uit 'Kleine Leviathan'

 

lees een hoofdstuk on-line van

 

      Kleine leviathan


       door Jan J.B. Kuipers

 

 

 Kleine leviathan

 

 


    Bij Vergeer werd nog met de deur in huis gevallen. Zijn woning was sober, en nog niet van een gang voorzien. Aan het plafond waren zware balken. Maar het was een omgeving die de secretaris volmaakt paste. Nog zie ik hem staan in het comptoir dat hij in het voorhuis had ingericht: corpulent, gehuld in bruinen, de pruik op een spijker boven een consoletafel, het vest ongeborduurd. De enige tekenen van welstand waren de twee horloges die hij links en rechts in zijn vestzakken droeg. Het gezicht van deze man van omstreeks veertig jaar vertoonde al de bittere, misprijzende trekken die men doorgaans waarneemt bij veel bejaarder mannen. Zo te zien een prudent en bekwaam persoon, deze secretaris. Maar als je hem een pothoed opzette had je een boer.
    Dood is Vergeer, verzonken in de geschiedenis.
    Zelf had ik me in kleuriger tenue gestoken: groene, nauwe rokjas, rijk geborduurd; sierlijke gespen aan de culotte; overdadig gelubde hemdsmouwen; een moderne, met karton verstevigde boord; tricorne van beverbont. Een uiterlijk dat omtrent mijn middelen geen misverstand liet, maar dat aangaande mijn status juist geen aanknopingspunt bood.
    In hoeverre mijn verschijning ook de gewenste mengeling van verwarring en nieuwsgierigheid opriep, mijn introductiepapieren voor de magistraat van de stad maakten indruk op de secretaris. De bul van de Academie van Duisburg, waarop ik uitermate had gezwoegd, leek zelfs even te mooi. Het Latijn was vanzelf niet onberispelijk. Maar ik had het stuk knap gecalligrafeerd en voor een zorgvuldige vertaling in het Nederduits gezorgd, en het document ook voorzien van werkelijk schitterende zegels van de stad en de hogeschool Teutoburgi ad Rhenum in regia Borussica Civitate. Kortom, een  meesterstuk dat Vergeer, na het gelezen en aan alle kanten bekeken te hebben, een eindje naar zijn neus bracht alsof hij het bij wijze van finale test wilde besnuffelen; zodat ik discreet moest kuchen, waarop hij de bul haastig liet zakken en me betrapt aankeek.
    ‘Waarom wilt u zich als medisch doctor uitgerekend in Breeuwers­haven vestigen?’ vroeg hij ongemakkelijk.
    Hij was de eerste. ‘De Ridder Cats, mijnheer,’ zei ik dus ook voor de eerste keer, en ik noemde Cats’ poëem dat op mij zo’n indruk had gemaakt. Welk gedicht het precies was weet ik niet meer. De Maagdenplicht misschien? De Gedachten op slapeloze nachten? Vergeefs peins ik me af. Vijfentwintig jaar confinering is lang: de Ridder en heel zijn omvangrijk oeuvre zijn vervaagd. Met niemand kan ik me, gezien mijn omstandigheden en de woelige periode waarin we leven, nog onder­houden over het vaderlands erfgoed, over dichterzonen en geleerde mannen. Het is zo lang geleden dat ik me in mijn tijd bevond.
    ‘De kerkelijke attestatie ontbreekt nog, doctor,’ zei de secretaris ten­slotte. ‘Zonder deze is permanente vestiging in onze stad niet mogelijk, zoals u weet. Of kent men die regel niet in het land van Kleef?’
    ‘De attestatie! Natuurlijk. Vergeef me. Ik zal haar terstond doen nazenden, meneer Vergeer.’
    Ik maakte mijn buiging en trok me terug naar de deur. De secretaris haastte zich mij uit te laten, maar van achter de deur tot wat waarschijnlijk de salon moest voorstellen klonk nu rumoer: gerinkel van vaatwerk, een scherpe vloek, een stamelende verontschuldiging.
    ‘Ons koffieuur,’ mompelde Vergeer verontschuldigend. ‘Mijn vrouw is ziek – slaapkoortsen, zwellingen. Om het minste raakt ze soms geïrriteerd. De meiden lopen weg. Misschien kunt u, als de attestatie binnen is en u daadwerkelijk toestemming krijgt u te vestigen... De chirurgijns die we in Breeuwershaven hebben staan machteloos...’
    Ik knikte de secretaris bemoedigend toe. ‘Als u wilt kan ik uw vrouw vanavond nog aan een eerste onderzoek onderwerpen,’ stelde ik voor. ‘De formaliteiten kunnen wachten.’
    ‘Dat zou niet in orde zijn,’ weerde Vergeer zuur glimlachend af.
    Hij opende haastig de deur. ‘Excuseert u mij alstublieft, ik moet gaan kijken –’
    ‘Natuurlijk.’ Ik boog nog eens en trad naar buiten.

    Enkele tientallen gezichten staarden me nieuwsgierig aan. Het grauw en enkele meer solide ingezetenen hadden zich voor het huis van de secretaris verzameld om zich aan mij te vergapen. De waardin van de Maagd van Mechelen, aan wier hoede ik mijn sluitmand met zakken muntgeld luchtig had toevertrouwd, was mededeelzaam gebleken. Het sierde haar; men liet zich hier bespelen als een lier.
    Ja, hier stond het volk van Breeuwershaven. Het keek me vol verwachting aan. Ik knikte het minzaam toe, daalde de stoep af en begaf me naar mijn kwartier.

 

     

    (c) 2009 Verschijnsel en Jan J.B. Kuipers. Nadruk en verdere verspreiding verboden.

     


Terug

Contacteer Verschijnsel

(c) 2010 Verschijnsel vzw en de diverse auteurs

illustratie Verschijnsel-toren (c) 2008 Tais Teng