De Maan was sinds Percy’s kinderjaren nauwelijks veranderd. De grijze villa’s van Puerto Garibaldi leken hoogstens iets verder verweerd, terwijl de hemel een fractie paarser oogde. Niemand bekommerde zich blijkbaar meer om het weglekken van de atmosfeer.
Nog een half uur te gaan. Percy zuchtte, trok aan zijn glazen oorring. De Mare Imbrium strekte zich als een zilveren spiegel voor de watertaxi uit. Het water tinkelde en borrelde in het kielzog, een geluidje dat niets deed om de neerdrukkende stilte draaglijker te maken.
De chauffeuse raakte een toets van de boordcomputer aan: een van de doorzichtige zeilen bolde als een zeepbel in de zwakke bries. De zeilboot verlegde haar koers naar het westen.
Sinds hun ontmoeting op de kade van Puerto Garibaldi had de chauffeuse exact drie woorden gesproken.
‘Is uw boot te huur?’
‘Ja.’
‘Mooi zo, en weet u de residentie van Heer Gerrald d’Arezzo y Mac Shimonoseki te vinden?’
‘Zeker.’
‘Dat komt mooi uit. Wanneer kunnen we vertrekken?’
‘Nu.’
Percy wierp een steelse blik op de chauffeuse. Een tengere vrouw met kort, marterbruin haar. Een slecht geheeld litteken ontsprong een centimeter of zes boven haar linkeroor, kruiste een oogkas om in haar gekloofde bovenlip te eindigen. Haar linkeroog glitterde in het licht van Han; een lens van blauwig glas met talloze facetten.
Percy wendde zijn blik af. Welke fantastische eigenschappen de Perivatisten hun nieuwe oog ook toeschreven, Percy bleef het een barbaarse gewoonte vinden.
De groene toppen van een kraterwand schoven boven de horizon uit. De chauffeuse hief haar hand op, kromde een wijsvinger. ‘Villa d’Arezzo.’
Percy knikte. Hij zette zijn telescoopbril op, verdraaide de vergrotingsknop.
Daar, de kade van rookglas! Hij telde de jachten en gehuurde veerbootjes, die elkaar in het minuscule haventje verdrongen. Een kleine honderd. De andere kinderen moesten al gearriveerd zijn.
Percy verplaatste zijn blik. Villa d’Arezzo vulde zijn gezichtsveld, een open vlechtwerk van glaspegels en ragdun staaldraad. De centrale waterval stortte zich nog steeds van de bergtoppen omlaag om in het zwembad met waterschorpioenen neer te bruisen. Vijftig meter hoger hingen de schommels boven het ravijn. Pal daarnaast de balanceerbalk over de kuip gloeiende lava.
De medische uitrusting van Villa d’Arezzo was volstrekt up-to-date, en kende zijn gelijke niet aan deze zijde van Sirius. En dat mocht ook wel; Percy’s vader stond een mooie klassieke opvoeding voor en weigerde daarbij onderscheid te maken tussen zonen en dochters. Talloze brandwonden en gebroken enkels later snelden zijn kinderen kraaiend van plezier over de spekgladde balanceerbalk en klauterden ze voor hun plezier tegen de afbrokkelende bergwanden.
In vaders ogen bleef Percy een treurige mislukking: Percy vermeed geweld en schepte weinig behagen in nodeloze ontberingen. In de meeste legers zou Percy niettemin voor een geharde en enigszins roekeloze veteraan doorgaan.
Percy vouwde zijn telescoopbril op en likte zijn lippen. Pas de afgelopen jaren was hij zijn vader beter gaan begrijpen. Het heelal had eenvoudig weinig geduld met zwakkelingen en de meeste anderlingen beschouwden mensen in het gunstigste geval als grappige, kwetterende beestjes. Hoe eerder je die onaangename waarheden leerde, hoe beter. Percy kon Heer Gerralds gedachtegang volgen, maar waarderen? Nee, dat nu ook weer niet. Een kleuter mag verwachten geen vogelspinnen in zijn bedje aan te treffen en teddyberen horen niet te bijten.
‘Vader,’ mompelde hij, een soort generale repetitie voor de ontmoeting met Heer Gerrald. Talloze zinnen wervelden door zijn brein. Percy balde zijn vuisten. Een goed gesprek, hield hij zichzelf voor. Een goed, openhartig gesprek. Als volwassenen onder elkaar. Maar eigenlijk verlangde hij meer naar een goede, openhartige scheldpartij, van het soort dat pas eindigde als beide gesprekspartners te schor werden om door te krijsen.
