uit 'In de gloed van vulkanen'

 

lees hoofdstuk 1 on-line van

 

      In de gloed van vulkanen

      Een Hans d’Ancy-roman door Tais Teng

 

 

 In de gloed van vulkanen - de paperback

 

     

        Wie geen winst maakt, aanbidt waarschijnlijk de verkeerde goden.
        uit:
        Met Musket en Ducaat,de geschiedenis van de Nederlandse Handelscompagnie

        Geld is de wortel van alle kwaad. Een gebrek daaraan dan.
        uit:
        Overdenkingen van Zebedeus Wiersma, Tweede Openbaring Pers, 178ste druk

     

    Een puike mengeling van waterschapskunde en magie, overwoog grootmeester Pentalucci. Bijzonder helder, ook als je in aanmerking nam dat het geschrift door een ingenieur neergepend was. De kostenraming verbaasde hem: zestien miljoen ducaten voor het evacueren en schadeloos tellen van de eilanders, anderhalf miljard voor de bebossing van de eilanden en het herbouwen van vernielde steden. Een koopje.
         Aan het einde van het lijvige dossier stuitte grootmeester Pentalucci op een inlegmap: Praktische toepassingen van het Lely-effect. Een sticker in nijdige wespenkleuren blonk hem tegemoet: TOPGEHEIM. Enigszins bevreemd las de grootmeester de rest van stickertekst.

        Waarschuwing!
        Dit document wordt beveiligd
        door een tweedegraads bezwering.
        Ongeautoriseerde inzage kan
        tot blindheid en permanent
        geheugenverlies leiden.

    Hoogst eigenaardig: het rapport had nooit meer dan de classificatie ‘Vertrouwelijk’ verdiend en dat enkel uit concurrentieoverwegingen.
         En praktische toepassingen? Wat was er nu praktischer dan een methode om volledige eilanden uit de oceaan omhoog te roepen? Onze eigen instant Nippons! Een dozijn Insulindes!
         De Raadsman van de Gubernator van de Kerk der Tweede Openbaring in Zaken betreffende Zwarte Magie wreef over zijn gladgeschoren kin. Als veldwerker had Pentalucci natuurlijk een ruime ervaring met toegepaste magie opgedaan. Tweede-graads bezweringen waren uiterst krachtig maar vaak instabiel: zelden langer dan een dag werkzaam.
         Dit dossier droeg een datumstempel die al twee weken in het verleden lag: 16 november 2004. Hij sloeg de map open.
         Duisternis vaagde de map weg, zijn studeerkamer.
         Nog actief dus, de bezwering. Hoe hinderlijk.
         Pentalucci knipperde met zijn ogen, keek omhoog naar het plafond en telde tot twaalf.
         Langzaam verscheen het rozet met gipsen engelen, de davidsster van tropisch hardhout.
         Een steelse blik omlaag. Pure nacht.
         Zodra zijn zicht terugkeerde, wipte hij een spiegel van de wand.
         Bezweringen werkten gewoonlijk rechtstreeks op de hersenen in: op het lezen van een reflectie zouden ze waarschijnlijk niet reageren.
         Een fractie van een seconde, te kort om ook maar een woord te lezen, bleef de gespiegelde tekst in het glas zichtbaar. Toen bleekten de letters weg, het papier blanco achterlatend.
         Molochs baard! Er lag nóg een bezwering over! Een derdegraads, die de realiteit zelf kon beinvloeden.
         Het papier was nu maagdelijk geworden, vermoedde Pentalucci. Zelfs een microscoop zou nog een spoor van inkt tonen.
         Deze tekst was nooit voor zijn ogen bedoeld geweest. Een vergissing. Terugstoppen had geen zin: de pagina’s waren blanco geworden en dat was schuldbekentenis genoeg: Jij keek!
         Pentalucci mikte de map in zijn vuurmand en schudde een halve fles fosfor over de vellen. De withete gloed deed schaduwen over de muren wapperen: in een oogwenk bleef enkel as over.
         Kalm sloot hij het dossier en haalde het koord door de ringetjes. Het herstellen van de verbroken lakzegel was een kwestie van een drietal gemompelde woorden, een draai met zijn linkerduim.
         Jullie zijn niet de enige die derdegraads bezweringen kunnen gebruiken. Wie jullie ook mogen zijn.

