Proloog
Het eiland was ontstaan rond de resten van een oud ruimteschip: een kale metalen heuvel die langzaam omlaag glooide naar een ijzige zee. Waar het metaal in de golven verdween was in de loop der eeuwen een eenvoudig geel strand ontstaan.
Kevn sprong uit de boot en plantte zijn voeten in het mulle zand. ‘Tiver,’ zei hij. ‘Touw.’ Met een intense krachtsinspanning trok hij de boot verder naar het strand. ‘Zo is het goed,’ zei hij. ‘Kom er maar uit.’
De twee opvarenden stonden behoedzaam op en klauterden over het dolboord. ‘Die boot hebben we niet meer nodig,’ zei Tiver. Hij gaf een trap tegen het vermolmde hout.
Kevn schudde zijn hoofd. ‘Niet doen... Je weet maar nooit.’ Hij keek om zich heen. ‘Wat een naargeestige omgeving.’
Het ruimteschip was een heuvel van staal in onwezenlijke vormen; een verweerde hefarm stak onder een vreemde hoek naar de hemel. Eens moest het enorm zijn geweest: glanzend gepolijst en nieuw, ronkend van gebreidelde energie. Nu was het slechts een troosteloos wrak, grotendeels begraven onder zand en zee. Alleen de afmetingen waren gebleven.
De ijzige wind floot in vlagen over de heuvel en voerde wolken ijskristallen met zich mee.
Tiver snoof. ‘Wat had je dan verwacht? Een paleis? Landschapstuinen?’
‘Voor een wezen dat een halve planeet beheerst? Zoiets, ja. Dit is een anticlimax.’ Kevn wees naar de top van de heuvel. ‘Daar moet de Observator zich ophouden. Laten we gaan.’
‘We staan hier toch maar te bevriezen,’ knikte Tiver. ‘Jommy, kom je?’ Hij keek om. ‘Dan niet.’
Kevn schudde zijn hoofd. ‘Je zou hem kunnen helpen.’
‘Hij zorgt maar voor zichzelf.’
Jommy stond gebogen op het zand. Blond haar hing in ongewassen slierten voor zijn ogen. In zijn linkerhand klemde hij een houten stok.
Kevn beet op zijn lip. ‘Je bent zelf uit de boot geklommen. Moet ik je nu dragen?’
Hoe lang was het geleden dat hij de oude Jommy had gezien? Zijn jongste broer met de fluwelen ogen, de Jommy die was als een klein vlug dier met zacht bont? Die Jommy was verdwenen; verdwaald ergens binnen dit fletse wezen met de levenloze ogen.
Een vonkje bewustzijn daagde op Jommy’s gezicht, als een zonnestraal die door een wolk breekt. ‘Nee,’ mompelde hij. ‘Ik kan wel...’ Zijn linker voet gleed naar voren, toen zijn rechter. De houten stok boog door onder zijn gewicht.
Kevn legde een hand op zijn schouder. ‘Rustig aan. We komen er wel.’
Bij de top van de heuvel gloeide een purperen licht langzaam op, alsof het de duisternis met moeite verdrong. Het scheen tegen de onderzijde van de wolken en plotseling leek de hemel al evenzeer een watervlakte als de onafzienbare zee rondom hen: paarse golven op zwarte vloeistof.
De kille wind ging plotseling liggen.
‘Hij weet dat we hier zijn,’ zei Tiver ongedurig.
‘Vanzelfsprekend,’ antwoordde Kevn. ‘Hij is de Observator.’
De stede van de Observator prijkte aan het uiteinde van de hefarm: een kubus van donkerpaarse lichtvlakken die waren gevat in stijlen van wit metaal.
‘Daar komen we nooit bij,’ zei Tiver. ‘Jommy al helemaal niet. We kunnen misschien langs de arm klimmen en...’
Een luide klik sneed door de stilte.
De hefarm scharnierde; de kubus daalde in een gezapig tempo naar de grond. Tiver deed twee passen naar achteren. ‘Hij weet wat we zeggen.’
De kubus kwam een halve meter boven het zand tot stilstand. Kevn trad er voorzichtig op toe. De buitenzijde bevatte geen deuren, maar... Hij stak een hand uit om het oppervlak te voelen.
