uit 'Schaduwstrijd'

 

lees hoofdstuk 1 on-line van

 

      Schaduwstrijd

      De eerste kroniek van de Magiër door Jaap Boekestein

 

 

 Schaduwstrijd - het gebonden boek

 

 

    1

     

    De vroege zomerzon blikte nieuwsgierig over de bergtoppen naar de brede groene dalen in de diepte. De schaduw vluchtte over wei, pad, muur en woud om zich tenslotte te verschuilen achter rots en begroeiing.
         In stilte bekeek Margen Meshmekszoon het ontwaken van de wereld. Iets had hem naar buiten gedreven om het ochtendgloren gade te slaan. Waarschijnlijk zou het de laatste keer zijn dat hij zo over het dal uitkeek.
         De jongeling draaide zich om naar het grote stenen huis met zijn steil omhoog klimmende dak. Margen was zestien jaar oud. Hij leek lang omdat hij mager was. Zijn haar had de kleur van stoffig stro en op zijn kin groeiden de eerste aarzelende stoppels.
         In het huis halverwege het dorp en de zomerweiden had hij zijn hele leven met zijn vader en zijn vijf broers geleefd. Zijn vader, tovermeester Meshmek Roodneus, was de afgelopen winter gestorven. Het was een plotse dood geweest: een val op het pad naar het dorp en de kou van de winter. Tegen de tijd dat de magiër werd binnengedragen had Vrouwe Dood hem al bezocht. Waarschijnlijk was Meshmek Roodneus niet eens meer na zijn val bij bewustzijn gekomen.
         Twee van Margens broers waren reeds vertrokken: Hinc en Gen Junnes waren hun geluk gaan beproeven buiten de dalen van de baronie Brynze. Vandaag zou Margen hun voorbeeld volgen.
         De deur van het huis ging open en Servain, oudste van de zes, kwam naar buiten. Hij knikte naar Margen.
         ‘Ik dacht wel dat ik je hier zou vinden.’
         Servain blikte naar de buidel die tegen de watertrog klaar stond.
         ‘Je gaat vertrekken? Ik kan je er niet vanaf brengen?’
         Margen zuchtte. Ze hadden het er al zo vaak over gehad, maar zijn besluit stond vast. Vandaag zou hij het dal verlaten. Servain kon hem daar niet meer vanaf brengen. In plaats van te antwoorden wees Margen in de rondte.
         ‘Deze dalen zijn te klein voor mij. De wereld ligt open.’
         Servain leek hem niet te horen. Hij bekeek de omgeving van bergen en wouden alsof hij deze voor het eerst van zijn leven zag.
         ‘We hebben eigenlijk al handen te kort, zonder Hinc en Gen Junnes.’
         Margen schudde zijn hoofd. ‘Je weet dat ik enkel een mond minder ben om te voeden. En je weet ook dat in deze dalen maar genoeg ruimte is voor één magiër. De boeken en instrumenten van vader kunnen ons nog veel leren, maar ik zou nooit meer zijn dan je mindere. Altijd de knecht onder de meester, de boer onder de heer.’
         ‘Misschien,’ antwoordde Servain. ‘Je bent nog steeds van plan naar het zuiden te gaan, over de bergen, naar de Lege Landen?’
         ‘Ik ga naar het zuiden,’ bevestigde Margen en hij plukte aan zijn stoppelbaard. ‘De kaarten van vader vermelden passen. Ik neem een kopie van die kaarten mee, en twee instrumenten: de Overtocht der Droge Voeten en de Sfeer van Prismatische Prikkeling. Daarmee moet ik de bergen weten te bedwingen. En dan... de Lege Landen. De geschiedenis leert ons dat de Lege Landen eens rijk en welvarend waren, vol met machtige steden en wonderbaarlijke magiërs. Daar moeten plaatsen zijn waar schatten en voorwerpen van grote macht tussen het puin liggen opgestapeld. Het is een tocht en een doel waaraan gevaar verbonden is, maar ook kansen!’
         ‘Je vergeet de Duisternis,’ sprak Servain.
         Zijn jongere broer maakte een kleinerend gebaar. ‘Het is eeuwen en eeuwen geleden dat de laatste aartsmagiër stierf. Zijn vervloekingen en alle kwade magie uit de Grote Strijd zijn inmiddels uitgewerkt, zoals vader altijd beweerde.’
         Servain maakte geen tegenwerpingen, hij besefte dat dat nutteloos was. Hij legde zijn handen op de schouders van Margen, een teken van afscheid in de dalen van Brynze. Hij keek Margen diep in zijn lichtblauwe ogen.
         ‘Margen, het gaat je goed. Ik hoop dat onze paden in de toekomst weer eens tezamen zullen komen. Ik zal een kaars voor je branden in de tempel.’
         De dofblonde Margen greep zijn broer bij zijn schouders. Hij voelde een brok in zijn keel en een knoop in zijn maag.
         ‘Servain, bedankt. Ik hoop inderdaad dat wij weer eens allemaal bij elkaar zullen zijn. Maar nu is er geen andere mogelijkheid dan mijn vertrek. Wens Slosh en Biddel het beste. Ik hoop dat ze nog enige jaren bij je zullen blijven, maar ik denk dat ook zij uiteindelijk zullen vertrekken.’
         Servain glimlachte en zei met enige zelfspot. ‘Misschien moet ik dan op zoek naar een vrouw, als er ooit een heks in deze dalen zal komen. Margen, moge de goden met je lopen.’
         De vierde zoon van de tovermeester Meshmek Roodneus knikte. Hij nam zijn buidel op en begon het uitgesleten pad af te lopen.