     

    Amper twee minuten later klonk de klop op de deur die hij al min of meer verwacht had.
         ‘Hooggeleerde Pentalucci?’ Een bode. Niet dezelfde bode die hem een half uur eerder het dossier bezorgd had. ‘Heeft u ons geschrift al ingezien?’
         ‘Te druk,’ zei Pentalucci. Hij wapperde met een geannoteerde Popul Vuh, waaruit de aantekenvelletjes fladderden. ‘De Azteekse ambassade verwacht de gecorrigeerde drukproeven deze middag nog! Ik beloof jullie, mijn eerste vrije moment.’
         ‘Dat komt goed uit. De admiraal gaf per ongeluk zijn persoonlijke exemplaar mee. Het was de oude, ongecorrigeerde versie. Vol hinderlijke drukfouten.’ De man legde een nieuwe dossiermap op Pentalucci’s bureaublad van rozenkwarts en stak de oude in zijn schoudertas. ‘Onze excuses.’
         ‘Zoiets kan iedereen overkomen.’
         Als jij een normale bode bent, ben ik een hageprediker. Het uniform klopte: geïmpregneerd linnen, een bontmuts met de befaamde klaroeninsigne.
         De gelakte nagels vormden echter een dissonant. Geen bode die door natte sneeuw en roffelende hagel moest snellen zou zijn nagels met kostelijke miniatuurtjes laten beschilderen. De man was een fat. Of in ieder geval iemand met veel te veel geld.
         Zodra de voetstappen wegstierven, plukte Pentalucci zijn gluuroog uit de bos gladiolen. Hij sloot de losse zenuwdraden op een kom van gelei aan.
         Twee, drie tellen verstreken: de gelei sidderde, vertroebelde. In het lillende hart verscheen het gezicht van zijn bezoeker. Gestoken scherp uiteraard: het oog was oorspronkelijk van een havik afkomstig geweest.
         ‘Tijd om er een expert bij te halen.’

     

    Soms kon de dankbaarheid van hooggeplaatste bureaucraten handig zijn. Als een schout of een gardist in Hans d’Ancy’s persoonsdossier wroette, stuitte hij op een werkelijk onberispelijke afkomst en een bijkans verdacht kalme levenswandel. Jongste telg van een verarmd adellijk geslacht, befaamd mandolinespeler. Geen woord over zijn min of meer schimmige activiteiten als occult detective of zijn verblijf in penitair instituut Inkeer door Werkzaamheid. Zelfs zijn belastingaanslagen klopten.
         De bezoekersgong galmde schokkend luid en d’Ancy liet zijn glas bijna uit zijn hand glippen.
         ‘Voor jou,’ riep zijn geheimschrijver uit de receptie. ‘Pentalucci.’
         ‘Stuur hem maar door, Enrico.’ Hans schonk vast een tweede glas amaretto voor zijn vriend in.

     

    Pentalucci rolde het gluuroog over het vloeiblad naar zijn vriend en nam met zijn andere hand het aangeboden glas aan.
         ‘Ik wil dat je uitvindt wie de kerel in het oog is. Discreet.’ Hij ledigde het glas in één teug. ‘Kon hem zelf niet volgen. Hij had ongetwijfeld een schaduw.’
         ‘Lukt me wel.’ D’Ancy draaide het oog tussen duim en wijsvinger. ‘Hing dit niet in je studeerkamer? Prima, ik probeer eerst je portier.’
         ‘Kostuumwinkels misschien? Hij droeg een uniform dat beslist niet van hemzelf was.’
         ‘Prima. Wat had je voor honorarium in gedachten?’ Maak altijd duidelijke afspraken: meer dan één vriendschap liep spaak op financiële misverstanden.
         ‘De Kerk van de Tweede Openbaring huurt je in voor vijf ducaten per dag. Als speciaal adviseur.’
         D’Ancy knikte bedachtzaam. ‘Kan ik ook een voorschot krijgen? Celia...’ Onzin natuurlijk. Het gat zat in d’Ancy’s eigen hand, niet in dat van zijn vriendin.
         Pentalucci schoof d’Ancy een volle geldbuidel toe. ‘Daar had ik min of meer op gerekend.’