Zoveel dingen die hij nooit gezegd had, nooit had durven uitspreken! Helaas, voor zo’n bevrijdende ruzie was het al veertig jaar te laat. De boze, verdrietige kleuter van toen had zijn lippen te lang op elkaar geklemd gehouden en nu was hij Percy niet meer. Hoogstens een klein angstig kereltje dat alleen in Percy’s dromen nog bij zijn oudere broer kwam klagen. Eigenlijk mocht Percy hem niet bijzonder.
Bovendien had vader vandaag wel wat anders aan zijn hoofd. Een man die op het punt staat te sterven, val je niet lastig met hysterische kleuters.
Alfven, lijfwacht en secretaresse van Heer Gerrald, wachtte Percy bij de kade op. ‘Je bent de laatste, Percy. De rest is er al een dag of twee.’
Percy spreidde zijn handen. ‘Ik was vergeten wat een uithoek de Maan eigenlijk is. Geen vaste verbindingen, zelfs niet met Han. Ik moest een antiek zonnenzeil charteren. Die deed vier dagen over de overtocht.’
‘Dat moet wel een erg antiek schip geweest zijn. De allereerste reis naar de Maan duurde ook zoiets als ik het wel heb.’
‘Ik zat niet op Han. Als Han tenminste de Oude Aarde is, zoals vader beweert.’ Hij glimlachte verontschuldigend. Alfven imponeerde hem nog steeds, hoewel ze maar twintig jaar ouder was dan hij. ‘Ik was op Venera. Voor zaken.’ Alfven tilde hem pardoes op en ze kusten elkaar op de wangen. Even voelde Percy zich weer een kind: Alfven was tweeëneenhalve meter lang, prachtig satijnzwart en even solide gebouwd als een grizzlybeer.
‘Jij idioot! Ik heb je gemist. Sinds je vertrek... De kindertjes rennen allemaal zo braaf over de balk. Niemand is zo slim om doorzichtige asbestlaarzen aan te trekken.’ Ze zette hem met een bons neer. ‘Wees niet te bitter over je vaders opvoedingsmethoden. Ik geloof dat hij je wel mocht. Toen je wegliep, klaagde hij dat hij wolven van zijn kinderen probeerde te maken en dat jij een wezel geworden was.’ Alfven grinnikte. ‘In zijn studeerkamer staan twee opgezette wolven. De wezels heeft hij eigenhandig in het kraterbos uitgezet. Als je het mij vraagt trainde hij voor wolven, maar hoopte hij stiekem op wezels. Hij is zelf nu ook niet een van de betrouwbaarste lieden die ik ken.’
‘Vader is een gehaaide oplichter,’ knikte Percy. ‘Is hij echt van plan straks te sterven?’
‘Dat praat niemand hem meer uit zijn kop.’
Ze bestegen de ijzeren trap naar Villa d’Arezzo. Zesenveertig treden: Percy telde ze voor de laatste keer. Hij verwachtte niet hier ooit nog terug te komen.
Ze passeerden de roestige stuurraketjes van het op hol geslagen stuwschepschip Sui Yen. Duizend jaar eerder had de Sui Yen vader naar de menselijke ruimte teruggebracht. Een kwart miljoen jaar later dan gepland. De wereldomvattende Chinese Hegenomie die de Sui Yen naar de ster Achernar had uitzonden, was intussen niet meer dan een voetnoot in bijna ontladen geschiedeniskristallen: een prehistorisch rijk, dat vaak op een grote hoop geveegd werd met het Romeinse Imperium en de USA.
De homo sapiens was een al even oude herinnering, want de mensheid had zich sindsdien in tientallen sterk verschillende soorten opgesplitst. Onderling waren ze vaak niet eens vruchtbaar meer.
De negentien miljard ware mensen die nu als anachronistische dinosaurussen door de kosmos zwierven stamden allen af van de vijfhonderd bemanningsleden van de Sui Yen.
Vader beklom het podium. Hij zag er niet oud uit; in feite was hij slechts met de grootste moeite als mens te herkennen.
Percy’s verwekker had het ‘Pad van Staal en Plastic’ gevolgd. Zijn hart was een onvermoeibare pomp van niobium, zijn nieren moleculaire zeven. Zijn plastic vingers hadden teveel kootjes en zelfs zijn brein was niet langer organisch.
Duizend jaar, dacht Percy vol ontzag, hij heeft het lang volgehouden. De meeste ware mensen lieten het leven lang voor hun driehonderdste met een zucht van verlichting wegglippen.