     

     

    2

     

    Onder het dek van mist leken draken hun staarten te roeren. Kronkelend gleed de ochtendnevel langs de kale heuveltoppen die als groene eilanden uit de zilveren damp omhoogstaken. Halverwege de helling, op de grens van schemer en licht, hield de woudduivel stil. Zijn hart pompte van het rennen en hij was met al zijn zintuigen gespitst op gevaar. Nacht-Vacht werd hij door zijn volk genoemd, maar nu was zijn fraaie grauwe pels overdekt met een fijn dek van condensparels. Hij ging op zijn achterpoten staan en draaide speurend met zijn oren.
         Een gedempt geroffel van paardenhoeven weerklonk en Nacht-Vacht ontblootte sissend zijn tanden. De onzichtbare kring was gesloten. Al twee maal slaap en tweemaal jacht zaten ze hem achterna. Nu was hij moe, zijn maag leeg en zijn neusgaten vol met de lucht van mensen en paarden. De geur van de dood.
         Nooit had hij zijn vertrouwde wereld van bomen en schuilgroen moeten verlaten voor dit lege land dat geen beschutting bood en waar gevaar voortsnelde als een geschrokken vlug-springer.
         Nacht-Vacht liet zich weer zakken en dook in elkaar, om als een kleine pup te schuilen voor de regen. Met ontblote tanden en uitgestoken klauwen wachtte hij op zijn laatste kans.

     

    Arasha Windvleugel hield met haar knieën haar paard in. Als stamhoofd, krijgsvrouwe en jageres wist ze dat de confrontatie met de prooi nu gekomen was. Aan het hoofd van vele jachten had ze gereden en zelden was de prooi ontsnapt. Bedachtzaam greep ze haar korte werpspies vast en spoorde haar rijdier weer aan.
         Op dat moment rees de woudduivel uit de schemer omhoog. Grauwend wierp hij zich op het verraste paard en zijn ruiter. Instinctief stak Arasha Windvleugel toe terwijl scherpe klauwen in haar vlees haakten. Kreten en hoefgetrappel weerklonken maar tegen de tijd dat de woudduivel gespietst was aan een tiental speren vloeide het laatste leven uit de vrouw weg. Arasha Windvleugel, koningin van de stamzusters van Ramer Hemeldrager, was niet meer.

     

     

    3

     

    Naast de grijze botsplinters lagen wat schoongespoelde potscherven uitgestald. Zelfs de resten roodbruin aardewerk leken overdekt te zijn door een fijn waas van grijs, alsof de spinsters der tijd één van hun sluiers over het opgegravene hadden gelegd.
         Misnoegd schudde Margen zijn hoofd. Terwijl de vlammen van het vuurtje gretig aan de kleine waterketel likten, bekeek hij nogmaals de verzameling voorwerpen die het schamele resultaat was van drie dagen ploeteren. Hij zoog op zijn met kloven en blaren overdekte vingers. Geen van de scherven en splinters bezat enige waarde of magische kracht. Het was precies wat het leek te zijn: vergeten afval van een lang geleden verwoeste stad.
         De Lege Landen waren niets anders dan woestenij gebleken. Waar eens steden hadden gestaan en machtige magiërs hadden rondgewaard, restte nu niets meer dan eindeloze wildernis. Met behulp van het instrument van de Overtocht der Droge Voeten was Margen een naamloze rivier afgezakt die meanderde door dichte wouden en eindeloze grasvlakten. Her en der had hij ruïnes aangetroffen: overwoekerde steenvelden waar een enkele pilaar als een rotte kies omhoog stak, verbrokkelde monumenten uit een vergeten tijdperk. Hij vond echter geen schatten of instrumenten van macht.
         Margen peinsde over de toekomstpaden die voor hem open lagen. Als hij in de nazomer terugkeerde liep hij de kans door sneeuw overvallen te worden in de bergen. Als hij echter nu terugkeerde op zijn schreden zou hij nog in de herfst de bewoonde wereld kunnen bereiken. Met lege handen, onzekere vaardigheden en slijtende instrumenten.
         Overtuigd schudde Margen zijn hoofd. Hij zou doorgaan met het onderzoeken van de resten van de oude metropool. Een glimlach vol nieuwe hoop verscheen op zijn gezicht, want zo was zijn aard. Wie weet welke schatten er onder het puin op hem lagen te wachten!
         Plots belandde een steentje kletterend tussen de uitgestalde overblijfselen en kwam uiteindelijk in de rulle aarde tot stilstand. Verbaasd keek Margen op. Het was een feit dat kiezels gewoonlijk niet uit de lucht vielen.
         Aan de andere kant van het vuur zat een gestalte. Een vrouw, zag Margen na een moment van twijfel. Ze droeg grove lagen wol en leer die versierd waren met kralen en kleine bronzen ornamenten. Haar diepbruine lokken waren achter haar hoofd losjes samengebonden tot een enkele staart.
         Het meest opvallende was echter de diepbleke kleur van haar ronde, verweerde gezicht. Twee ongewoon helder blauwe ogen staarden hem uitdrukkingsloos aan.
         ‘Voorwaar!’ mompelde Margen verrast en hij wilde al overeind komen. Hierdoor werd hij opeens de dreigend prikkende speerpunt in zijn nek gewaar.

     

     

    4

     

