De Eilanden van de Avond
‘Op het balkon?’ vraagt Martin. ‘Het is nog lekker zacht buiten.’
‘Prima.’ Bart tilt zijn voet hoog op en stapt door de raamopening het balkon op. Hij ploft neer in een verweerde tuinstoel. De roestige veren strooien een regen van zwart gruis over de grindtegels.
‘Een pilsje? Of heb je liever iets sterkers?’
‘Iets sterkers denk ik. Wat heb je?’
‘Grand Marnier en Jonge.’
‘Grand Marnier.’
Martin reikt hem door het open raam een glaasje aan en voegt zich bij hem. Hij leunt met zijn ellebogen op de reling van het balkon. ‘Prachtige avond.’
‘Ik zou hier de hele nacht kunnen zitten.’
‘Na een uur of elf koelt het lelijk af. Dan krijg je toch behoefte aan een deken.’
De hemel is een koepel van flakkerend, elektrisch groen geworden, dat naar het zenit in een tere tint paarsblauw overgaat. Schapenwolkjes hangen in een bloederig visgraatpatroon boven de flats, die al in de schemering liggen.
‘Hoe lang woon je hier?’ vraagt Bart.
‘Vier maanden. De studentenflats werden net opgeleverd toen ik me inschreef. Ik kon zo doorverhuizen.’
‘Hoe is het hier? Wel oké?’
‘Gaat wel. In ieder geval niet duur.’
Bart brengt het glas aan zijn lippen en merkt dat hij het al leeggedronken heeft. Hij heft zijn glas. ‘Zit er nog wat onder de kurk?’
‘Voor jou altijd.’
De andere flats zijn in grijze kolommen veranderd, merkt hij, alle kleur is er uit weggeloogd. Bart komt overeind en kijkt naar het westen. Een zigzag patroon van daken, als omgevallen rijen dakpannen, een kerktoren. Onbewust zoek hij de horizon af.
Idioot! denkt hij. Natuurlijk kun je van hier af de zee niet zien. Ik zit veel te ver in het binnenland.
Te ver om de Eilanden van de Avond te zien. Ooit.
Hij schudt de gedachte af als een lastige mug. Er zijn aangenamer zaken om je druk over te maken dan die oude droom.
‘Je zit hier zeker wel vaak? Kijken hoe de zon ondergaat?’
Martin knikt enthousiast. ‘Laatst viel ik in deze stoel in slaap. Werd pas in de ochtend wakker. Kletsnat van de dauw natuurlijk. En stijf, man, stijf!’ Hij grinnikt. ‘Woest dat ik droomde! Maar niet woest genoeg om wakker te worden.’
‘Droom je vaak?’ vraagt Bart met gespeelde achteloosheid.
‘Zowat elke nacht. Achtervolgingen, treinen, die ik moet halen in steden, waar ik nog nooit eerder geweest ben. Ik ken dan mensen, het zijn zelfs goede vrienden van me, lui waar ik al jaren mee optrek. Alleen bestaan ze niet, behalve in die droom dan. Vreemd spul, dromen.’
‘En je weet je dromen de volgende ochtend nog?’
‘Flarden. Zodra ik mijn ogen opendoe, beginnen ze te vervagen. Ik voel ze oplossen. Weg. Jammer. Sommige dromen zouden best de moeite waard zijn om te onthouden.’ Martin lacht. ‘Je komt nog eens ergens. Maar je moet echt je best doen om zelfs maar stukjes te onthouden. Je moet je herinneringen vastgrijpen en razendsnel herhalen. Dan blijven er nog wel eens fragmenten hangen.’
‘Ik droom nooit.’ (Behalve die ene droom.)
‘Dan mis je nogal wat.’ Martin draait zich naar hem toe, het pilsflesje vergeten in zijn hand. ‘Ik heb het eens na zitten rekenen. In een droom gebeurt evenveel als in een hele week. Het voelt ook vaak als zo lang. Je krijgt elke nacht dus een week extra. Dat houdt in, met... och, zeventig jaar, dat is een mooi rond getal, dat een dromer dan bijna vijfhonderd jaar geleefd heeft. Als hij die vervloekte dromen maar kon onthouden.’
‘Zijn dromen belangrijk voor je?’
Ik klink als een hulpverlener van het RIAGG.
Martin tikt met zijn flesje tegen zijn heup en het bier klotst over zijn broekzak. Hij merkt het niet. ‘Ja. Eigenlijk wel. Heel belangrijk. Niet dat ik geloof dat ze de toekomst voorspellen of van die onzin. Dat zou misbruik maken van dromen zijn. Het is... sssh, spanning, sensatie. Je ziet zaken die nergens met open ogen te vinden zijn. Steden met kathedralen van gemetselde knekels, soms ben je drie mensen tegelijk. Je kunt met je dode grootvader praten. Hoewel dat weer rottig aanvoelt als je ontwaakt. Alsof je bedrogen bent.’
Hij zet zijn flesje met een harde tik neer en spreidt zijn handen. ‘In dromen ben je vrij. Je kunt iedereen zijn die je wilt en je hoeft je problemen niet mee te nemen.’