     

    Hans was een verdienstelijk aquarellist. ‘Deze heer ooit gezien?’
         Pentalucci’s portier trok aan zijn snor, kuchte en gaf het nog enigszins vochtige velletje terug. ‘Meneer, bodes snellen hier de hele dag in en uit. Ik kan toch niet...’
         ‘Hij kwam voor grootmeester Pentalucci.’
         ‘Nu u het zegt, meneer.’ De man wurmde het tienflorijns-stuk in zijn broekriem. ‘Een uur geleden. Hij liep de Bandewinlei op en glipte de Herderssteeg in. Deed een beetje schichtig. Ik dacht nog, Jan-Jaap, dit is geen zuivere peperkoek. Heeft hij iets uit de vertrekken van de grootmeester ontvreemd?’
         ‘Nee, zijn brief was voor iemand anders bedoeld. Al stond Pentalucci’s naam erop. Bedankt.’
         De man verzon maar wat. Hij kon zich de bode absoluut niet meer herinneren, zoveel was duidelijk. Hans had een neus voor leugens: een fantast kon hij op tien passen afstand herkennen.
         Hij blies op zijn vingers: er zat sneeuw in de lucht.

     

    Geen van de negen kostuumwinkels in een straal van zes kilometer had een bode-uniform verhuurd of het zelfs maar in zijn assortiment. Het liep al tegen zessen en d’Ancy was intussen vier ducaten armer.
         Bedrijfskosten, besloot hij. Dat bedrag kon uiteraard niet in mindering op zijn honorarium gebracht worden.
         De bode had het over een admiraal gehad... D’Ancy schudde geërgerd zijn hoofd. Ongetwijfeld een vals spoor. Geen schurk zou zo amateuristisch zijn tong laten flapperen. Ik heb een expert nodig, besloot hij. Iemand met een betere neus voor bodes dan ik.

     

    ‘Geen sprake van!’ zei de gardist. ‘Weet u wel wat een getrainde wezel of fret kost? De schout zou mijn oren aan de bevers voeren als hij hoorde dat ik een van zijn troeteldieren uitgeleend had. Het spijt me, heerschap.’
         ‘Mijn fout.’ D’Ancy trok zijn geldbuidel open.
         ‘Bijzonder genereus, meneer.’ De man tikte aan zijn pet. ‘Kijk, speurwezels hebben een eenvoudige gebruiksaanwijzing. Laat ze aan een kledingstuk van de voortvluchtige onverlaat ruiken...’
         ‘Een boek? Gaat dat ook?’
         ‘Een boek is prima. Ruiken dus en daarna geeft u hem een levende muis. Als een soort voorschot begrijpt u? Zodra u de verdachte hebt, geeft u nog een muis, ja? En zorg dat hij zijn halsband omheeft. Na de muis reest hij als een speer weg.’
         ‘Ik snap het. En als hij nu de verkeerde verdachte vindt? Ik bedoel, stel dat meerdere mensen het boek aangeraakt hebben?’
         ‘Tikje op zijn neus. Let op uw vingers en dan weer een muis.’ Hij tilde een kooitje met een schuimbekkende wezel uit het rek. ‘Muizen zijn trouwens een florijn het stuk.’

     

    ‘Laat hem aan die dossiermap ruiken, Pentalucci. Prima, en nu pak je een muis. Ik heb mijn handen vol aan dit kreng.’
         ‘Freya’s tieten! Dat monster beet me!’
         ‘Gewoon aan zijn staart, sukkel! Dan kan een muis niet bijten.’
         Met een bloedstollende krijs sprong de wezel uit d’Ancys handen en beet zich in de spartelende muis vast.
         Hans rukte ongeduldig aan het leren koord zodra de staart met schokjes naar binnengewerkt was. ‘En nu zoeken.’
         De wezel keek met bebloede muil de kamer rond, stoof weg en klapte zijn kaken triomfantelijk in Pentalucci’s broekspijp dicht.
         ‘Nee, die niet.’ Hans zuchtte: dat werd weer een muis.
         Hij had er nog vier over en vermoedde dat hij ze broodnodig zou hebben.
         Eenmaal buiten schoot de wezel de Bandewinlei op en glipte de Herderssteeg in. Hans vloekte hartgrondig: de portier had de waarheid gesproken.

     

    Door de Dorstighartsteeg waar Nova Kanaanse hoertjes hem nafloten en hun paardenharen rokken tot boven de knieën optrokken: ‘Wil je mij niet liever uitlaten, mooie man?’ Over het Waterlooplein met zijn hectares tweedehands grasrokjes en tot de schub afgesleten cobralerenlaarzen, de Dubbelbrug over door steeds dichter vallende sneeuwvlokken.
         De wezel stopte voor de dichtklappende deuren van de parklift en hief zijn kopje vragend op. D’Ancy hoefde geen dierenspreker te zijn om die hint te begrijpen. Zonder muis verzette de wezel geen poot meer.