    Leunend tegen de dikke ijzeren tralies van zijn kooi zag Margen het steppenmeisje naderen. Het was de derde dag van zijn gevangenschap en voor de derde maal bracht hetzelfde meisje - of de vrouw, want hij kende de gebruiken van haar volk niet - hem een kruik met water en een kom zurige pap. Zoals alle leden van haar volk was ze lang, bleek van huid en rond van gezicht. Ze had krullend zwart haar dat door een rode kralenband bijeen werd gehouden. Duidelijk ontevreden met de haar opgedragen taak sjokte ze naar de kooi toe.
         Het lage ijzeren gevaarte stond in het midden van een open ruimte, omgeven door grote ronde tenten. Naast iedere tent stond een kar, opgebouwd uit grof, dik hout. De wielen van de wagens waren massief en reikten veelal hoger dan een volgroeide man. De jongeling had de bewoners van het kamp regelmatig langs zien komen. Vreemd genoeg leken er alleen vrouwen te zijn. Zonder veel belangstelling voor de gevangene gingen zij op in hun dagelijkse bezigheden: het verslepen van water en brandstof, het bereiden van voedsel, het verzorgen van hun kleine paarden. Hij had zich afgevraagd of de mannen soms op jacht waren.
         Margen sloot zijn ogen een ogenblik. In gedachten kon hij iedere lijn van het gezicht van het naderende meisje tekenen: de rechte neus, de zware wenkbrauwen en dunne lippen. In de drie dagen was zij de enige levende ziel die hij van dichtbij had gezien. Eerst had een zwerm kinderen nog nieuwsgierig rond de kooi gezworven, totdat ze waren verjaagd door de boze woorden van een volwassene. De rest van de vrouwen meed de kooi alsof er een vloek op rustte.
         De jongeling opende zijn ogen tot een spleetje en glurend tussen zijn wimpers door zag hij dat het gedachtenbeeld van het meisje bijna volledig klopte met de werkelijkheid. Ze hurkte bij de kooi en deed een greep naar de lege kom en kruik om die te verwisselen.
         Margen opende zijn ogen volledig, maar bewoog niet.
         ‘Gegroet,’ sprak hij en hij liet zijn stem zo vriendelijk mogelijk klinken.
         Het steppenmeisje keek op. Ze had scherpe, net niet geheel zuiver groene ogen die Margen aan de blik van een jachtvalk deden denken. Het geheel vormde een combinatie die moeilijk te vangen was in de gangbare termen als ‘delicaat’, ‘grof’ of ‘fijn’. ‘Opmerkelijk’ was wellicht de best passende omschrijving. Margen knikte haar vanuit de kooi toe.
         ‘Kan je ook spreken? Of ben je net zo zwijgzaam als Harlanias de Heremiet, die na dertig jaar van zelf opgelegde stilte erachter kwam dat hij de macht over zijn stem had verloren en zodoende eindigde in het zottenhuis?’
         ‘Ik kan spreken,’ antwoordde ze kort met een zangerig, archaïsch accent. Voordat Margen opnieuw een opmerking kon maken nam ze de lege nap en kruik op en verdween weer even ongenaakbaar als altijd.

     

    De volgende morgen kwam het steppenmeisje weer met een kom pap en nu wachtte ze totdat deze leeg zou zijn. Toen Margen slechts vol belangstelling terugstaarde en zijn maaltijd niet aanraakte, vroeg ze: ‘Waarom eet je het niet op? Iets anders krijg je niet.’
         Even speelde een glimlach over Margens gezicht. Het was voor het eerst dat ze uit zichzelf het woord tot hem richtte. Het was een kleine overwinning.
         ‘Dat vrees ik ook. Helaas gebiedt de beleefdheid me niet in het bijzijn van een dame met mijn handen te eten. Bovendien begint dit aftreksel van drakenkeutels mij na drie dagen tegen te staan.’
         Het meisje krabde met haar vinger aan haar neus. Ze dacht na over de woorden van de gevangene.
         ‘Dan eet je maar niet,’ sprak ze resoluut. ‘Er is nog nooit iemand dood gegaan van yurrek.’
         ‘Wat is dat,
    juuhrek?’ vroeg Margen terwijl hij semi-ongeïnteresseerd het gezicht van het steppenmeisje bestudeerde. Na maanden in de wildernis en dagen van verveling van de kooi was haar aanwezigheid akelig verlokkend. Elk gebaar, elke welving en elke beweging van het bleke lichaam onder de ruwe lagen wol en leer was geraffineerder dan de kunsten van een bellendanseres uit Nogorr Ahu. Met een grom ging Margen iets verzitten.
