vrij recent zijn. Oud bloed kleurt al snel zwart.
‘Wie?’ vroeg Eirfas.
‘Niemand van ons dorp,’ stelde Ler hen gerust. ‘Wij zijn hier allemaal. Misschien een reiziger?’
Op kilometers afstand van elkaar groeven de dorpelingen twee kuilen, elk diep genoeg om grondwater op te laten wellen.
Ze dreven een glazen spies door Padeirs lever, sneden zijn hoofd af en vulden zijn mond met dille.
Op de graven stapelden ze loodzware blokken gneis.
Meer wisten ze niet te verzinnen. Traditie en dorpsroddel schoten op dit punt ernstig tekort. Waarlijk slechte mensen zijn immers zeldzaam, wat men ook mag beweren.
Kort na middernacht bonsde iemand op Lers nachtschild. Hij deed niet open want hij vermoedde wie zijn bezoeker was.
‘Wie ben je?’ riep hij voor de zekerheid.
Achter het schild borrelde iemand. Opnieuw gebons, ditmaal lager op het schild. Blijkbaar gaf zijn bezoeker nu de voorkeur aan zijn voeten boven zijn vuisten.
‘Ga weg!’ gilde Ler. ‘Je bent dood! Dood!’ Hoewel hij vermoedde dat zijn bezoeker hem niet kon horen. Lichamen zonder hoofd zijn notoir hardhorend.
De bezoeker rukte aan het nachtschild. De ijzeren sluitingen sidderden, verbogen snerpend.
Ze bleven intact.
Stilte keerde terug, een huiverende stilte vol zacht, sinister geborrel.
Het gras ritselde; bonkende voetstappen verwijderden zich in de nacht.
‘Dat kan nog leuk worden,’ zei Ler tegen zijn vrouw.
‘Je moet naar de paddenvrouw gaan,’ zei Denpai, zijn echtgenote.
‘Dat is je bosbrand met een vloedgolf blussen,’ sputterde Ler tegen.
Hij had echter weinig keus. Dat wist hij.
Haar oorspronkelijke naam was Sealen’dasai, wat in een oud dialect ‘Zonnestraaltje tussen de veenbessen’ betekende. Misschien was ze als baby mooi geweest of in ieder geval niet aartslelijk. Wie weet had haar moeder een ietwat verwrongen gevoel voor humor gehad.
Haar ruggegraat kromde zich als een tak die te zwaar beladen was met perziken en haar vlees zwabberde in bolle plooien omlaag. Haar ogen leken kleine smaragden. In een beter belichaamd meisje hadden mensen ze beslist betoverend gevonden.
Nu waren ze ook wel betoverend, alleen was het een andere, troebelere magie.
Vaal haar huid, een modderige tunnel haar woonboom: ze leek wel wat op een pad en daarom noemden de dorpelingen haar later ‘paddenvrouw’. Dorpelingen staan niet bekend om hun fijngevoeligheid.
Toen ze jong was bekogelden de andere kinderen haar met rotte mango’s en dode vogeltjes. Ze leerde te vluchten, zich te verstoppen in het bos dat geen voorkeur kende. Het bos accepteerde haar zoals ze ook de ratelslang en de compsognatus accepteerde.
Niemand onderwees haar. Voor wie in haat en angst luistert, spreken echter vele stemmen. Ze werd wijs, al was dat niet de milde wijsheid van berusting.
‘Je bent mooi,’ vertelde een lugodont haar. ‘Je geest is helder en scherp als de kleurloze druppel gif die aarzelend trilt aan de bijttand van een cobra.’ Lugodonten vinden schoonheid op de meest onverwachte plaatsen.
Hij had overigens gelijk: andere verworpelingen brouwden een bitterzuur droesem in hun ziel, haar gedachten werden lange, scherpe messen, eindeloos gewet en efficiënt.
Aanvankelijk droomde ze van wraak en smeedde ze heimelijke plannen. Het bos kende echter geen tijd, elke lente was de allereerste lente en toch gelijk aan de vorige. Toen zij tenslotte naar haar dorp terugkeerde, waren de eikels uit haar jeugd tot woudreuzen uitgegroeid.