     

    Het stadspark verhief zich een halve kilometer boven het oude centrum: een immense schaal op gietijzeren poten. Beekjes murmelden en gorgelden onder een vliesdun laagje ijs; uit ivoor en opaal gesneden tulpen droegen hoeden van sneeuw. Hier zwol de gure bries tot een gierende poolstorm aan en andere bezoekers ontbraken dan ook.
         De wezel keek zoekend rond, snuffelde aan een stijfbevroren hondendrol.
         ‘Ja?’
         Pas na twee muizen zette hij zich weer in beweging.
         Na een eindeloze rondcirkeling door het peuterdoolhof doemde het grijze Admiraliteitsgebouw uit de vlokken op.
         ‘Nee toch?’ D’Ancy had eerder voor de Admiraliteit gewerkt. Lang genoeg om te weten dat oude klanten niet noodzakelijk vrienden worden. Vooral het Speciale Commando niet. Die elite stoottropen waren even achterdochtig als een uitgehongerde nerts en ze gingen ervan uit dat iedere burger schuldig was tot het tegendeel bewezen werd.
         De wezel trippelde het bordes op en al op de derde tree hoorde Hans een alarmraaf krassen.
         Ik kan maar beter op het ergste rekenen.
         Hij trok het kaartje van levende inktvishuid uit het houdertje en drukte viermaal in de linkerbovenhoek.
         De kleurcellen reageerden alert: een scharlaken randje verscheen, vol zwierige krullen.

     

        SPECIAAL COMMANDO
        VRIJGELEIDE KLASSE AAA

        De drager van deze vrijgeleide heeft toegang tot ieder pand op het grondgebied van de Nederlandse Handelsgemeenschap.
             Op het weigeren van medewerking aan de drager van deze vrijgeleide staat een boete van achthonderd dukaten of een celstraf van ten minste vier jaar.

     

    Tijdens een inval van het Speciale Commando had d’Ancy een gluuroog gedragen, kunstig vermomd als dasspeld. Het was een kleine moeite geweest om het beeld van een kaartzwaaiend commandolid in de inktvishuid op te slaan en zijn pas later uit te vergroten.

     

    Onder opgewonden gekras stapte hij de lobby in. Een portier, zijn epauletten zwaar van het goudkoord, schreed hem tegemoet.
         ‘Heeft u een afspraak, meneer?’
         ‘Afspraken maken wij zelden, beste man. Dat zou ons doel voorbijschieten.’ Hij toonde zijn kaart en oefende zijn beste sinistere glimlach.
         De portier verbleekte. ‘Loopt u maar door.’
         De wezel stevende recht op de lift aan.
         ‘Welke verdieping wenst u?’ De liftbediende struikelde bijna over zijn eigen voeten toen hij de deuren openrukte. Hans gaf een ruk met zijn duim naar de wezel. ‘Dat bepaalt hij. Misschien kunt u het best bij elke verdieping even stoppen?’
         ‘Aha, een onderzoek! U bent corruptie onder onze eigen mensen op het spoor? Wangedrag in de hoogste kringen?’
         De man kwijlde bijkans.

     

    Bij de eerste etage bleef de wezel ongeïnteresseerd op de drempel zitten en waste zijn pootjes. Bij de drie volgende verdiepingen ook.
         O nee! dacht d’Ancy. Niet de vijfde...
         Iedere crimineelschrijver wist dat het Speciale Commando zijn bureau op de vijfde verdieping had.
         De deuren schoven open en de wezel rukte piepend aan zijn koord.
         ‘Ja ja, dat is thuis,’ zei d’Ancy. ‘Daar hoeven we nu niet te wezen. De volgende graag.’
         Op de zesde stapte hij uit.
         ‘Maar dat zijn de vertrekken van admiraal Plaspoel zelf!’
         ‘Corruptie komt in de hoogste kringen voor.’

     

    Zodra de liftdeuren dichtvielen, griste hij de wezel van de vloer en parkeerde hem in zijn borstzakje.
         ‘Tot hier en niet verder.’ Hij haastte zich de marmeren wenteltrap af.

     

    ‘Mijn verdenkingen zijn bevestigd,’ sprak hij tegen de portier. ‘Spreek met niemand over mijn bezoek. Binnenkort gaan hier hoofden rollen.’
         Jammer dat hij geen echt commandolid was: het was een rol die een zekere voldoening gaf.

