1
‘Kom nou moe. Die buis zit strak!’
Alwylyl Sarusandelsgezel glimlachte om de bezwaren van haar vijfjarige zoon. Ze knoopte de laatste koperen knoop vast en hield haar jongen een moment stil in het zonlicht.
Tyme zag er netjes uit, alhoewel ze wist dat het niet lang zou duren. Op de weg naar het collegium zou hij het ongetwijfeld voor elkaar krijgen om te veranderen in een wildebras met modder onder zijn nagels, zijn haar in de war en met vuil op zijn kledij. Alwylyl zuchtte. Het zou niet anders zijn, dat was gewoon de aard van haar kind. Zijn uiterlijk had hij van haar. Zijn lokken vielen even rood en vol als de hare, en zelfs tussen de gemengde bevolking van Manlem had bijna niemand zo’n donker vel. Alleen zijn onstuimige aard had hij van zijn vader, vermoedde ze. Zelf was ze vroeger lang niet zo druk geweest. Niet dat daar veel gelegenheid voor was, bedacht ze grimmig. Goden! Van haar jeugd kon ze zich alleen nog maar hard werken en honger herinneren.
‘Moe, kom.’
‘Ik kom. Rustig aan, kleine barbaar. Vandaag moeten we er netjes uitzien.’
Zorgvuldig sloeg Alwylyl haar beste omslagdoek om en zette die vast met haar kostbaarste gesp. In de wandspiegel - een van de weinige echt luxe dingen in huis - controleerde ze of haar krullen goed zaten. Gisteren was de buurvrouw de hele dag met tang en ijzer in de weer geweest, maar het effect was er wel naar.
Voordat ze de deur afsloot, keek ze gewoontegetrouw het appartement nog eenmaal rond. De vuurpotten waren echter koud en het brood lag in de spinde. De gezellen die geen gezin hadden, verbleven in het collegium zelf. De anderen woonden op kamers in de stad. Met haar bescheiden middelen betekende dat voor Alwylyl een eenkamerwoning achter de werkplaats van een timmerman, maar ze was er tevreden mee. Ze woonde weliswaar op een kwart klokmaat lopen van het collegium, maar de huur was laag, er was een waterput op de binnenplaats en ze kon goed opschieten met de buren.
Alwylyl nam haar zoon bij de hand en begon de weg naar het collegium te beklimmen. De leerschool lag op de heuvel net buiten de feitelijke stad en er werd gegrapt dat de gezellen met lichte tred de heuvel afkwamen, maar dat ‘s avonds hun tred door de drank een stuk zwaarder was.
Plotseling voelde Alwylyl een rukje aan haar hand. Tyme stond stil en wees naar een zijstraat. ‘Daar is de tempel, moe.’
‘We gaan niet naar de tempel,’ zei ze. ‘Het is vandaag geen tempeldag. We gaan naar het collegium.’
Tyme leek niet overtuigd. ‘Maar we hebben onze beste kleren aan...’
Zijn moeder schudde haar hoofd. ‘We gaan naar het collegium. Jij gaat naar de ochtendklassen van meester Rima, en ik ga naar mijn leermeester. Maar het is een hele bijzondere dag vandaag. Vanmiddag gaat mama toveren en dat is heel belangrijk. Een hele hoop belangrijke meesters en vrouwen komen kijken. Kom jij ook?’
Het gezicht van Tyme gaf aan dat hij niet wist of hij zou komen. Normaal betekende de middag spelen langs de muren van het collegium, of in de tuinen van de stad, of op de kaden van de haven. Kon dat nou niet?
Alwylyl onderdrukte een glimlach. Meester Rima zou er voor zorgen dat zijn leerlingen aanwezig waren. Bij de proeve van meesterschap was iedereen van het collegium aanwezig. Iedere leerling, iedere gezel, iedere meester, iedere vrouwe. Er waren voormalige studenten en notabelen. De proeve van meesterschap was het belangrijkste moment in het leven van een gezel aan het collegium.
‘Kom, we gaan.’
Met haar zoon aan de hand ging Alwylyl op weg naar het collegium.
2
Na het middagmaal verzamelde zich een menigte op het buitenhof van het collegium. De jongere gezellen die waren gekozen om de kandidaten voor het meesterschap te helpen met de voorbereidingen van hun magie, deden verslag over het verzamelde gezelschap. Zeker de helft van het bekeide hof was gevuld met magiërs en hoogwaardigheidsbekleders en uit de ramen rond het hof hingen drommen nieuwsgierige studenten.