Zijn vingers gleden zonder enige weerstand naar binnen.
‘Het is alleen maar licht.’ Hij zette een voet op de onderste stijl van de kubus, greep een verticale staander en hees zichzelf naar binnen.
De ruimte was nauwelijks vier bij vier meter. In het midden rustte een matte gele bol op een statief van glazen staven.
Tiver kwam achter hem de kubus binnen. Hij keek om zich heen. ‘Er is hier niets,’ zei hij. ‘Zie je wel!’ Zijn mond schokte. In het licht van de kubus leek zijn gezicht een mombakkes, een waanzinnig masker van schuine vlakken en duisternis. ‘Niets!’
Kevn keek naar de grond. Het had er alle schijn van. Hij besefte nu pas dat hij onderbewust toch een mens had verwacht, een oude man of misschien een glanzend gewassen bureaucraat.
Hij schudde zijn hoofd. Onder geen beding! Hij had voorbeelden gezien van de macht van de Observator; er moest iets zijn - of iemand! Hij raakte de gele bol aan.
Een rode vonk kraakte, danste wild heen en weer tussen de bol en zijn vingertoppen. De stank van ozon sneed door de kubus. Schielijk trok hij zijn hand terug.
De bol spleet open als een lelie van glas. Gele rook stroomde naar buiten, over de vloer. Het voelde koud aan op zijn schoenen.
Een galmende stilte viel over de kubus.
‘De Observator is hier,’ vermeldde een droge niet-menselijke stem.
Kevn stond als aan de grond genageld. Jommy stond er verwezen bij en staarde vaag in het niets.
De gele rook draaide langzaam rond het statief, als de armen van een spiraalvormige melkweg. Toen gleed ze langs de glazen spijlen omhoog en nestelde zich rond de open bol.
‘Maak uw wensen bekend,’ zei de stem. ‘Vermeld helder en duidelijk wat u wilt.’
Kevn schraapte zijn keel. Ooit had zijn doel hem duidelijk voor ogen gestaan; maar nu? Wat wilde hij? Erger nog, wat wilden Tiver en Jommy? Kon hij voor alle drie spreken? Hij sloot zijn ogen.
Beelden van de reis gleden door zijn herinnering: mensen en niet-mensen, het gruwelijke aangezicht van de... Hij zuchtte. Er was zoveel dat hij wilde, zoveel dat hij niet had! Weg van deze wereld? Een ander leven, een tweede kans? Gerechtigheid?
‘Dat ligt erg gecompliceerd,’ zei hij. ‘Het is een heel verhaal.’
‘Vertel het,’ beval de Observator. ‘Vanaf het begin.’
Kevn aarzelde. ‘Hier?’
‘Waar anders?’ De stem was volledig verstoken van emoties.
‘Goed dan.’ Kevn keek naar zijn twee broers. Tiver stond met geklemde kaken naar de bol te staren. Jommy had zich weer teruggetrokken; zijn mond hing half open.
‘Ik zal u alles vertellen.’ Zweet droop langs zijn voorhoofd en over zijn wangen. Hij wiste het weg. Er waren twee verhalen, bedacht hij. Enerzijds wat er werkelijk gebeurd was; anderzijds het verhaal dat dit wezen mocht horen. Het zou moeite kosten ze uit elkaar te houden...
Hij schraapte zijn keel.
Hoofdstuk 1
De planeet hield voortdurend dezelfde zijde naar haar zon gekeerd. Ze bezat één halfrond vol eeuwig duister; en één kant waar de zon nooit onderging. Alleen op de scheidslijn was leven mogelijk. Het klampte zich precair aan het bestaan, voedde zich met schaarse mossen en gras, en af en toe een prooidier.
Op de grens van licht en duisternis lag de stormgrens. Hij woedde rond de evenaar als een ranselende cirkel van wind en regen, een kilometershoge muur van grijze wolken waar af en toe een felle bliksemschicht doorheen trok. Overal ter wereld vormde hij het symbool van dood en vergankelijk-heid. Wie het leven moe was reisde naar de onderzijde van de muur en liet zich meevoeren. De lichamen van overledenen werden met tientallen in grote katapulten geschept en in het bovenste deel van de muur geworpen.