         ‘Weet je dat niet eens?’ merkte de zwartharige amazone ondertussen verbaasd op. ‘Ik heb het andere mannen tijdens de gadering ook zien eten! Het is niets anders dan vermalen pens met gestremde melk en bloed.’
         Margen maakte een kokhalzend geluid.
         ‘Bwah! En dan te bedenken dat ik met niet meer dan wat zout, wijn en bezweringen hiervan elfenbrood had kunnen maken!’
         ‘Ben je dan een tovenaar?’ vroeg de amazone.
         Margen zweeg verschrikt. De wildernis had hem loslippig gemaakt. Bij velen stonden magiërs en magie in een kwade reuk. Vaak kregen tovenaars en heksen stenen en vloeken nageworpen. In tijden van rampspoed werden ze soms verbrand en hun as verstrooid over de acht windstreken...
         Margen merkte dat het zwartharige steppenmeisje niet was opgesprongen, alhoewel er op haar gezicht iets van angst te lezen viel. Maar naast de angst lag er ook nieuwsgierigheid op haar gezicht. Zonder macht als hij was, kon hij wellicht toch een voordeel behalen.
         ‘Ha! Kan een vogel vliegen? Kan een vis zwemmen? Kan goud rinkelen? Natuurlijk ben ik een tovenaar! Ik ben Margen de Magiër,’ sprak de jongeling indringend en hij maakte enkele duistere gebaren.
         Het meisje maakte een afweerteken en even leek ze op te willen springen. Margen vreesde dat hij te ver was gegaan en schoof achteruit. Als ze vluchtte en er anderen bij haalde, zou hij verloren zijn. Hij zou haar moeten binnen halen als een zalm aan een vislijn: soms kracht uitoefenen, soms de lijn laten vieren, maar haar nooit laten gaan.
         ‘Heb je geen vrees voor magie?’ vroeg hij en hij slaagde erin zijn stem verbaasd te laten klinken.
         Het meisje schudde haar hoofd.
         ‘Ik ben niet bang,’ loog zij duidelijk. Toch weerhield iets haar om te vluchten.
         ‘Ik heb zekere krachten... ’ zinspeelde hij.
         ‘Ha!’ schamperde de amazone met herwonnen moed. ‘Vrees voor jou? Je naam zou Margen de Magere moeten zijn. Jij zit in de kooi. Een echte tovenaar laat zich niet opsluiten!’
         Margen versomberde, maar zijn gezicht bleef een duister masker.
         ‘Ik verzamel mijn krachten en luister naar de geesten die ’s nachts door het kamp waren. Ik zie in jullie harten en ik wacht.’
         Wederom maakte het steppenmeisje een afweerteken.
         ‘Exay de Spreekster heeft jouw buidel. En een tovenaar is altijd hulpeloos zonder buidel,’ zei het meisje vol overtuiging.
         Zijn buidel, zijn instrumenten! Als hij die wist te bemachtigen... Met moeite wist Margen zijn gezicht in plooi te houden. Hoe kreeg hij zijn instrumenten in handen?
         ‘Is Exay de Spreekster een heks?’ vroeg hij.
         Het meisje schudde beslist haar hoofd. ‘Natuurlijk niet! De stammen van Ramer Hemeldrager houden zich niet bezig met
    magie. In de eerste dagen, toen de wereld vol chaos en duisternis was, verbood Ramer Hemeldrager magie voor de ware mensen. Zij die van zijn gebod afdwalen verliezen hun ziel.’
         ‘Wat is Exay de Spreekster dan?’
         De amazone haalde haar schouders op over zoveel domheid. ‘Eens werd Exay door de bliksem getroffen. Ze ging niet dood en daardoor wordt je een Spreekster. Een Spreekster jaagt niet, en heeft geen vee, maar de mensen geven haar eten en brandstof. Ze spreekt met de doden en drijft boze geesten uit.’
         Voor de derde maal maakte het zwartharige meisje een afweerteken, alsof ze sprak over iets boosaardigs. Onverwachts stond ze op en begon weg te lopen. Wanhopig kroop Margen naar de tralies. Als ze hem verraadde... Hij moest met haar blijven praten.
         ‘Hoe luidt je naam?’ riep hij haar na, zonder een antwoord te verwachten.
         Voor een laatste maal keek ze naar de jongeling in de kooi. Ze kneep haar ogen samen en beet nadenkend op haar lip. Toen leek het alsof ze een besluit had genomen.
         ‘Sendre Scherpzicht,’ riep ze uiteindelijk terug. Toen verdween ze tussen de koepelvormige tenten, Margen in de kooi achterlatend.