‘Soms droom ik,’ zegt Bart. ‘Heel soms. Hoogstens drie keer per jaar.’
‘Ah, ik dacht al dat je een uniek exemplaar was. Alle mensen dromen. Sommigen beweren dat ze in zwart-wit dromen, maar ik denk dat dat onzin is. Waarom zou iemand in zwart-wit dromen? In het gewone leven zie je toch ook altijd kleuren? Waarom dan in een droom ineens niet?’
‘Tenzij ze om te beginnen al kleurenblind zijn. Martin, het is altijd dezelfde droom.’
‘Eh? Precies dezelfde? Hoe lang is dat al aan de gang?’
‘Een paar jaar.’ (Eerder tien jaar. Sinds ik op de Middelbare School kwam en Arlien haar laatste briefkaart stuurde.) ‘Het is niet precies dezelfde droom. Eerder dezelfde situatie... omgeving, en er gebeuren verschillende dingen, maar het loopt altijd hetzelfde af.’
Hij voelt een grote tegenzin om over de Eilanden te praten, maar tegelijkertijd moet hij het iemand vertellen. Hoe lang kun je een geheim met je meedragen?
Zijn geheim is al veel te oud. Het is verzuurd, maar het is nog steeds de enige wijn waar hij naar verlangt.
‘Kijk,’ zegt hij, ‘in mijn droom liggen er eilanden voor de Nederlandse kust. Niet de waddeneilanden. Ze liggen veel verder de zee in en het is bij de Haagse kust, ter hoogte van Scheveningen. Als je over het strand loopt kun je ze in de verte zien liggen. Silhouetten. Vijf eilanden: Grevemark, Castrillum, Brooide, Wigland en Laak. Maar Laak is niet meer dan een uit zijn krachten gegroeide zandplaat, die met springvloed onder water verdwijnt.’
‘Aardige namen,’ zegt Martin. ‘Klinken bijzonder Nederlands en toch uitheems. Ik neem mijn petje af voor jouw onderbewustzijn.’
‘Dat is een goede beschrijving van de Eilanden. Nederlands en toch uitheems. Er zijn kerktorens, kleine, doodstille dorpjes in de duinvalleien, waar het altijd zondag is, maar ook warme bronnen, richels krijtrots en een paar basaltpieken in zee, waarop vuurtorens staan. De vuurtorens bestaan uit grijze en groene segmenten. Iemand vertelde me eens dat het geen verf was, maar de steensoorten waaruit ze opgetrokken werden. De steen kwam uit Ierland.’ Hij sluit zijn ogen en de beelden worden pijnlijk helder. ‘Mijn droom begint altijd op het strand. Soms is het strand razend druk en warm, andere keren ben ik de enige wandelaar onder een hemel vol herfstwolken.
Ik loop door, stevig. Stilstaan en wachten is de verkeerde manier, dat weet ik instinctief. Zo nu en dan kijk ik naar de horizon. In de meeste dromen is dat alles, ik loop over het strand tot ik wakker word met een ellendig gevoel van gemis. Maar als ik geluk heb, zie ik plotseling de silhouetten van de eilanden opdoemen. Vaag eerst, zoals bergen in een Chinese prent, maar na een tijdje worden ze steeds duidelijker. Ik kan de vuurtorens van... Grevemark altijd al onderscheiden voor ik de rest van de eilanden zie. Vreemd eigenlijk want ze staan niet zo ver uit de kust, hoogstens een halve kilometer. Van Grevemark dan. Ik weet ook dat ik de eilanden niet werkelijk zie, ze liggen achter de kromming van de horizon. Het zijn luchtspiegelingen.
Behalve, soms zijn het geen luchtspiegelingen en liggen ze vlakbij. Dan wijkt het water terug, een soort super-eb, doodtij. Zandbanken rijzen uit de waterspiegel op: lage, geribbelde heuvels met schonkige mosselbanken. Heb je wel eens over het wad gelopen?’
‘Ja, een jaar geleden.’
‘Zo’n landschap is het. Weids, idioot uitgestrekt. Niet alleen zand, modder ook, dunne modder.
Als het zomer is lopen we met zijn allen die enorme ebvlakte op. In mijn dromen heb ik altijd een heel stel mensen die bij me zijn, goede vrienden, mensen die ik vertrouw. We zijn opgewonden en blij. Misschien is ademloze verwachting het juiste woord. Maar tegelijkertijd ben ik zenuwachtig, want ik weet dat de vloed elk ogenblik kan opkomen en dan is de kans om de eilanden te bereiken verkeken. En er slingeren zich rivieren door die moddervelden. Sommige kun je oversteken, hoewel ze krachtig stromen en je zo omver trekken. Zolang het water maar onder je middel blijft, is het nog net te doen. Je moet alleen verrekt goed oppassen bij het oversteken, want er groeien mossels in de bedding, pekzwarte mossels, zo groot als je hand en de randen van hun schelpen zijn vlijmscherp: ze kunnen je voetzolen aan flinters rijten. Die pijn, die pijn is altijd heel overtuigend in de droom. Ik ben trouwens steeds op blote voeten als ik de oversteek waag. Zelfs als ik op het strand wel schoenen aanhad.