Kevn Ghiery keek over zijn schouder naar de massa bruine, groene en grijze bouwwerken die tezamen de stad Arden vormden. Het waren vertrouwde vormen: de hoge smalle gevels van de badhuizen, de ranke woontorens, de glimmende natte daken. Helemaal in het midden prijkte de toren van het Iodon, waar de regering zetelde.
Achter de stad, zichtbaar als veelkleurige vegen aan weerszijden, begonnen de vlakten. Nabij de stormmuur waren ze rijk en groen; maar verder van de stad kregen bruine en grijze plekken de overhand. Nog verderop prijkten dode bomen, poelen vol verdroogde modder. Daarna volgde de Iveb Woestijn, een beenderwitte vlakte waar niets leefde behalve serpenten en flapgras.
En nog verder weg, ver voorbij zelfs de uiterste uitlopers van de dorre woestenij...
De berg heette Peraq Tora. Hij proclameerde zijn naam door haar te projecteren op de gouden wolk die boven de top zweefde. Het was een luisterrijk gezicht, rijk en begeerlijk als de belofte van een zomerdag. En waar de stormmuur voor de dood stond, vertegenwoordigde Peraq Tora het leven.
Niet iedereen had toegang tot Peraq Tora; daar was rijkdom voor nodig, en status en macht... Op Peraq Tora huisden alleen zij die zich dat konden veroorloven.
De berghellingen waren verdeeld in tien terrassen. Van deze afstand waren de details niet te onderscheiden; maar Kevn nam aan dat elk ervan was gescheiden in tientallen, misschien honderden landerijen, ieder met zijn eigen monumentale herenhuis.
Tegen het zonlicht in tuurde hij naar de schitterende, pastelkleurige flanken van de berg.
‘Kevn Ghiery?’
Hij keek over zijn schouder, draaide zich om.
De man was enorm lang; zijn krullende blonde haar viel als een waterval over de schouders van zijn donkere jekker. Zijn schouders waren immens. Zelfs zijn dikke gele wenkbrauwen rustten op richels van spierweefsel. Rond zijn mond speelde een beweeglijke grijns.
Kevn keek de vreemdeling scherp aan. ‘Wat wilt u?’ Hij dacht dat hij iedereen in de stad kende - maar deze man had hij nog nooit gezien.
De man vouwde zijn dikke armen. Zijn vingers waren lang en spits, en leken geschikt voor zelfs het fijnste werk. ‘Ik wil met u spreken,’ zei hij, en stak zijn rechter hand uit.
Kevn negeerde het vriendschappelijke gebaar. ‘Ik ken u niet. Weet u zeker dat u niet een van mijn broers moet hebben?’
‘Absoluut.’ De man knikte beslist. Hij nam een boekje uit zijn rechter jaszak en sloeg het open. ‘Jommy Ghiery, Tiver Ghiery.’ Hij keek Kevn aan. ‘Ik heb hen al gesproken.’
Kevn hield zijn hoofd scheef. ‘En wat wilt u bespreken?’
‘Aha.’ De man vouwde zijn handen voor zijn borst en begon heen en weer te benen over het oneffen honingraatplaveisel. Af en toe wierp hij een blik op de onbeweeglijke Kevn.
‘Peraq Tora,’ zei hij plotseling.
De ogen van de lange man, zag Kevn opeens, waren grijs, de kleur van de stormmuur. Het was alsof hij door het hoofd van de ander heen kon zien, naar het rukken en schuiven van de wolken...
De man stond stil, zijn handen op zijn rug. ‘Iedereen wil naar Peraq Tora. Maar slechts weinigen vinden de weg.’
Kevn knikte. Zoals iedereen in Arden was hij in zijn jeugd diverse malen bijna aan de voet van de stormmuur geweest; en ook eenmaal bij de eerste voetheuvels van Peraq Tora. ‘De toegang wordt door beesten bewaakt,’ zei hij. ‘Ik heb luipaarden ontmoet. Wie hen passeert, wordt aangevallen door leeuwen. Wie de leeuwen overwint, krijgt met hongerende wolven te maken. Niemand belandt zelfs maar op de eerste rondgang zonder een uitnodiging.’ Hij maakte een geringschattend gebaar. ‘Alleen de allerbesten worden genodigd. Ik koester weinig hoop.’