‘Ze zeggen dat Wilnhem Sarransgezel vanochtend uit zenuwen een volle klokmaat in het gevoegkamertje bleef,’ roddelde Arka Loffergezel, de eerstejaars gezel die aan Alwylyl was toegewezen als hulp bij haar voorbereidingen. Arka was een babbelziek meisje met kort blond haar en sproeten. Maar Alwylyl kon altijd wel lachen om haar praatjes en het meisje was kundig genoeg om ook daadwerkelijk een hulp te zijn.
‘En jij,’ vervolgde Arka. ‘Ben jij nou niet zenuwachtig?’
‘Ze zullen ons echt geen proeve laten afleggen als we er niet klaar voor zijn,’ sprak Alwylyl terwijl ze voor de laatste maal haar instrumentarium controleerde.
‘Ja, dat is waar. Zo heb ik eens gehoord dat grootmeester Findher zelf meer dan dertig jaar telde voordat hij gezel-af was.’
Verdere verhalen van Arka Loffergezel werden onderbroken door de meester der ceremoniën die de werkplaats binnenkwam.
‘Gezellen, het is zover. Verzamel uw instrumenten en volg me.’
In een plotselinge gespannen stilte pakten de vijf kandidaten hun spullen en liepen ze achter de ceremoniemeester aan. Ze knipperden even tegen het zonlicht toen ze buiten kwamen. Terwijl ze naar hun plaats liepen werd de menigte ook langzaam maar zeker stil.
Toen de kandidaten strak in het gelid stonden, begon grootmeester Findher te spreken. De tovenaar was oud, en er werd gefluisterd dat hij niet meer zo scherp bij zinnen was als jaren geleden, maar zijn stem was nog krachtig genoeg. Hij heette de aanwezigen welkom en sprak over de plichten van de leerling aan de meester, en de plichten van de meester aan de leerling. Nu was het ogenblik aangebroken dat kon worden beoordeeld of vijf gezellen het verdienden om meester te worden, zodat ze nieuwe verplichtingen konden aangaan.
Grootmeester Findher boog zich naar burgemeester van Manlem. ‘Heer, heb ik uw toestemming om vijfmaal magie te wrochten?’
De burgemeester boog terug - niet zo diep - en knikte driemaal. Grootmeester Findher boog nog eenmaal en deed een stap terug.
‘Er is toestemming verleend,’ riep de ceremoniemeester. ‘Laat de eerste kandidaat naar voren treden voor de proeve van meesterschap. Brassica Verbangezel, bewijs of je waardig bent!’
De opgeroepen gezel liep naar het lage houten podium dat voor de gelegenheid was opgezet. In twee, drie stappen was ze boven en na een korte buiging naar de toeschouwers begon ze aan haar wrochting.
Onopvallend zocht Alwylyl de menigte af. Er waren vijf gezellen die dit jaar de proeve van meesterschap zouden afleggen en zij zou de derde zijn. Ze voelde zich niet zenuwachtig. Ze wist dat ze de wrochting kon doen die ze in overleg met meester Sarusandel had gekozen. Eindelijk vond ze waar ze naar zocht. Tyme stond met zijn klasgenoten aan de zijkant. Meester Rima onderwees weliswaar geen magie aan zijn pupillen - daarvoor waren ze te jong - maar de klas was wel een onderdeel van het collegium, dus waren ze bij de proeven van meesterschap aanwezig. Alwylyl knipoogde naar Tyme en haar zoontje, zich plotseling bewust van de blik van zijn moeder, hield op met het worstelen met een van zijn klasgenootjes.
Brassica Verbangezel had haar wrochting inmiddels met succes voltooid. Op een stuk gespannen doek was het wapen van Manlem verschenen, iets wat aan de aanwezige notabelen een enthousiast applaus ontlokte.
De zenuwachtige Wilnhem Sarransgezel was de volgende kandidaat. Hij had voor een eenvoudige wrochting gekozen die echter wel grote concentratie vergde. Een aantal van de altijd aanwezige meeuwen rond de toren van het collegium, vloog plotseling als een zwerm afgerichte vogels in formatie. Wilnhem Sarransgezel liet ze patronen in de lucht beschrijven en tenslotte als parmantige jonkers over het toneel marcheren. Het laatste deed de menigte grinniken.
‘Laat de derde kandidaat naar voren treden voor de proeve van meesterschap. Alwylyl Sarusandelsgezel, bewijs of je waardig bent!’