Vader droeg een gouden faraomasker. Percy had zijn oorspronkelijke gezicht nooit mogen aanschouwen. Al bij Percy’s geboorte waren vaders geslachtsorganen het enige biologische onderdeel van zijn lichaam geweest.
Heer Gerrald had voor deze feestelijke gelegenheid levende ogen laten inzetten, viel Percy op. Misschien wilde zijn vader de wereld nog één keer op de oude vertrouwde manier bekijken.
Vaders toespraak was prijzenswaardig kort voor een voormalig demagoog. Alsof hij zijn dood geen minuut langer dan noodzakelijk wilde uitstellen.
‘Genoeg is genoeg,’ begon de patriarch. ‘Ik ben een schavuit geweest, een weldoener en alles daar tussenin. In een glazen ton stak ik de Oceaan der Stormen over. Ik deed de wijze van Istalle verteld staan door mijn inzicht. Ik worstelde met de Wielewaan en hoewel ik niet won, verloor ik ook niet. Dankzij mijn inspanningen is het getal van de Separdische Maagden met drie verminderd. Kortom, wat ik niet gedaan heb, was de moeite van het doen niet waard. Nu breekt het ogenblik aan om te zien of gene zijde even amusant is als deze zijde!’ Hij zweeg een moment, veegde over zijn metalen voorhoofd waarop zich onmogelijk zweet gevormd kon hebben. ‘Ik ben me heel wel bewust geen liefhebbende vader geweest te zijn. Ik wilde geen verkeerd voorbeeld geven, want dit is geen liefhebbend heelal.
‘Ik heb jullie alle achtennegentig angstvallig in de gaten gehouden. Sommigen zijn geslaagd in het leven, anderen zijn mislukt. Maar degenen die geslaagd zijn, zijn magnifiek geslaagd. Wie mislukte, mislukte grandioos. Ik vond geen spoor van kleinzieligheid, van timide weifelzucht. Dat doet mij genoegen.
‘Jullie, kinderen, zijn mijn wolven, mijn wezels, mijn panters. Sommige vaders hopen zichzelf in hun dochters en zonen weerspiegeld te zien. Vati zij dank, jullie lijken in niets op mij. Geen van jullie werd een pover verlengstuk van Gerrald d’Arezzo y Mac Shimonoseki. Jullie zijn jezelf, enkel jezelf en ik zou met ieder van jullie willen ruilen.’
Later op de middag liet Heer Gerrald zijn kinderen een voor een bij zich komen. Percy trok zijn oude familie-uniform aan, omdat hij wist zijn vader daar plezier mee te doen. Met rinkelende armbanden en kromzwaard betrad hij het studeervertrek.
Zijn oude heer rookte een cederhouten pijp. De ruimte geurde naar smeulende eikels en papaverzaad.
Vader knikte hem toe. ‘Blijf daar maar staan. Het zal niet lang duren.’
Hij vouwde zijn handen en liet zijn kin op de knokkels rusten. ‘Percy, je bent lange tijd een van mijn veertig favoriete kinderen geweest. Niet dat je slim bent of dapper, maar je hebt iets. Ik zou niet precies weten wat. Iets.’
Hij wierp een blik op het horloge dat op zijn pols vastgesoldeerd zat. ‘Afijn, ik beloofde het kort te houden. Ik zal je geen geld nalaten, want in financieel opzicht ben je een bodemloos gat.’ Hij gniffelde. ‘Je sloop het huis uit met een buidel vol zingende parels, mijn eigen wurgkoord in je achterzak. Vertel me eens, hoe kon je er in twee jaar een half miljoen obols doorjagen?’
‘Het is een talent,’ mompelde Percy.
‘Genoeg daarover.’ Vader nam de in plastic gegoten scheepspet van zijn hoofd en zette hem op Percy’s kortgeknipte haar. Vervolgens hing hij de riem met werpmessen om Percy’s schouders en klikte hij zijn al achthonderd jaar defecte laserpistool aan Percy’s koppelriem.
‘Ik benoem je hierbij tot kapitein van de Sui Yen, tot hoofd van de clan der d’Arezzo y Mac Shimonoseki’s. Met alle lusten en lasten die aan deze hoge positie verbonden zijn.’
Percy gaapte hem aan.
Vader salueerde. ‘Gegroet, Heer d’Arezzo y Mac Shimonoseki!’
‘Maar ik...’
‘Mocht je in al te grote problemen raken of domweg om goede raad verlegen zitten, klamp Alfven dan aan. Ze is mij nog enkele gunsten schuldig en ik geloof dat ze zich bovendien min of meer verantwoordelijk voor je voelt.’ Hij gebaarde met zijn pijp. ‘Ga met mijn zegen, Percy. De volgende.’
