uit 'Het bouwplan'

lees een hoofdstuk on-line van

Het bouwplan

       door Frank van Dongen

 

 

 

    Over ondraaglijk verlangen naar het onbekende
    _______________________________________


    ‘Acrobatenmeisjes!’
    De witte huizen van de Eerste Stad rezen hoog en symmetrisch rond me op. De wolken braken. Het maakte de nazomerlucht, die geurde naar nat cement, nog zwaarder.
    Op het marktplein zag het zwart van de mannen. Meer dan de helft ging gekleed in het sombere tenue van het Weerwoord. We drongen ruw naar voren. Niemand durfde ons tegen te houden.
    Acrobatenmeisjes buitelden door de regen. Hun huid glom en hun haren zwiepten dikke druppels in het rond. Vloeibare feromonen. Ooit had ik andere vrouwen zo zien bewegen, vol dierlijke levenskracht en smeulende passie. Dat was in een ander leven geweest. Oude verlangens dienden zich aan, en even voelde ik me een roofdier.
    Een van de acrobatenmeisjes zocht oogcontact met me. Ze had zwarte ogen en een witte huid.
    Mijn adem stokte. Ze was kleurloos. Volkomen kleurloos. Ik kon zo bij haar naar binnen kijken. Alsof we ooit verstrengeld waren geweest, in een verleden waarvan ik nu alleen nog echo´s droomde.
    Wat riep deze kleurloze vrouw in me op?

    Ik keek naar de man die naast me stond: Bilders oudste zoon, die me altijd in de gaten hield, die over me waakte. Een man in de kracht van zijn leven, met letterlijk en figuurlijk een rechte rug. Toch liet hij zich verblinden door dezelfde verlangens als ik.
    Ik wrong me door de menigte en liep naar de ingang van de acrobatentent. Tussen de lekkende touwen door loerde ik naar mijn prooi.
    Eindelijk danste ze terug naar haar hol. Mijn blik hield haar staande. Woorden kon ik niet vinden. Zwaar ademend keken we elkaar aan. Twee vreemden, op zoek naar inzicht in elkaar.
    Het acrobatenmeisje trok me mee naar binnen, naar een compartiment achter een gordijn. We waren in schemerlicht gedompeld, stonden dicht bijeen. Haar borstkas pompte op en neer. Haar ribben en borsten werden tegen haar natte topje gedrukt. Ze droeg een rokje van zeemleer. Af en toe lekte er een druppel.
    ‘Jij bent hier vreemd.’ Haar adem stroomde langs mijn gezicht.
    ‘Jij ook,’ zei ik.
    Ze lachte. Spierwitte tanden.
    Het voeren van een ongedwongen gesprek met haar viel me zwaar. ‘Waar kom je vandaan?’
    ‘Uit Het Noorden.’
    ‘Hoe is het leven daar?’
    Haar lach verdween. ‘Mannen en vrouwen zijn vrij en gelijk. Wij verkiezen het leven boven het Woord en het Weerwoord.’
    ‘Wat doe je dan hier?’
    Ze sloeg het gordijn weg, bukte en keek onder de luifel door naar het marktplein. Met moeite wendde ik mijn blik van haar lichaam af en bukte met haar mee. Niemand keek naar ons.
    ‘Er is geen man die niet in vertrouwen zijn leven met mij wil delen,’ zei ze ernstig. ‘Ik verzamel informatie over de vijand. En jij? Wie ben jij? Waar kom jij vandaan? Wat zoek je hier?’
    Ik was sprakeloos. Deze vragen had nog nooit iemand aan mij ­gesteld. Ik was altijd de vragensteller. Waarom bestond ik? Op welk verborgen eiland was ik geboren? Hoe was ik daar ooit ontsnapt? Of lagen mijn wortels in de machtige bossen van Het Noorden?
    Mijn oorsprong moest wel verborgen liggen onder de woudreuzen die zowel het ijzige noodweer van de donkere poolwinter als de ­eeuwige zon van de poolzomer moeiteloos doorstonden. Onder die ­gelaagde, altijd groene deken, waarin alle levenslijnen innig met elkaar vervlochten, had ik ooit zonder tijdsbesef gejaagd en verzameld, ­ondergedompeld in een roes van authentiek verlangen en geluk, mijn geest en wil door niets en niemand vastgelegd, mijn lichaam beschermd tegen de elementen en de tijd door dikke lagen mos en een ondoordringbaar bladerdak. Niets liever dan terugkeren naar de dampende oerwouden waarin mijn oorspronkelijke wezen was verdwenen. Ik doolde al zo lang naakt en blind rond in een gemaakte wereld die even leeg was als mijn geest. Wat was er misgegaan?
    Ik haalde mijn schouders op.
    De kleurloze vrouw ritste mijn jas open en keek naar binnen. ‘Heb je die littekens overal?’
    ‘Van onder tot boven.’ Met kippenvel wachtte ik totdat ze mijn tweede huid zou afstropen om onze lichamen te laten verstrengelen.
    ‘Dan heb ik een boodschap voor je. Onder het huis van de bouwmeester ligt een archief. Dat mag onder geen voorwaarde in handen vallen van de vijand. Vertel hem dat hij zich moet gereedmaken voor de laatste oorlog.’
    Wat ze vertelde was te onwerkelijk. En te verkeerd. Het was overduidelijk dat we het in de strijd juist niet moesten zoeken. Een vergeelde film die jarenlang in mijn vastgeroeste geheugenprojector had klemgezeten, draaide nu een stukje door. Ik sloot mijn ogen en zag grote zwarte eieren, begraven in de aardlagen. Het Bouwplan drong terug in mijn leven.
    Het acrobatenmeisje draaide haar gezicht omhoog. Haar vrouwenmond was zo dichtbij. Ze kon mijn blik niet weerstaan en rende de trechtervormige achtertent in. Zonder om te kijken ging ik achter haar aan, meegezogen in haar zog van vreemdheid.

     

    (c) 2009 Verschijnsel en Frank van Dongen. Nadruk en verdere verspreiding verboden.

     


Terug

Contacteer Verschijnsel

(c) 2012 Verschijnsel vzw en de diverse auteurs

illustratie Verschijnsel-toren (c) 2008 Tais Teng