Later kon Alwylyl zich weinig van de proeve herinneren. Ze moest naar het podium zijn gelopen en het hebben beklommen. Ze wist dat niet meer. Ze wist alleen nog maar dat haar wrochting een succes was. Samen met meester Sarusandel had ze gekozen voor een wrochting die bekend stond als ‘tranenzuil’. Het begon met een grote kuip water die op het podium was neergezet. Langzaam bracht Alwylyl het water met magie in beroering. Het water ging rond en rond en in het midden van de kuip begon een kleine punt ijs te groeien. De punt werd groter, het werd een stomp, een staaf, een zuil. Langzaam maar zeker groeide de ijspilaar terwijl het waterpeil in de kuip zakte en zakte. Uiteindelijk was al het water verdwenen en stond in kuip een manshoge ijspilaar. Toen begon de top van de pilaar te spetteren. IJs verdampte direct in een zoetgeurende nevel die een golf van bijval en applaus veroorzaakte.
Tevreden klom Alwylyl het podium af. Ze wist dat ze haar proeve met succes had afgelegd. Bovendien was haar wrochting de meest spectaculaire. Het zou moeilijk zijn zoiets te overtreffen!
De vierde kandidaat probeerde dat ook niet. Fro Arliagezel was er een die een simpele wrochting koos. Het gerucht ging dat hij zijn proeve van meesterschap moest afleggen omdat vrouwe Arlia haar geduld met hem had verloren. Hij stelde het geduld van de beoordelaars en het publiek in ieder geval niet op proef. Hij liet op een houten speelbord de stukken vanzelf bewegen. Wanneer een stuk een ander stuk sloeg klonken er zachte geluidjes van wapengerinkel en krijgskreten. Aan het eind van de veldslag klonken zacht overwinningsgeschal en marcheerden de overgebleven stukken het bord af. Het applaus van het publiek was meer beleefd dan enthousiast. Dezelfde taferelen konden met meer levendigheid worden gezien bij poppenspelers die met afgerichte kabouters werkten. Toch had ook Fro Arliagezel zijn proeve met succes afgelegd. De wrochting mocht dan weinig spectaculair ogen, de bezieling van zoveel stukken tegelijk was geen gemakkelijke opgave.
De laatste kandidaat werd opgeroepen. Een gespierde man met een vierkant gezicht en een wijkende haargrens met peperkleurige stekels kwam naar voren. Boyder Wellohsgezel was pas enkele jaren gezel van het collegium. Daarvoor had hij als huursoldaat langs de hele Oudzee rondgezworven, een tijd waarover hij een onuitputtelijke voorraad verhalen bezat, de een nog fantastischer dan de ander. Op zijn schouder droeg de kandidaat een grove ijzeren staak mee.
In plaats van het podium te beklimmen, liep Boyder Wellohsgezel naar het midden van het hof en wrikte hij enkele stenen los. Daarna dreef hij met een machtige zwaai de ijzeren staak in de onderliggende grond.
Nieuwsgierig bekeek Alwylyl de voorbereidingen. Bij de andere kandidaten had ze wel kunnen raden wat de wrochting zou zijn. De ijzeren staak stelde haar echter voor een raadsel. De kandidaat deed enkele stappen terug en begon ritmisch te zingen. Alwylyl wist dat Boyder Wellohsgezel bezig was af te dalen naar de innerlijke plaats waar magie kon worden gewrocht. Voor haar was het alsof ze een zwaar leren boek in haar handen had waarvan de ze bladzijden om moest slaan totdat ze bij de gewenste betovering kwam, maar Alwylyl wist dat deze voorstelling voor iedere magiër weer anders was. Maar met wat voor magie was de laatste kandidaat nu bezig?
De wrochting duurde lang. Een kille, strakke bries trok over het binnenhof en de menigte begon onrustig te worden. Mensen schuifelden op hun voeten, en mompelden tegen elkaar.
Het weer! besefte Alwylyl plots. Hij is bezig met een weerbetovering! Nu ze er op bedacht was, leek de hemel boven Manlem plots grijzer, dreigender dan voorheen. Opnieuw trok de kille bries over het plein. Alwylyl voelde druk op haar oren en kou langs haar ruggengraat. Het was alsof ze de laatste stille momenten van een enorme donderstorm beleefde.
Het zingen van de kandidaat versnelde en hij spreidde zijn armen alsof hij de hemel wilde omvatten. De menigte - misschien uit instinct - stuwde van de ijzeren staak vandaan.
Nog geen moment later werden de meesten verblind door het felste licht dat ze ooit hadden gezien. Voor een fractie van een tel was de ijzeren staak gehuld in schijnsel scherper dan de zon. De meesten hadden echter geen tijd om te realiseren wat er was gebeurt want direct daarop deed een donderslag, luider dan de meesten in hun leven hadden gehoord, hun tanden klapperen.
Toen het natuurgeweld was weggeëbd was van de ijzeren staaf verwrongen en geblakerd. Boyder Wellohsgezel kwam ongeschonden overeind. Zijn gezicht werd gesierd door een tevreden maar ook enigszins beduusde grijns.