Al haar vijanden waren dood. Hun nakomelingen wierpen geen dode vogeltjes naar haar. Geen kind zou zoiets ooit nog durven. De dorpelingen vroegen haar om toverspreuken en gif. Ze betaalden haar royaal, maar niemand nodigde de paddenvrouw in zijn woonboom uit.
Ze begreep dat macht en vriendschap niets met elkaar te maken hebben. Ze voelde geen wrok. Wat nooit beloofd werd, wordt niet werkelijk gemist. Ze leefde zoals alle dieren leven: zonder toekomst, zonder angst voor ziekte of dood. Zonnestraaltje tussen de veenbessen, haar gezwollen lichaam een morsige zak om een ziel van glinsterend staal.
Soms, heel soms, droomde zij een gewone vrouw te zijn. Tsenda, Hoedster der Dromen, is vaak wreed in haar bedrog.
‘Padeir is gestorven, paddenvrouw.’
‘Noem mij Sealen’dasai, Ler.’
‘Padeir is gestorven, Sealen’dasai.’
Haar tunnel stonk naar stilstaand water, kleine witte larven kropen over Lers tenen. De paddenvrouw was een klodder duisternis: alleen haar ogen stuurden iets van het onwezenlijke zonlicht voorbij de ingang terug.
‘Padeir. Hij was een uitzonderlijk man. Op zijn manier.’
‘Hij was een monster!’
‘Ach, je bent nog jong, Ler. Later zul je begrijpen dat het even moeilijk is een authentiek monster te worden als een echte heilige. Bovendien vergeten muzikanten een monster minder snel dan een heilige en in de liedjes van muzikanten vind je de enige onsterfelijkheid die de moeite waard is.’
‘Padeir heeft geen liedjes nodig. Hij heeft zijn eigen onsterfelijkheid. Afgelopen nacht rukte hij aan mijn nachtschild. Hij kwam nog bijna binnen ook!’
‘Dat is interessant. Wat zocht hij?’
‘Zijn... zijn hoofd denk ik.’
‘Het wordt steeds interessanter. Hoe is hij dat kwijtgeraakt?’
Ler aarzelde even. ‘We hebben het afgehakt. En toen begraven. Kilometers van de rest van zijn lichaam.’
De kol gniffelde. Ler vond het geen hoopgevend geluid.
‘Ler, Ler! Spelen jullie dorpelingen ineens voor tovenaar? Er bestaat geen betere methode om een ondode te maken! Hak zijn hoofd af, begraaf het ergens, van alle dwaasheden! Jullie hebben zeker ook een speer door zijn lever gestoken?’
‘Ja, een glazen speer.’
‘Een glazen speer! Wie gaf jullie raad? K’dan zelf? Glas is het magische wapen van alle demonen die geen metaal kunnen aanraken. Glas geeft leven aan wat rechtens geen leven bezit. Jullie zelf hebben Padeir uit zijn graf geroepen. Zonder jullie geknoei zou hij zich nu in de IJzige Hel vermaken en niet als een ondode rondzwerven.’
‘Wat moeten we doen? Hem zijn hoofd teruggeven?’
‘Dat zou nogal onverstandig zijn. Nu is hij doof en blind. Wil je een ondode wiens ogen scherper dan die van een uil zijn, met het gehoor van een ocelot? Om over zijn reukvermogen nog maar te zwijgen! De dood neemt vele sluiers weg.’
‘Kunnen we hem niet doden?’
‘Doden wat al dood is? Dat lijkt mij onpraktisch.’
‘Als we hem in kleine stukken hakken of...’
‘Nee. Denk aan zijn handen, rennend als gespierde spinnen, klauwend, wurgend. De soepele slangen van zijn armen, de lasso’s van zijn ingewanden.’
Ler dacht daaraan. Het was geen beeld om iemand een onbekommerde nachtrust te bezorgen.
‘Kunt U iets doen?’
‘Dat is de juiste vraag. Het antwoord luidt ja. Voor een prijs.’
Ze noemde haar prijs. Ler beloofde het haar.