‘Ik breng zo’n uitnodiging,’ zei de lange man. ‘Voor u en uw broers.’
Kevn slikte moeilijk. Was deze man losgeslagen van de werkelijkheid? Hij tuurde van onder zijn wenkbrauwen naar de rechte neus, de grijnzende mond, de flonkerende ogen die hem op hun beurt schattend opnamen. Nee, hier heerste geen waanzin. Maar wat dan wel?
‘Wees gewaarschuwd,’ zei de man. Een dikke blonde krul viel over zijn voorhoofd. Hij wees naar de muur van stormen. ‘De weg naar Peraq Tora leidt daarlangs.’
Kevn voelde zijn maag wegzinken, een nare zieke emotie, het verloren gaan van de laatste hoop. ‘Dat kan niet,’ zei hij bruusk. ‘Wie de muur passeert komt nooit meer terug.’
‘Dat klopt.’ De man stapte dichter naar hem toe. ‘Maar ik kan u garanderen dat het niet is omdat de dood ze daar overvalt. De muur is wel degelijk doordringbaar - op een aantal plaatsen zelfs erg gemakkelijk. Bovendien...’ Hij hief een hand. ‘Wat gebeurt er met degene die hier blijft? Vertel me hoe u leeft.’
Een wolk trok over de zon.
Kevn zuchtte; zijn tong kleefde aan zijn verhemelte. Moest hij deze man zijn klachten voorleggen? Hij haalde zijn schouders op; de problemen waren hem toch al boven het hoofd gegroeid. Misschien kon iemand anders er iets mee.
‘Iedereen om wie ik gaf is dood,’ zei hij. De woorden boden hem een onverhoopt gevoel van opluchting. Dit had hem al die tijd ontbroken: iemand om het hele verhaal aan uit te leggen.
‘Bator Guiz is de stormmuur ingelopen,’ zei hij. ‘Hij was de grote liefde van mijn jeugd. Maar hij is al jaren dood.’ Zijn schouders schokten. ‘En vorige week stierf Anders Neive.’
Hij wees naar de lichtende berg. ‘Hun werk, hun wensen, hun hele leven was gericht op het bemachtigen van een uitnodiging voor Peraq Tora. Maar al met al verdienden ze nauwelijks voldoende schijven om zichzelf in leven te houden. En nu komt u er mij een aanbieden!’ Hij knarste met zijn tanden. ‘De arbeid is ondankbaar en het voedsel is schaars. Ik werk tien uur per dag en heb net voldoende voor mezelf.’
‘Is dat alles?’ vroeg de lange man.
Intuïtief wist Kevn dat de woorden niet bedoeld waren om zijn zorgen te kleineren. ‘Nee,’ zei hij zacht. ‘Er is nog veel meer. Twee dagen geleden...’ Hij zuchtte. ‘Nog geen vijftien jaar geleden leefden er mensen op negen bekende werelden, geen van alle ver van hier. En twee dagen geleden werden alle contacten met Arelay verbroken. Dat betekent dat dit de laatste wereld is... Misschien zijn wij wel de laatste mensen in het universum.’ Hij rilde. ‘De gedachte alleen al is een verschrikking.’
‘Ik begrijp het,’ zei de ander. ‘Over het voedsel... U verbouwt uw eigen levensmiddelen?’
‘En ons eigen vlas,’ beaamde Kevn. ‘We fokken een speciale vurctel die een vacht van dikke witte wol heeft, vooropgesteld dat hij voldoende schoon water krijgt en we het onkruid rond zijn stam weghouden.’
Hij wees op de vlakten voorbij de stad. ‘Het wordt allemaal steeds moeilijker. De donkere zijde van de wereld is verhuurd aan een serie niet-menselijke soorten. Het was noodzakelijk om de begroting sluitend te krijgen. Maar hun aanwezigheid heeft nadelen....’ Hij wees naar een bol van grauwe damp doorschoten met flitsende witte vonkjes. ‘Ze produceren gassen die de lucht vervuilen. Daar ziet u een roofwolk; die omhult een vurctel en vreet alle wol er af. Wat hij ermee doet weten we niet. En daarnaast vergiftigt hun afval het land en het water... Er drijven ontstellende dingen in de rivier.’