     

     

    5

     

    Even stipt als de gebeden van een vroom man kwam Sendre Scherpzicht de volgende dag weer met een waterkruik en een kom van het gruwzame brouwsel. Ze hurkte bij de kooi en knikte de gevangene toe.
         Met bijna geheel gespeeld enthousiasme kwam Margen overeind. Hij voelde zich smerig. De huiden die voor zijn beschutting dienden zaten vol ongedierte. Daarnaast kreeg hij nooit genoeg water om zelfs maar de minimale reinheidsgeboden uit te voeren. Margen vroeg zich af of de vrouwen zelf zich ooit zouden wassen. Het was moeilijk op te maken uit de geurenrijkdom van vee, uitwerpselen, kookvuren en tientallen andere aroma’s. In het kamp hing een ondertoon van een vage stank die hem wel bekend voorkwam maar die hij toch niet wist te plaatsen.
         ‘Wederom gegroet!’ sprak hij met ontspannen stem, terwijl hij zich krabde. Het steppenmeisje staarde hem zwijgend aan en nam de nap op die Margen gisteren had geweigerd maar nu toch leeg was. Zonder haast nam hij de nieuwe maaltijd aan en schoof die opzij.
         ‘Waarom,’ begon hij, ‘trekken jullie niet achter de kudden aan? Zijn jullie geen zwervers, altijd op reis met jullie dieren?’
         Sendre Scherpzicht maakte een onverschillig gebaar. ‘Het kamp wordt pas opgebroken als de tijd daar is, niet eerder. Dit zijn de Grafgronden, en de wagens zullen hier rusten totdat alles gereed is. Tussen graf en gadering trekt de zusterstam van Ramer Hemeldrager. Op graf en gadering staan de wielen stil.’
         Het klonk alsof de amazone een oud leerlied zong.
         ‘De gadering, wat is dat?’ vroeg Margen. Hij had besloten zijn dreigementen voorlopig te laten rusten. Eerst moest hij meer weten over de vrouwen en waarom ze hem gevangen genomen hadden.
         Om haar verhaal te ondersteunen kneep Sendre Scherpzicht haar handen samen. ‘De gadering is de tijd dat de broeder- en zusterstam der Ramers tezamen komen bij de zandige heuvels aan het zoute water van Zonnewieg. Dan verrijzen er naast de stad van de broederstam de tenten der Zusters terwijl een onafzienbare kudde de Vlakte vult.’
         Margen snoof geringschattend ondanks zijn voornemen. ‘Wat weet jij van steden? Behalve wat overwoekerde puinhopen heb je nog nooit één steen op een andere gezien in dit troosteloze oord van verre einders.’
         Nu snoof de amazone. ‘Wat weet jij van de Vlakte? Een dag en een nacht zou ik kunnen verhalen over de eindeloze steppen, de kudden, de stormen, de jachten en de gadering. En nog zou je niets weten.’
         De jongeling ging rechtop zitten. ‘Ha! Hoe lang zou ik niet kunnen vertellen over trotse steden, vol leven en handel! Over de hooghartige adel met hun tradities en afkomst, of de burgers met hun rijkdom en weelde. Over talloze wonderen die de machtige magiërs van vroeger verrichtten. Fiere tempels die gevuld zijn met beelden en gaven, onder toezicht van nauwgezette priesters. Of het paleis van de hoogste keizer dat - naar ik heb horen verluiden - gevuld is met een onafzienbare harem vol adembenemende vrouwen.’
         Margen zweeg even en sprak toen nadenkend.
         ‘Voor dat laatste is een reis naar het verre Jhallabag eigenlijk niet noodzakelijk. Sinds ik deze streek heb betreden is al meermalen mijn adem me benomen. Helaas als gevolg van ietwat andere oorzaken dan degene die de hoogste keizer zich laat welgevallen.’
         Voorzichtig betastte hij zijn ribben en controleerde zijn geslonken builen.
         ‘Waarom waagde jij je dan eigenlijk op de Vlakte? Ben je een uitgestotene, of vlucht je voor bloedwraak? Alleen dwazen of wanhopigen durven ongenood de steppe te betreden,’ sprak Sendre Scherpzicht terwijl ze zich in gedachten een beeld probeerde te vormen van de geschetste wereld.
         Geschokt maakte Margen een ontkennend gebaar.
         ‘Natuurlijk niet! Ik... Mijn... Eens, lang, lang geleden, waren deze landen rijk en vol steden en paleizen. Dankzij enkele zeer oude kaarten uit de bibliotheek van mijn vader wist ik de ligging van die steden. Ik hoopte in de ruïnes van Zhog Actal, een stad die heksenmeester Marashud de Evenwichtige lang geleden verwoestte, verscheidene voorwerpen van grote geschiedkundige en magische waarde op te graven. Na het verkrijgen en gebruik of verkoop van deze objecten dacht ik in een zekere welstand van de geneugten van het leven te kunnen gaan genieten. Helaas mocht het niet zo zijn.’
         Margen zuchtte na deze woordenvloed.
         Zwijgend kauwde Sendre Scherpzicht op een grasstengel terwijl ze de jonge man in de kooi bekeek. Ze vond de gevangene even ongrijpbaar als een nijdige steekvlieg. Hij veranderde in een handvol tellen van een radde snoever in een klagend schaap en weer verder in een berustende krijgsvrouw die de dood tegenover zich zag. Sendre Scherpzicht vroeg zich af of hij misschien bezeten was. Margen overlegde ondertussen met zichzelf of het schijnbaar volkomen gebrek aan enige logische reactie op zijn steekspel van woorden te wijten was aan een betreurenswaardige simpelheid van geest van de donkergekrulde amazone. Haar gedrag kwam nauwelijks overeen met dat wat hij van zijn broers gewend was. Beiden staarden elkaar nadenkend aan.