     

    Voor het voormalige abdij van de Joli Frères bleef d’Ancy stilstaan om het fries boven de poort te bewonderen. Het was een herbergtafereel waar Jan Steen graag voor getekend had. Jezus en Mohammed reden gierend van de lol rondjes op een karbouw terwijl de wijze Lao Tze glimlachend een glas hief. Op de achtergrond bogen Maria en Isis zich rammelaarschuddend en tamboerijnspelend over een wiegje, waaruit een helder licht straalde. Door het raam gluurden drie ongunstige tronies afgunstig naar binnen: Ahriman, Satan en Anubis.
         D’Ancy knikte instemmend: geloof hoorde een bron van vreugde en transcedentaal plezier te zijn, geen excuus voor norse schraapzucht en achterdocht.
         ‘Heeft u hem nog gevonden?’ vroeg Pentalucci’s portier toen Hans de kleffe sneeuw van zijn mouwen sloeg.
         ‘Alles is rond.’

     

    Wat zijn die gangen stervenskoud! Nog killer dan buiten. Is de Kerk van de Tweede Openbaring zo armlastig dat er geen kooltje af kan?
         Onder de kier van Pentalucci scheen een flakkerend groen licht. Een digaridoe gonsde. Verstandiger eerst even te kloppen. En wacht, ik kan hem die loodzware dossiermap meteen teruggeven.
         Hij wrikte de map uit zijn linnen draagtas.
         D’Ancy hoorde een steels geritsel vanaf het plafond. Hij blikte op: met een weke plof landde een duizendpoot zo lang als zijn onderarm op de kaft. Kaken beten zich in het leer vast, dat prompt sissend wegsmolt.
         Hij was opgegroeid in de onderstad waar ratten baby’s uit hun met lompen gevoerde wiegjes weggristen. Met een doffe dreun smakte hij het boek tegen de muur, en trapte omlaag met zijn verzwaarde laarzen zodra het kronkelende lijf de stenen raakte.
         Pas daarna begon zijn hart als een razende te kloppen en brandde het maagzuur zijn keel in.
         ‘Allemachtig.’ De wezel dook omlaag en wierp zich op het stuiptrekkende insect. ‘Nee!’
         Te laat. De wezel verstarde, zijn lijfje kromde zich in een strakke boog en toen ontspanden al zijn spieren zich.
         Tot de nok vol met zenuwgif.
         D’Ancy had nog nooit een levend wezen zo snel zien sterven.

     

    Hans liet het slappe lijfje in de vuilemmer ploffen. Pentalucci trok een wenkbrauw op, maar onthield zich verder van commentaar. Hans likte over zijn lippen, schraapte zijn keel.
         ‘Het spoor liep dood in de Admiraliteit. Vijfde verdieping: het Speciale Commando. Daar kom zelfs ik niet binnen. Al vermomde ik me als een van de heren zeventien.’
         ‘De Admiraliteit? Maar dat is een afdeling van de Handelscompagnie. Het zijn verdorie onze partners!’
         De Handelscompagnie beheerste een niet onaanzienlijk deel van de zeven zeeën. Min of meer eerlijke kooplieden. De Admiraliteit vormde hun vuist in de fluwelen handschoen, mocht iemand aan het heilige beginsel van de profijt en vrijhandel willen tornen. Als je die vergelijking nog verder doortrok dan was het Speciale Commando de boksbeugel om de knokkels.
         ‘Ze vermoeden trouwens dat je die map heb ingekeken.’ Hans d’Ancy duwde de deur op een kier en schoof het gedrocht met de punt van zijn schoen over de drempel. ‘Hij zat op je deurpost te wachten om in je nek te springen. Het was louter geluk dat de dossiermap jouw geur ook droeg. Hij beet zich in de kaft vast.’
         ‘Aha.’
         Hans had een heftiger reactie verwacht. In functie kon Pentalucci soms als een hinderlijk koele kikker overkomen. ‘Moet ik uitzoeken wie hem daar geplant heeft?’
         ‘Nee, laat maar. Ik vertrek vandaag nog. Het is wel een week eerder...’ Hij reikte naar zijn spreekbuis. ‘Arthur? Kun je twee kaartjes naar Tenerife regelen? Er is nogal haast bij.’
         ‘Maak dat vier kaartjes,’ zei Hans d’Ancy. ‘Enrico en Celia gaan ook mee.’
         ‘Een vrouw? Is dat wel verstandig?’
         ‘Celia kan vier kroezen cognac meer leegdrinken dan ik zonder om te vallen,’ telde Hans d’Ancy op zijn vingers af. ‘Haar moeder was Alicia Massour, de Dolle Troubadour. Op haar zevende had ze een lynx als troeteldier en sprak ze al negen talen. Ze...’
         ‘Ik ben overtuigd.’
         D’Ancy vouwde zijn armen over elkaar. ‘Ik blijf vanaf nu bij je. Stap in jouw voetsporen. Ik roep Celia en Enrico wel over de telaudio op.’
         ‘Ik ben een grootmeester in de toegepaste magie, Hans. Ik geloof niet dat ik een lijfwacht nodig heb.’
         Hans negeerde hem. ‘En straks verlaten we dit pand via het raam.’