‘U zag liever dat ze vertrokken.’
Kevn knikte vol overtuiging. ‘Jazeker!’
‘Hun aanwezigheid levert geld op.’
Kevn maakte een nijdig gebaar. ‘Dat is alleen vandaag. Datzelfde geld betekent dat we over één, twee generaties geen wereld meer hebben om op te leven.’
De ander knikte langzaam. ‘Ik doe u een voorstel,’ zei hij. ‘Binnenkort reis ik af naar de duistere zijde van de planeet. Als u meegaat krijgt u niet alleen de toegang tot Peraq Tora, maar vindt u misschien een methode om de daden van de anderlingen teniet te doen.’
Kevn staarde de ander met brandende ogen aan.
‘Wat heeft u hier nog?’ pleitte de lange blonde man. Zijn haren dansten tegen de witbewolkte hemel. ‘U bent wanhopig.’ Hij wees naar de stormmuur. ‘Alle kansen liggen daar.’
‘Of de dood.’
‘Inderdaad. Maar u kunt de keuze ook van de andere zijde bezien. U kunt uw lot in eigen handen nemen. Of u kunt hier blijven, en geleefd worden. Begrijpt u? Alleen wie hier blijft, verliest.’
Die logica kon Kevn niet weerleggen. Hij dacht aan het werk op de landerijen, het vergaren van mossen, de zure groentes en het bruine water met de bittere nasmaak. Wat moest hij doen? In verwarring stak hij zijn linker wijsvinger in zijn mond en beet er op. ‘Wat hebben mijn broers gezegd?’
‘Ze gaan mee. Maar alleen op voorwaarde dat u ook gaat.’
Kevn zuchtte. ‘Wat u me voorspiegelt is te mooi om waar te zijn. Maar ik wil u een ding vragen.’ Hij keek de ander scherp aan. ‘Wat de uitnodiging betreft... Waarom ik? Er zijn honderd anderen die hem meer verdienen.’
De lange man keek hem vanuit de hoogte aan. ‘Hebt u zo’n hekel aan uzelf dat u deze gunst zou weigeren? Omdat u zelf vindt dat u hem niet waard bent?’
Kevn zweeg geschrokken. De ander had gelijk, besefte hij. Maar hij was het inderdaad niet waard... Hij schudde zijn hoofd. Nee, nee!
Hij rechtte zijn rug. ‘Ik neem de uitnodiging aan,’ zei hij. ‘Ik moet wel. Misschien bedriegt u me; ik weet het niet. Maar alles is beter dan hier blijven en dus neem ik de kans.’ Hij stak zijn hand uit. ‘Ik ga mee.’
‘Mijn naam is Rosetti,’ verklaarde de ander.
‘Waar zal ik u ontmoeten?’
‘Morgen in de ochtend,’ antwoordde Rosetti. ‘In de zandhaven.’
Kevn knikte. De ander schudde zijn uitgestoken hand.
Kevn keek de lange blonde man na totdat hij uit het gezicht verdween tussen de eerste lage gebouwen van Arden. Opeens voelde hij zich eenzaam. Maar het was niet de eenzaamheid van de leegte en het verlies; die had hij gevoeld na Anders’ dood. Wat hij nu voelde was de eenzaamheid van een relatie waarvan een partner tijdelijk afwezig was.
Hij schudde zijn hoofd en wreef bedachtzaam met zijn linker hand over zijn gezicht. ‘Waarom?’ mompelde hij. ‘Waarom moet ik me in een waanzinnig avontuur storten?’
Hij keek om, hoewel hij wist dat Rosetti al was verdwenen.
Een bank van vette bruine wolken trok vanuit de stormmuur over Arden. De gefilterde zonnestralen baadden de stad in een diep, honingkleurig licht dat alle kleuren deed gloeien met een innerlijke rijkdom.