     

     

    6

     

    ‘Vertel me meer over de wereld buiten de Vlakte,’ eiste Sendre Scherpzicht. ‘Waar kom je vandaan?’
         Geduldig zat de jonge amazone op haar hurken bij de kooi. Weer was Sendre met het dagelijkse maal gekomen en weer had Margen het demonstratief opzij geschoven, hoewel hij wist dat hij er later wel zijn tanden in zou zetten. Het scheen de amazone niet te deren terwijl ze de gevangene gadesloeg.
         ‘Ik ben afkomstig uit de baronie Brynze met zijn malse weiden en donkere wouden,’ begon Margen. ‘Het ligt ver in het noorden, achter de bergen.’
         ‘Het Reuzengebergte?’ viel Sendre de gevangene in rede.
         ‘Het Scantemassief, of het Reuzengebergte,’ vervolgde de jongeling ietwat getergd. Een behoorlijk gesprek voeren met het impulsieve steppenmeisje viel niet mee.
         ‘Met behulp van geheime kennis stak ik dus de bergen over. Er zijn daar vergeten passen, onbetreden sinds mensenheugenis. Ik wist ze te vinden. Na de bergen kwam ik in een land van dichte wouden. Ik voelde de aanwezigheid van halflingen, maar ze meden mij uit vrees voor mijn magie. Halflingen kunnen magie bespeuren zoals een mens de geur van een vuur. Het maakt hen onrustig en ze mijden het als ze kunnen. Maar uiteindelijk vond ik dus de ruïnes van Zhog Actal...’
         ‘De plaats der oude stenen!’
         ‘Zhog Actal dus. Eh... waar was ik? O ja. ik was net enkele dagen bezig met opgravingen toen ik op brute wijze werd ontvoerd.’
         Ongewild klonk er woede door in zijn stem.
         Sendre negeerde de uitbarsting.
         ‘Je hebt het geluk dat we een man nodig hebben,’ verklaarde ze raadselachtig. ‘Normaal worden indringers meteen gedood, of soms meegebracht voor een marteling in het kamp. Jij bent echter voorbestemd!’
         ‘Waartoe dan?’ vroeg Margen neutraal, maar met een onrustig gemoed. Hij vroeg zich af voor welk ander lot de steppenvrouwen hem bestemd hadden als het geen directe of langzame dood was.
         ‘Je hebt de eer bij onze koningin aan te liggen op het grote bed van gedroogd riet.’
         Op het gezicht van de gevangene viel een korte reeks van elkaar snel opvolgende emoties te lezen.
         ‘Je laat het klinken als een nogal sombere onderneming,’ sprak hij tenslotte. ‘Zo erg kan het ook weer niet zijn. Het hangt natuurlijk af van een aantal factoren, en gedroogd riet lijkt me een beetje kriebelig, maar verder...’
         De amazone kapte zijn woorden af. ‘Je begrijpt het niet. Arasha Windvleugel is al vele dagen dood. Het riet is bedoeld om te branden en jij zal haar op de vuurheuvel vergezellen. Samen met haar zal je opstijgen naar de Eeuwige Vlakte terwijl haar as zich weer zal voegen bij de witte as van N’ow, de eerste mens.’
         In ongeloof speurde de Margen tussen de tralies door naar tekenen van scherts op het ronde gezicht van het steppenmeisje. Die tekenen ontbraken geheel. Ze meende elk woord.
         ‘Het is walgelijk,’ bracht hij uiteindelijk uit.
         Sendre Scherpzicht knikte instemmend. ‘Zo denken velen er over. Maar jij was een geschenk van de goden. De broederstammen zijn vele dagen ver weg en plots vonden Berle Hemeloog en Fhurne de Neus jou. Daarom is besloten dat jij de doodsmaat zult zijn van Arasha Windvleugel. Man is man en bond is bond. Doden kunnen niet al te kieskeurig zijn.’
         Ondanks de bedompte hitte van de dag huiverde Margen. De brandstapel was uiteindelijk het lot van alle magiërs, maar in het algemeen hoopten ze een late en vredige dood te zijn gestorven voordat ze werden verbrand en hun resten verstrooid.
         ‘Ik... Vervloekt! Dit was niet bepaald het lot dat ik voor mijzelf in gedachten had gehad! Bezat ik mijn buidel nog maar! Dan was ik even snel verdwenen als de schaduw van een weerlicht.’
         Stil hoorde de amazone de opmerkingen van de jongeling aan en vroeg nadenkend: ‘Als je je buidel terug had, zou je dan met je tovenarij kunnen ontsnappen?’
         Meteen zweeg Margen en keek Sendre Scherpzicht onderzoekend aan. Zijn ogen gleden over het bleke gezicht, haar ruwe kledij. Hij vroeg zich af wat hij in feite te verliezen had. Niets.
         ‘Ja. Dan zou ik kunnen ontsnappen,’ sprak hij behoedzaam na enkele ogenblikken. ‘Hoezo?’
         ‘Ik kan je je buidel bezorgen, op één voorwaarde.’
         ‘Lieve dame, ik voldoe aan elke eis zolang ik mijn gruwzaam lot maar kan ontlopen!’ sprak Margen met het vuur van hoop terwijl hij met zijn handen de tralies omvatte. ‘Wat moet ik doen? De sterren plukken? De maan kussen?
    De zon doven?’
         ‘Je moet mij meenemen wanneer je verdwijnt,’ sprak de amazone onverstoorbaar, niet zichtbaar onder de indruk van de opgesomde mogelijkheden. ‘Ook ik verkies de wereld der levenden boven de Vlakte der doden. En als Arasha Windvleugel het zonder maat kan stellen, zal ze een onwillige dienstmeid ook niet missen.’
         Verbaasd maakte Margen een vragend gebaar. ‘Heb je dan ook de eer je koningin te volgen naar het dodenrijk?’
         ‘Natuurlijk,’ sprak Sendre Scherpzicht scherp en verbaasd. ‘Waarom denk je anders dat ik hier zo lang kan blijven luieren? Zij die uitverkoren zijn hebben bepaalde voorrechten, tot de verbranding.’
         ‘Je had er zelf vandoor kunnen gaan,’ stelde Margen voor, en hij beet direct daarna op zijn tong. Dit was niet het moment om zijn enige kans op ontsnapping alternatieven aan te praten.
         De amazone maakte een minachtend gebaar. ‘Waarheen? Misschien ontsnap ik twee dagen, misschien drie, misschien meer, maar nimmer voor altijd. Daarvoor is toverkracht nodig.’
         Ze blikte naar Margen.
         ‘Ik kan tovenarij bedrijven zodra ik mijn buidel heb,’ antwoordde hij. Er spookten al plannen door zijn hoofd als wilde dromen. Toen realiseerde hij zich dat bij al zijn plannen het zwartharige meisje een belangrijke rol zou spelen. Hij zou op haar moeten vertrouwen.
         ‘Waarom ben jij eigenlijk voorbeschikt voor de brandstapel? Heb je een gruwelijke misdaad op je geweten? Wat dat ook moge zijn op deze vlakte.’
         Met een fatalistisch gebaar gaf Sendre Scherpzicht haar mening weer. ‘Als je na drie gaderingen-als-vrouw nog steeds geen kind hebt gedragen, sta je niet in de gunst van de goden. Daarom kan enkel mijn dood gunstig zijn voor de stam. De oudsten hebben het zo beschikt.’
         ‘Je bent het anders niet eens met het besluit,’ merkte Margen vanuit de kooi op.
         ‘De stamoudsten kunnen verzuipen in paardendrek,’ antwoordde de amazone strijdlustig. ‘Het zijn oude tandeloze bessen, zuur van venijn.’
         Ze stond op. ‘Ik breng je je buidel, tovenaar. Wees gereed!’
         Margen, met een sprankje van voorzichtige hoop in zijn hart, knikte. Er was tenslotte weinig anders dat hij kon doen.

     

     

    7

     