     

    De etherhaven lag op Schokland, middenin de Zuyderzee. Sinds de preken van monsigneur Yacoub ‘In mijn achtertuin geen goddeloos balonnentuig!’ Duval was dit een van de weinige plaatsen waar ze nog mochten aanleggen.
         Het motregende. Hans veegde de druipende lokken uit zijn ogen. Een gietijzeren landingsmast priemde omhoog naar de gondel van de Heinrich Boltz. Hij inspecteerde de rij ijzeren kruizen, het wapenschild met de weerwolvenkop.
         ‘Ziet er redelijk stevig uit.’
         ‘Binnen is het in ieder geval droog,’ zei Enrico. ‘Doorlopen.’
         Een lift zwiepte hen omhoog.

     

    ‘Ook geen minuutje te vroeg, heren, dame,’ zei de klerk achter zijn balie van meerschuim. ‘De Heinrich Boltz stijgt over vijf minuten.’
         ‘We moesten onverwachts vertrekken,’ zei Celia. ‘Daarom heb ik ook maar vier mandolines, mijn djambé-set en een Eigerhoorn mee.’
         ‘Overgewicht is een dukaat het pond, mevrouw. Uw paspoorten, graag.’
         Hij sloeg de mapjes open bij de vingerafdruk en hield ze voor een gluuroog. Bij Enrico’s paspoort ging een bel over. Het was een bescheiden tinkel, niet luider dan je bij het openen van een gruttersdeur zou verwachten.
         De reactie was echter dramatisch. Valluiken smakten omlaag: een schuifdeur knalde open en twee gardisten stormden met getrokken pistool de ruimte in.
         ‘Werda? Stehen bleiben!’
         ‘Wat is er mis met mijn paspoort?’ vroeg Enrico.
         ‘Met je paspoort niks, onverlaat!’ zei de klerk. Hij richtte een sidderende vinger op d’Ancy’s geheimschrijver. ‘Deze man wordt gezocht! Een arrestatiebevel.’ Hij boog zich over het kastje en las het scherm van octopushuid af. ‘Wegens brutale vervalsing van waardepapieren.’
         Enrico zuchtte. ‘Ik had gehoopt...’
         ‘Enrico?’ vroeg Hans.
         ‘Een paar mensen werden nogal boos over de aandelen die ik verkocht had. Een kopermijn. Solide investering. Wie schetst mijn verbazing toen hij al van iemand anders bleek te zijn!’ Hij streek over zijn bakkebaarden. ‘Een van mijn klanten was koning Carlos van het bedelaarsgilde. Rijker vind je ze niet.’
         ‘Op vervalsering steht zwantig jaar, ja,’ zei een van de gardisten. ‘Zwaar.’
         Pentalucci stapte naar voren. ‘Mijn naam is grootmeester Pentalucci, adviseur van de Gubernator zelf. Ik kan een borg voor deze heer storten.’
         Enrico wuifde hem weg. ‘Nee, laat maar. Een cel is wel zo veilig.’
         ‘Weet je het zeker?’ zei Pentalucci.
         ‘Ik red me wel. Zonder rechtzetters van het bedelaarsgilde hebben jullie al problemen genoeg.’

 

 

    (c) 2007 Verschijnsel en Tais Teng. Nadruk of verdere verspreiding verboden.

     


Terug

Contacteer Verschijnsel

(c) 2010 Verschijnsel vzw en de diverse auteurs

illustratie Verschijnsel-toren (c) 2008 Tais Teng