Glimlachend schudde hij zijn hoofd. Zijn temperament was altijd gelijkmatig geweest; hij voelde zich al bezwaard als hij bij het mosgaren gedwongen werd om van zijn normale route af te wijken. Waarom omhelsde hij dan toch het avontuur?
Hij had twee redenen al tegenover Rosetti aangegeven: de dood van Anders, het verbreken van de verbindingen met Arelay.
De dood van Anders Neive was zonder meer de ergste van de twee. Al dagen stond hij hier op het uitkijkplatform van Arden en poogde met zichzelf in het reine te komen. Maar hij was nog geen stap verder; integen-deel, het zien van de kolkende stormmuur maakte de herinneringen heftiger, de eenzaamheid groter en nijpender.
Hij kneep zijn ogen dicht. ‘s Nachts sliep hij diep en droomloos; in de ochtend rook hij Anders’ haar naast zich. Dan begon zijn hart te bonken en draaide hij zich koortsig om... De leegte van het bed overviel hem elke keer weer als een lawine van vergruizeld ijs.
Ooit, besefte hij, was de mens op een enkele wereld ontstaan: de eerste mensenplaneet. Maar hadden de bewoners daarvan zich ook zo nutteloos gevoeld, zo overweldigd door de eindeloze leegte en eenzaamheid?
En dus? Hij zuchtte. Was dit de reden dat hij het onbekende omarmde? De stormmuur fascineerde hem, trok zijn blik als een potente magneet. Maar zocht hij er de geest van Anders Neive - of zocht hij zelf de dood?
Hij leunde met zijn rug tegen de balustrade, zijn handen tot vuisten gebald. Rosetti... Een diep gewortelde intuïtie vertelde hem dat de lange blonde man te vertrouwen was.
Of was ook dat een illusie, opgewekt doordat er zojuist voor het eerst sinds Anders’ dood iemand naar hem had geluisterd zonder zijn ervaringen te niet te doen, zijn pijn te kleineren?
Misschien was dat wel zo, besliste hij. Maar wie zo tegen de gebeurtenissen van het leven aankeek kwam nooit meer tot handelen. Er was maar één manier om te ontsnappen aan de hele brandende, martelende vraag.
‘Morgen in de haven, Rosetti.’ Hij klemde zijn kaken op elkaar. ‘Ik zal er zijn.’
Hij wandelde naar huis door de bejaarde straten van de oude stad; over de oneffen marmeren platen van de esplanade, naar het kleine appartement dat hij zijn thuis noemde. De hele omgeving, totaal vertrouwd doordat hij er dertig jaar had gewoond, kwam hem nu vagelijk vreemd voor. En plotseling besefte hij het: morgen zou hij de stad verlaten, voor de eerste keer van zijn leven.
Zou hij haar ooit terugzien?
Wilde hij dat?
De volgende ochtend was de stad koel en smoezelig en bedauwd, een oude lap die op het punt stond te worden weggeworpen. De hemel was helder en wolkenloos; in het zenit prijkten de laatste sterren van de vroege ochtend.
Die heldere ster, bijna direct boven zijn hoofd, bescheen de wereld Arelay. Kevn kon niet nalaten zich af te vragen wat daar gebeurd was. Een ramp, een hongersnood? Een aanval door anderlingen? Hij zou het nooit weten; en de regering weigerde er een ruimteschip heen te sturen.
De haven van Arden bestond uit een serie hoge zwartgeschilderde pakhuizen met ramen van geribbeld oranje glas. Temidden van de oude keten en schuren prijkte een enkele kade met net voldoende ruimte voor vijf of zes zandschepen.
Al sinds enkele jaren was de haven in onbruik. Een tijdlang had hij nog dienst gedaan als aanlegpunt voor de pleziervaart. Maar sinds er meer en meer onthutsende dingen uit het zand opdoken, was ook die laatste bestemming verfletst. Nu heerste hier slechts stilte.
Aan het begin van de kade prijkte een dikke pol flapgras. De dunne witte bladeren sloegen om in de wind, als een boek dat achteloos was achtergelaten.
In een opwelling trok Kevn een stift uit zijn borstzak, en kraste enkele woorden op het voorste blad: ‘Tiver Ghiery, vertrokken uit eigen vrije wil.’