    Sendre hurkte in het duister en huiverde. Ze had geen oog voor de weidse sterrenhemel die zich boven haar spande. Dit was de nacht, tijd van verloren zielen en geesten. En ze stond op het punt die geesten te verstoren!
         Haar ogen waren eindelijk gewend aan de nacht en ze kon haar bestemming zien, toch verroerde ze zich niet. Sendre voelde zich ziek van angst. Ze verlangde terug naar de tent, waar haar moeder en zusters nu in diepe slaap waren gehuld. Ze beet op haar lip.
         Teruggaan zou veiligheid bieden voor de nacht, maar het zou veiligheid zijn die tot haar dood zou leiden. Al snel zou Arasha Windvleugel branden, en zij met haar. Als ze vannacht niet doorzette, zou ze zeker sterven.
         Sendre gromde zacht voor zich uit. Misschien zou een geest vannacht haar ziel stelen, maar het maakte niet meer uit. Ze was al dood.
         De zwartharige amazone zette zich in beweging. Voorzichtig als een grote kat sloop ze tussen de tenten door totdat ze bij een tent kwam die enigszins afgezonderd stond. Het was de tent van Exay de Spreekster. Ze was de oudste vrouw ter wereld en wist alles. En deze nacht zou zij, Sendre Scherpzicht, iets moeten stelen van deze vrouw!
         Ondanks haar vastbeslotenheid, hield Sendre even voor de tent van Exay halt. Zag ze daar iets bewegen? Waren het de zielen van vervloekte krijgsvrouwen die voor eeuwig over de Vlakte zwierven omdat er niemand voor hen had gerouwd? Sendre gromde nogmaals en ging verder. Exay sliep zonder dochters. Wie zou er willen slapen bij iemand die sprak met de doden?
         De ingang van de tent was dichtgebonden maar Sendre begon met haar dolk de leren veters door te snijden. Uiteindelijk was de flap los genoeg en behoedzaam gleed Sendre naar binnen. Het was bijna volledig duister in de tent. Maar het nagloeiende vuur en het sterrenschijnsel dat binnenkwam door het rookgat was voldoende voor Sendre om te kunnen zien. Ze had haar naam niet voor niets gekregen. In een hoek lag Exay de Spreekster te slapen. Een luid gesnurk vulde de tent.
         Gehaast begon Sendre Scherpzicht de spullen van Exay te doorzoeken. Er waren vele kleine potjes en buidels waaruit vreemde geuren opstegen, maar waar was de buidel van de tovenaar? Sendre werkte zich door de spullen van Exay de Spreekster heen, maar vond niet wat ze zocht.
         Het gesnurk ging plots over in een vaag gemompel en voor een ogenblik verstarde Sendre, maar de slapende vrouw draaide zich slechts om in haar slaap.
         Toen zag Sendre de buidel van de tovenaar.
         Hij hing om de hals van Exay de Spreekster.
         Stil als de vleugelslag van een vogel kroop Sendre naar de slapende vrouw toe. Voorzichtig trok ze haar dolk.
         Met het ruwe ijzeren mes boven de slapende vrouw aarzelde Sendre. Zou ze het durven? Zou ze de buidel durven los te snijden?
         De buidel hing half over Exays schrale oude borsten en bewoog mee met iedere ademteug, alsof het iets levends was.
         Zoekend vond het mes zijn weg. Sendre lichtte met de punt van haar wapen de veter op waaraan de buidel om Exays nek zat. Of het het koude ijzer was dat even de huid van de slapende vrouw raakte, of de veter die schuurde, of iets anders, dat kwam Sendre nooit te weten, maar het resultaat was hetzelfde. Plotseling sperde Exay de Spreekster haar ogen open en een moment later schreeuwde ze.
         Met een minstens even harde schreeuw viel Sendre Scherpzicht achterover. Nog immer schreeuwend tastte Exay de Spreekster om zich heen en Sendre kroop achteruit. Ze wist nog de smeulende resten van het vuur te ontwijken, maar kwam met al haar haast tegen één van de vier tentpalen aan. Normaal zou de tentpaal tegen dat geweld wel bestand zijn geweest, maar Exay de Spreekster leefde zonder dochters. Niemand sneed haar tentpalen of verving die wanneer ze oud waren en verrot.
         De tentpaal brak met een luid gekraak en terstond begon een deel van de tent in te zakken. Terwijl Exay de Spreekster nog steeds luidkeels schreeuwde, wist Sendre Scherpzicht naar de uitgang te kruipen en naar buiten te glippen, de nacht in.

 

    8

     