3
De wachtkamer was niet meer dan de voorzetting van de gang met een uitgespaarde nis voor een ondiepe houten bank. De bank was niet bedoeld om mensen op hun gemak te stellen. Desondanks slaagde meester Boyder er in onderuitgezakt te zitten. Alwylyl zat kaarsrecht als een nobelvrouwe en probeerde de man naast haar te negeren.
‘Weet je waarvoor we hier zijn?’ vroeg Boyder.
Alwylyl blikte even opzij. ‘Nee. U soms, sinjeur?’
‘Ik heb een vermoeden.’
Alwylyl knikte minzaam. Ja, ja. Meester Boyder wist natuurlijk waarom ze beiden bij grootmeester Findher, de belangrijkste man van het collegium, moesten komen. Ze kende Boyder wel - zo groot was het aantal gezellen op het collegium ook weer niet - maar hij was een gezel geweest van vrouwe Welloh en zij van meester Sarusandel. Sommige lessen aan het collegium hadden ze samen gevolgd, maar buiten haar klassen had ze nooit contact met hem gezocht. Hij was een van de kundigste gezellen op het collegium - op enkele gebieden misschien zelfs kundiger dan zij - maar hij was ook een impulsieve snoever die dacht dat hij de wereld in zijn zak had. Dat had zijn proeve van meesterschap maar al te duidelijk bewezen. Ha! Ze zou eerder vleugels en hoorns laten groeien voordat ze aan meester Boyder zou vragen waarom hij dacht dat ze in de wachtkamer van grootmeester Findher zaten.
Toen de verwachte vraag uitbleef wendde Boyder zich af en begon tussen zijn tanden door een marsliedje te neuriën.
‘Sinjeur? Uw proeve van bekwaamheid. Was de wrochting die u uitvoerde ook de wrochting die u met uw leermeester had afgesproken?’
Boyder keek opzij. Blijkbaar zat er toch nog een greintje menselijke emoties in de omhooggevallen hofmadame naast hem. Boyder glimlachte breed.
‘Ha, nee! Welloh wilde dat ik aan een dood stuk hout verse twijgen zou laten ontspruiten, maar zo’n kunstje leek mij niets. Ik dacht dat mijn wrochting wat overtuigender zou zijn. En toen ik de afgelopen paar dagen merkte dat de weergoden het mogelijk maakten, heb ik er maar voor gekozen de bliksem te ontbieden.’
‘Erg nuttig,’ was het commentaar van Alwylyl ongemeend.
‘Op het slagveld zeker. Stel je eens voor dat je de vijandelijke maarschalk raakt met de bliksem. Ha! Er zal weinig anders overblijven dan as en beenderen!’
Voordat Boyder verder kon gaan met zijn verhaal, ging de deur naar de kamer van grootmeester Findher open. De oude tovenaar stond zelf in de opening.
‘Sinjeur Boyder, madame Alwylyl, komt u binnen.’
De kamer van de belangrijkste magiër van het collegium was nogal spaarzaam ingericht, vond Alwylyl. De kamer was rond en niet al te groot. Behalve de deur waar ze net door naar binnen waren gekomen, waren er nog twee andere deuren, die waarschijnlijk toegang boden tot de privé-vertrekken van de grootmeester. Een smal hoog venster verschafte weinig licht, het meeste was afkomstig van een kaarsenkroon aan het plafond. Een groot bureau met enkele zware stoelen vormden het belangrijkste meubilair.
Een ghu-set met een dampende ketel stond klaar.
‘Ga zitten,’ gebood grootmeester Findher zijn gasten en hij stond op om de kommen met ghu in te schenken. Een sterk melange vulde de kamer.
‘Zomerdroom,’ verklaarde de oude magiër, ‘Ik laat het speciaal uit Cabal overkomen en ik schenk het alleen voor bijzondere gelegenheden.’
Meester Boyder knikte enkel. ‘U doet ons eer aan,’ sprak Alwylyl.
Het ritueel gebood dat ze eerst zouden drinken van de aangeboden ghu voordat er verder werd gesproken. Alwylyl nam een slokje uit de kom en moest toegeven dat het een bijzondere smaak had. De ghu prikkelde en verdoofde tegelijkertijd. De smaak deed haar denken aan zoete bloemen en suikerbeesten.
Grootmeester Findher leunde achterover in zijn zetel: een oude ineengeschrompelde man omgeven door onwrikbare kracht. Met zijn speurende ogen onderzocht hij zijn gasten.
‘De laatste aartsmagiër...’ hoorde Alwylyl nog door een waas.

(c) 2007 Verschijnsel en Jaap Boekestein. Nadruk en verdere verspreiding verboden.