Er stonden meer aantekeningen op de bladeren, zag hij. Sommige waren zelfs gedateerd; ze stamden alle uit de nadagen van de haven.
Hij stond op.
Aan het verste uiteinde van de kade lag een enkele boot, een eigenaardig vaartuig vervaardigd van een helder materiaal dat spiegelde in het zonlicht. De boot van Rosetti; een andere was er niet.
Net toen Kevn de schuit naderde verscheen de blonde man aan dek. ‘Kevn!’ riep hij. ‘Tiver en Jommy zijn er al. Kom aan boord, dan vertrekken we.’
‘Nu direct?’
‘Waar wil je op wachten?’ riep Rosetti. Hij spreidde zijn handen. ‘Je hebt vandaag toch geen afspraken meer?’
‘Natuurlijk niet,’ zei Kevn.
‘Kom binnen dan,’ maande Rosetti. ‘Er is soep en vlees. Terwijl jullie eten heb ik nog een paar dingen te vertellen.Daarna vertrekken we.’
‘Voorbij de stormmuur,’ zei Rosetti, ‘liggen de rijken van tien niet-menselijke soorten. Ik kan je de namen noemen - maar ze zullen je niets zeggen en ik wacht liever totdat we ze ontmoeten.’
‘Leven ze allemaal samen?’ vroeg Tiver.
‘Absoluut niet,’ zei Rosetti. ‘Sommigen zijn traditioneel elkanders doodsvijanden, zoals de Virctor en de Farinata.’ Hij beschreef een kring met zijn linkerhand. ‘De anderlingen wonen in tien cirkels, steeds iets dichter bij de pool. Bijna direct achter de muur begint het territorium van de Virctor. Bij de pool zijn duisternis en koude zo intens dat ze de hitte van de kunstmatige zon weerstaan. Daar wonen de Curina. En helemaal in het midden, direct onder de zon, prijkt de woonstede van de Observator.’
Hij keek zijn passagiers aan. Kevn en Tiver vormden een tweeling, lang en pezig. Hun haar was donker, hun groenbruine ogen werden overhuifd door duistere wenkbrauwen als donderwolken. Hun getaande gezichten waren nauwelijks van elkaar te onderscheiden, hoewel Tivers kaken een spanning schenen uit te dragen die bij Kevn ontbrak.
De derde broer, Jommy, was vier jaar jonger dan de andere twee, klein maar sterk gebouwd. Hij had stevige ronde ledematen, grijze ogen en haar zo blond dat het bijna wit leek. Zijn humeur was altijd uitstekend en zijn glimlach verlichtte de omgeving als een plotse zonnestraal.
‘Op geen enkele andere wereld wonen tien verschillende rassen tezamen,’ verklaarde Rosetti. ‘Daarom staat de planeet onder jurisdictie van een Observator. Hij spreekt recht, slecht grensgeschillen, bevordert eerlijke handel en ziet er op toe dat geen van de rassen zich buitenmatig verrijkt ten koste van een ander. Hij beschikt over immense macht, maar gebruikt die zelden.’
‘Hm,’ gromde Tiver. ‘En de vervuiling? Ons deel van de wereld wordt langzaam onleefbaar! Waarom doet die Observator daar niets aan?’
‘De Observator is niet zelf op zoek naar informatie,’ doceerde Rosetti. ‘Hij wacht tot iemand een klacht indient. En dat heeft niemand nog gedaan.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Een klacht jaagt misschien de anderlingen weg. Hoe krijgen de mensen dan de begroting nog sluitend?’
Tiver stond op om hem van repliek te dienen. Zijn gezicht was vertrokken van woede.
Kevn zuchtte. ‘Nee, Tiver! We hebben het hier honderd keer over gehad. Ik weet zeker dat je Rosetti je meningen als eens hebt uiteengezet. Doe het alsjeblieft niet nog eens.’
Tiver ging zitten. Nors zei hij: ‘Als we geen klacht indienen zijn we over dertig jaar dood aan de vervuiling.’ Hij gromde. ‘Waarom ziet niemand het gevaar? Ik schreeuw al twee jaar moord en brand en niemand luistert. Jullie beginnen pas te handelen als het te laat is!’