    Margen werd wakker door het gekletter van ijzer tegen de spijlen van zijn kooi. Slaperig deed hij één oog open en ontdekte minstens drie paar benen. Alledrie waren ze gestoken in de dracht der amazones: losse, wijde beenflappen die van onderen waren dichtgebonden met voetlappen. Met een ruk vloog hij overeind en stootte prompt zijn hoofd tegen de bovenkant van het traliewerk. Eén van de steppenvrouwen bukte zich voorover en sloeg met een hamer en een pin het klemslot los dat Margen bebloede vingers had bezorgd in zijn pogingen het los te krijgen.
         Met wanhoop in zijn hart deinsde Margen terug en klemde zich vast aan de achterzijde van zijn kooi. De zwartharige amazone was niet gekomen met zijn instrumenten. Ze had hem verraden, verkocht met leugens om haar eigen leven te redden. Of wat nog erger was, wellicht had ze een wreed spel met hem gespeeld en stond ze nu lachend bij de brandstapel te wachten, terwijl ze iedereen vertelde over de goede grap die ze met de gevangene had uitgehaald. Margens gedachten raasden rond als bladeren in de stormwind.
         Ondertussen grepen de vrouwen hem bij zijn benen. Margen stribbelde zo veel mogelijk tegen. Hij schopte met zijn stevige laarzen naar hun handen en omhelsde met zijn armen en vingers de grove ijzeren tralies alsof zij redding konden bieden. Zijn verzet werd echter gebroken toen één van de amazones met haar bijlsteel door de tralies enkele malen tegen Margens hoofd stootte. Zonder woorden sleepten de vrouwen de jongeling uit de kooi en boeiden hem stevig met enkele oude riemen.
         Met een duizelig hoofd kwam Margen ondertussen weer bij en direct begon hij weer te worstelen. Nu was zijn hoofd slechts nog gevuld met gedachten aan de gruwelijke vlammen die aan zijn lichaam zouden vreten. Nogmaals werd zijn panische geworstel beloond met de slag van de bijlsteel, en met tollend hoofd zakte Margen tussen de armen van twee amazones ineen.
         Zonder scrupules sleepten de vrouwen hem mee. Het kamp was grotendeels verlaten. Buiten een enkele geit en hier en daar een blaffende hond ontbrak ieder spoor van de bewoners. Margen ontdekte de oorzaak van de algemene verlatenheid toen ze buiten het tentendorp gekomen waren. Aan de kop van een reeks lage groene grafheuvels, niet al te ver van de vennen, was een forse brandstapel opgericht waaromheen de voltallige kampbevolking zich had verzameld.
         De brandstapel was een enorme mat van riet die oprees tot borsthoogte. Nog net zichtbaar op de stapel lag tussen de nauwkeurig geplaatste schalen met voedsel, wapens, zadels, trofeeën en andere eretekenen, het lijk van een lange vrouw. Een leren doodsmasker bedekte haar gezicht en ze was gehuld in een fraai linnen doodskleed. Aan haar voeten lag het zwaar verminkte karkas van een paard waarboven vliegen zoemend hun vreugde uitten.
         Op een staak was de kop van een voor Margen onbekend monster gespietst. De bek was vertrokken in een laatste, eeuwige grauw. De kop zag er gehavend uit en miste een oog.
         Ergens aan de rand van al de uitgestalde weelde lag Sendre Scherpzicht. Ze droeg iets wat blijkbaar haar beste uitrusting was, compleet met boog en dichtgesnoerde pijlkoker en een in doek gewikkelde bijl. Verder was ze echter zo stevig gebonden als de beurs van een geldschieter. Naast haar stond een paard, volledig bepakt, geblinddoekt en vastgezet aan een staak die uit het riet stak. Blijkbaar hielden de amazones er weinig illusies op na over de vrijwilligheid van Arasha’s metgezellen.
         Zonder verder tijd te verspillen zwaaiden de twee bewaaksters de slappe Margen op de stapel. Na de zachte landing rolde hij nog even door en kwam op een armlengte van de stampende hoeven van het steppenpaard tot stilstand.
         Met een gevoel van hulpeloosheid keek Sendre Scherpzicht naar de dofblonde man die kreunend naast haar lag. Had ze daarvan redding verwacht? Ze had er beter aan gedaan haar kansen op de Vlakte te wagen.
         Margen kwam met knipperende ogen en een bonkend hoofd bij zinnen. Zwijgend staarde Sendre hem aan.
         ‘Goden! Mijn hoofd!’ kreunde Margen terwijl hij tevergeefs met zijn riemen worstelde. Het enige gevolg was dat het leer zich dieper in zijn vlees sneed. Sendre zweeg alleen maar. Ze had niets meer te zeggen. Ze was dood.
         Margen keek op naar de jonge amazone.
         ‘Heb je mijn buidel?’ vroeg hij na enige ogenblikken.
         Haar zwijgen en afwezige blik vertelde hem genoeg, en opnieuw kreunde Margen. Alles was verloren. Hij zou sterven. Naamloos sterven in een barbaars land door de hand van wilden. Nooit zou hij de wereld zien, nooit zou hij de vruchten van het leven kunnen plukken, nooit zou hij weten of leren. Margen weende. Hij weende om alle gemiste kansen, alle paden die hij nooit gelopen had.
         Exay de Spreekster verhief haar stem en begon te zingen.
         Met moeite richtte Sendre zich enigszins op en keek om zich heen. Haar stamgenoten - vreemden nu - hadden zich voltallig rond de enorme brandstapel verzameld. Al hun aandacht was gericht op de oude vrouw die over de daden van Arasha Windvleugel zong. Ze zong over haar Arasha’s jeugd, over haar naamgeving. Ze zong over haar verrichtingen in de krijg en de jacht, over gaderingen, seizoenen, opmerkelijke daden. Exay de Spreekster noemde Arasha’s dochters, één voor één. De oude vrouw zong over de wijsheid van de dode koningin en haar kracht. Als laatste zong Exay de Spreekster over het land waarheen Arasha Windvleugel zou vertrekken: de Grote Vlakte, waar het wild overvloedig was en de weidegronden weelderig. Daar waarden de dapperen rond, diegenen waarvoor velen rouwden. Daarom moest er gerouwd worden voor Arasha Windvleugel. Omdat ze een groot en wijs leidster was en omdat ze op de Grote Vlakte haar volk zou beschermen.
         Het lied was ten einde.
         Exay de Spreekster liep om de brede brandstapel heen. Ondertussen stak ze op zorgvuldig gekozen plaatsen een fakkel in de bossen riet. Het riet, kort geleden gesneden en alles behalve kurkdroog, vatte slechts moeizaam vlam en veroorzaakte dikke wolken versluierende rook. Uit vele kelen klonk luid gejammer en geweeklaag toen de amazones rouwden om de dood van Arasha Windvleugel.
         Terwijl de eerste vlammen knetterend tot leven kwamen stond Exay de Spreekster stil voor de brandstapel en hief haar armen ten hemel.
         ‘In de eerste dagen was er enkel chaos. Ramer Hemeldrager kneedde de eerste vrouwen en mannen uit de witte as van de vuren van chaos. Het was een tijd van geluk en overvloed. Maar toen kwam de Vernietiger en hij was jaloers op de goden. In de strijd die volgde verwoestte hij bijna met zijn boze magie de wereld. Maar de goden en de goede mensen wonnen en zij doodden de Vernietiger. Maar nog zijn er dingen op deze wereld die afkomstig zijn van de Vernietiger: monsters en duistere zaken. Arasha Windvleugel stierf door één van de monsters. Wij hebben het gedood.’
         Een gejuich klonk op uit de menigte maar Exay de Spreekster sprak snel met schelle stem verder. Ze was nog niet klaar.
         ‘Vannacht bezocht een demon mij, een geest, een dwalende dode gebonden door magie. Ik worstelde en ik won. De demon kreeg niet waarvoor het kwam, dit hier!’
         Exay de Spreekster hiel de buidel van Margen omhoog.
         ‘Hierin zit magie. Magie van de man die niet van ons volk is! Het moet vernietigd worden, zodat het geen kwaad meer kan doen! En daarom werp ik het in het vuur!’
         Onder luide bijval wierp Exay de Spreekster de buidel op de manshoge brandstapel die voornamelijk dikke golven vuilwitte rook voortbracht.

     

     

    (c) 2007 Verschijnsel en Jaap Boekestein. Nadruk en verdere verspreiding verboden.

     


Terug

Contacteer Verschijnsel

(c) 2010 Verschijnsel vzw en de diverse auteurs

illustratie Verschijnsel-toren (c) 2008 Tais Teng