Na het afhandelen van deze formaliteiten injecteerde Percy’s vader zich met een overdosis hilarine en stierf schaterlachend.
De kinderen stonden in een wijde kring om het ontzielde lichaam. Het lijk had de vorm van hun vader. Het was hun vader niet. In de hete avondlucht leken de echo’s van zijn laatste schateringen nog na te galmen. Hij was met een woest, heldhaftig plezier gestorven.
Percy zou het voortaan achter alle stiltes horen doorklinken. Door te sterven had zijn vader het universum allerminst verlaten. Hij had het gevuld met zijn eigen plezier en zijn merkteken was overal: een geluid te groot en te zwaar om anders dan met je hele lijf te voelen.
Jij geslepen rotzak, dacht Percy, nu zal ik nooit meer vrij van je zijn. Alleen als mijn eigen leven even groots en vrolijk wordt, kan ik je lach overstemmen.
Alfven vond het gloednieuwe familiehoofd twee maanden later in het hart van een grote orchidee, zijn haren aaneengeklit met honing en stuifmeel. Een tiental leeggeknepen wijnbollen lag verkreukeld aan zijn voeten.
‘Heer d’Arezzo y Mac Shimonoseki!’ sprak ze verwijtend. ‘Je stamt uit een roemrijk geslacht dat talloze trotse en gruwelijke daden verricht heeft. Je lijkt nu nog het meest op een volgezogen bladluis.’
‘Ik ben de Kapitein,’ giechelde Percy, ‘absoluut meester over negentien miljard bemanningsleden, de Kapitein wiens woord wet is en wiens opgetrokken wenkbrauw planeten uit hun banen laat tollen. Alleen... alleen luistert niemand naar mij.’
‘Dat is nog geen reden om de rest van je leven ladderzat te blijven.’ Ze schopte tegen een bloemblad. ‘Een orchidee, godbetert! Ben je zelfs te platzak om een hotelkamer te betalen?’
Percy keek op naar de formidabele assistente van zijn vader. Alfvens benen leken machtige zuilen van git, haar gespierde armen welfden dikker dan Percy’s dijbenen.
‘Ik erfde negentien kratereilanden, een zuurstofmijn op Charon. Weg, alles weg. Lasten en lusten, zei vader. Van die lasten weet ik intussen alles. Vader had schulden, weet je. De eerste deurwaarders bonkten al op mijn deur voor moeder zijn as goed en wel uitgestrooid had.’ Hij tastte in zijn broekzak en wierp een nevelige blik op zijn kredietkaart, die straalde met een rood zo somber dat het amper van zwart te onderscheiden was. ‘Ik sta nu nog maar een kwart miljoen in de schuld. Dat mag ik toch zeker wel vieren?’
‘Je hebt de familienaam nog. Dat is behoorlijk wat waard.’
‘O ja? Wat dan?’
Alfven gaf geen antwoord, maar bestudeerde hem een volle minuut. ‘Weet je, Percy,’ zei ze tenslotte, ‘je hebt een eerlijke, open blik als je tenminste niet dronken bent. Staalgrijze ogen, een hoog gewelfd voorhoofd, een wilskrachtige kin met een kuiltje. In een bepaald, niet al te helder licht lijk je verbazend veel op het oude scheepsportret van wijlen je vader.’
‘Schijn,’ protesteerde Percy. ‘Valse schijn.’
‘Het gezicht van een held,’ vervolgde Alfven, ‘het gelaat van de Kapitein.’ Ze trok hem overeind. ‘Wil je rijk worden, Percy? Net zo rijk als je vader?’
Percy knikte. Alfven tegenspreken leek hem onverstandig.
‘Voor anderlingen zien alle mensen er hetzelfde uit,’ zei Alfven. ‘En je vader genoot een zekere reputatie. Hij kon problemen oplossen, vaak op rigoureuze en onverwachte wijze.’
‘Je bent gek! Ik kan onmogelijk vaders plaats innemen!’
‘Dat doe je al. Je bent het hoofd van de clan. Ze zullen om Heer d’Arezzo y Mac Shimonoseki drommen, hun kredietkaarten ultraviolet van lading.’ Ze tilde hem aan zijn kraag op en mikte Percy in een ijskoude ontnuchteringspoel. ‘Ik ben je vader nog iets verplicht. Ik maak een kapitein van je, Percy, al zou je erin blijven!’
Alfven deed nooit loze beloftes.

(c) 2008 Verschijnsel en Tais Teng. Nadruk en verdere verspreiding verboden.