‘Als we de klacht wel indienen,’ zei Kevn strak, ‘stort de economie in; dan sterft de beschaving en zijn we alsnog over dertig jaar allemaal dood.’
‘Ach! Welke van de twee heb je liever?’ Tiver wendde zich knarsetandend af. Uiteindelijk zei hij: ‘Enerzijds heb je gelijk. Het is een vraagstuk zonder oplossing - de vraag zelf is verkeerd. Maar ik weiger mijn eigen dood gelijkmoedig in de ogen te zien. Ik zal vechten tot de laatste seconde.’
Jommy grijnsde. ‘Hou nou eens op met die pessimistische onzin. Daar komen we niet verder mee.’ Hij keek Rosetti aan. ‘Hoe geraken we voorbij de stormmuur? Volgens mij is hij ondoordringbaar.’
‘Allesbehalve!’ zei Rosetti. ‘De toegang wordt aan niemand ontzegd.’ Hij keek de drie mannen vanonder zijn blonde wenkbrauwen aan. ‘De passage door de stormmuur is het eenvoudigste deel van de reis. De territoria van de anderlingen zijn veel moeilijker. Maar wie Peraq Tora wil bereiken zal de hele reis moeten afleggen.’
‘Wanneer vertrekken we?’
‘Nu.’ Rosetti keek verwachtingsvol in het rond. ‘Als jullie nog altijd meewillen.’
Stilte viel over de kajuit.
Tiver was de eerste die knikte. Na een korte aarzeling volgde Jommy.
‘En jij, Kevn?’
Dit was het keerpunt, dacht Kevn. De sprong in het duister. Hij knikte.
‘Uitstekend,’ zei Rosetti. ‘Een laatste waarschuwing. Achter de stormmuur vinden we tien soorten, elk met zijn eigen verhouding met de mensheid. In al die territoria vinden we mensen.’ Hij keek naar het plafond van de kajuit. ‘Als je een territorium vindt waar je je thuisvoelt, kun je daar achterblijven. Er zullen mensen zijn, en genoeg te eten.’
‘Aanlokkelijk,’ zei Jommy. ‘Maar ik wil naar Peraq Tora. Wat daarvoor ligt interesseert me niet.’
‘Aha.’ Rosetti hield zijn hoofd scheef. Zijn gezicht was plotseling serieus. ‘Beschouw je Peraq Tora als het einddoel? Of zou ook daarachter nog iets kunnen zijn?’
‘Dat begrijp ik niet,’ zei Jommy verbaasd.
‘Laat maar.’ Rosetti draaide zich om. ‘We vertrekken.’
Rosetti’s voertuig was lang en spoelvormig; in het midden bolde de romp uit tot een ronde verdikking. Het geheel had wel iets weg van een korte slang die een ei had ingeslikt. Het schip was vervaardigd van een zilverwit materiaal dat vettig en glad aanvoelde; het leek metaal noch kunststof. Zelfs met een carborundum mes kon Kevn er geen kras in maken.
Onderaan de romp hing een motordoos met dikke zwarte koelribben. Aan weerszijden staken vier gekartelde rollers onder de boot uit.
Midden op het dek stond de kajuit, een vierkant vertrek met voldoende zitruimte voor vijf of zes mensen. Een deur in de kajuit bood toegang tot een korte gang die de romp in leidde. Het lichaam van het schip herbergde vijf kleine slaapkamers en een opslag.
De ruimtes binnen in de boot waren hoog, de bedden in de slaapruimtes vreemd lang. Het kwam Kevn voor dat de boot niet voor mensen gemaakt was. Hoewel de boomlange Rosetti zich uitstekend op zijn gemak leek te voelen.
Kevn grinnikte. Rosetti was zonder meer een momumentaal iemand. Zelfs Anders Neive was niet zo groot geweest, zo lang, zo breedgeschouderd.
Van boven klonk de stem van Rosetti: ‘We naderen de muur!’
Kevn ging aan dek.

(c) 2007 Verschijnsel en erven Paul Harland. Nadruk en verdere verspreiding verboden.