Buiten haar hol kromp zijn maag ineen, hij braakte tot gele gal van zijn lippen sproeide. Hij kon zichzelf niet langer een goed mens vinden, maar zijn angst woog zwaarder dan zijn eigendunk.
De paddenvrouw ontmoette Padeir in een kring van driehoekige stenen. Deze plaats was weerzinwekkend oud en allesbehalve heilig. De knisperende, schuifelende woorden van trilobietmagiërs vibreerden daar nog steeds, echo’s achter echo’s, vol emotieloze vernielzucht.
De sterren zwiepten en versprongen alsof zij weerkaatsten in lang vergeten oerzee. Soms verschoven ze een harteklop lang naar fossiele constellaties, een zodiak verdwenen sinds het Devoon.
Padeir waggelde en stampte, onhandig en struikelend: toch bewoog hij zich sneller dan een rennende man. Onder zijn linkerarm droeg hij zijn gehavende hoofd.
De oogkassen waren leeg, maar in de holtes brandden blauwe punten lijkenlicht. Blind was Padeir niet, geenszins.
De dood neemt vele sluiers weg, dacht de paddenvrouw opnieuw.
‘Padeir!’ riep zij. ‘Padeir, luister!’
‘Mijn naam is Padeir.’ Zijn stem klonk als de wind in bladloze bomen, een klikkend, knarsend gefluister.
‘Padeir, blinde, dove Padeir.’
‘Ik zie meer dan een man ooit zag in de kracht van zijn leven. Geen made roert zich of ik hoor zijn segmenten knersen.’
‘Zij riepen je naam, Padeir, en je hoorde hen niet. Hun vleugels streken over je gezicht en jij bleef blind.’
‘Wie, Sealan’dasai, wie? Denk niet dat je mij kunt bespotten omdat duisterlingen je lief hebben! Wie?’
‘De dode zwaluwen, Padeir. Ben je hun beloftes vergeten? Een land wit en koud als je eigen ziel beloofden ze. Het gezelschap van de weinigen die even oprecht slecht waren als jij, gifmengsters als concubines, moordenaars, intriganten die met hun leugens bossen in as legden, de eters van kinderen. De dode zwaluwen beloofden je de IJzige Hel.’
‘Ik... ja, ja! Er was een belofte, een beloning.’
‘De Hel.’
Het hoofd rolde door het verdorde mos, het lichaam zeeg voorover en versmolt met het zand. De paddenvrouw stond alleen in een cirkel van stenen.
‘Veel geluk,’ zei ze. ‘Veel geluk, vriend.’
Die nacht rammelde niemand aan Lers nachtschild.
Toen het eerste ochtendlicht de kieren om zijn nachtschild wit etste, stond hij op. Hij had een belofte gedaan en durfde die niet te breken.
Ler raakte het voorhoofd van zijn vrouw aan en sprak de drie woorden die de paddenvrouw hem geleerd had. Denpai krabbelde overeind, haar ogen gesloten, haar ademhaling regelmatig. Ler rolde het nachtschild opzij en ze liep de ochtenddauw in.
Ik ben een slecht mens, dacht Ler, ik ben een monster, maar geen muzikant zal liedjes over mij zingen. Alleen ik zal weten dat ik een monster ben.
Hij maakte zijn avondmaal gereed. De maïskoeken verschroeiden, de kwartels bleven halfrauw: van koken wist Ler weinig. Hij dronk nevelwijn. Veel. De drank maakte zijn angst wollig. De wroeging bleef knagen, dankzij de drank een halve boom verder, maar hij wist dat de wroeging zou terugkeren, van nu af aan een vaste metgezel.
Iemand klopte op het nachtschild. Roekeloos rolde hij de koperen schijf opzij, hopend dat het een lugodont was of een ander verscheurend wezen. Het was zijn vrouw.
Haar ogen leken kleine smaragden. Haar ogen waren altijd lichtgrijs geweest.
Toch... ‘Denpai?’ vroeg hij.
‘Wat is dat nu weer voor een rare naam?’ snoof zijn vrouw. ‘Noem mij Sealen’dasai en vergis je nooit meer.’
Zij was precies de juiste vrouw voor een geheim monster, maar Denpai was zij niet.