Die rivieren. Een keer kwamen we tot op een paar honderd meter van Grevemark, je kon de vissers al horen zingen terwijl ze hun netten knoopten, hoewel ik geloof dat het meer een toeristische attractie was dan echte noodzaak. Misschien was het ook gewoon een cassettebandje, want je zag de vissers nooit. Ze knoopten hun netten op afgesloten binnenplaatsen. Daar kwam je als vreemdeling niet in.
Ja, de rivier. Grauw, kolkend water met gelig schuim. Het stonk. De rivier stonk alsof hij regelrecht op een riool was aangesloten en we wisten: deze rivier kunnen we nooit oversteken. Deze kans hebben we verspeeld.
Ik herinner me de terugtocht, waarbij niemand een woord sprak en niemand omkeek. Het zand piepte en siste, uit de moddervelden stegen bellen gas op, die met natte geluidjes knapten.’
‘Je droomt heel gedetailleerd. En je kunt ze blijkbaar goed onthouden zo te horen. Beter dan ik. Misschien valt er toch iets te zeggen voor specialisatie?’
Bart hoort hem amper. Hij vertelt over de Eilanden, eerder aan zichzelf dan aan Martin, en de Eilanden zijn op dit ogenblik werkelijker dan de flat, dan de vallende schemering.
‘Er is een andere manier om de eilanden te bereiken. De tweede is veel gemakkelijker, maar ook moeilijker te realiseren. Vanuit Scheveningen vertrekt een veerboot naar Brooide. Een Ferry, ik geloof dat het een Engelse maatschappij is en dat de boot na de Eilanden doorvaart tot Harwich. Het is een hovercraft, ultramodern, en hij scheert over de golven. Heel anders dan bij een echte hovercraft, die over de golven bonkt in een regen van zeewater. Vroeger was het een draagvleugelboot, toen die nog splinternieuw en sensationeel waren. Die boot is trouwens ook een deel van de eilanden, van hun sfeer. De eilanders zijn dol op elke vernieuwing, elke modegril, maar ze weigeren steevast ook maar iets van hun verleden op te geven.
Hun machines, ze zijn op een moeilijk uit te leggen manier anders dan de onze. Ik weet zeker dat hun wasmachines nooit doldraaien, dat er geen giftige gassen uit hun wagens komen. Zoiets. High-tech. Zo gepolijst dat ze geen genoegen meer hoeven nemen met onvolkomenheden.
(Zoals mijn horloge, ging het door hem heen, dat Arlien mij gegeven had, en waarvan ik de batterij in tien jaar nog nooit heb hoeven vervangen. )
Die veerboot, hij staat altijd net op het punt te vertrekken en je kunt zo aan boord. De overtocht duurt precies drieën-twintig minuten. Ik heb het een keer met mijn horloge getimed.
Als mijn droom begint, ben ik onveranderlijk kilometers van Scheveningen. Het lukt me maar zelden om op tijd de haven te bereiken. Voor ik wakker word. Het is meestal verstandiger op eb te wachten.
Eén keer speelde ik vals. Ik rende de strandtrap op, het pad uit de duinen omlaag en belde in de eerste de beste telefooncel een taxi. Toen ik bij de kade uitstapte zag ik de ferry net achter de havenhoofden verdwijnen.’
Hij opende zijn ogen. Zijn keel voelde rauw aan en hij had de overtuiging uren aan een stuk door gepraat te hebben. De hemel gloeide met een zo diep blauw, dat het amper van zwart te onderscheiden viel.
‘De Eilanden van de Avond. De Vesperiden. Omdat ze op de plaats liggen waar de zon ondergaat. Iemand vertelde me eens dat die naam nog uit de tijd van Julius Caesar stamde. Op weg naar Engeland zag hij de silhouetten van de eilanden uit de avondschemering oprijzen.’
‘En de Eilanden zelf? Je hebt het er steeds over hoe je de Eilanden kan bereiken, maar je hebt nog maar heel weinig over de Eilanden zelf verteld.’
‘Een andere keer. Man, ik ben zo schor als een kraai.’
‘Daar houd ik je aan. Nog een glaasje om je keel te smeren? In het vuur van je verhaal heb je je glas geen enkele keer bijgeschonken.’
‘Kan geen kwaad.’
Bart rolt een sigaret en zuigt de scherpe rook zijn longen in. Een enorme oranje maan hangt boven de snelweg. Haar tint is even naargeestig en dreigend als de gloed van de natriumlampen langs de snelweg. De magie van de avond is verdwenen. In deze nacht sluipt niets vreemds rond en al loopt hij tot de ochtend door, veel meer dan verlaten parkeerhavens en spaarzaam verlichte groentenwinkels zal hij niet vinden.
‘Weet je,’ zegt hij, ‘het grappige is, ik weet hoe die dromen begonnen. Wat de aanleiding was. Een stomme opmerking, een verkeerd begrepen opmerking van mijn vader. Ik liep met mijn ouders langs het strand. Winter, denk ik, of herfst. In ieder geval waren we de enigen. De zon ging net onder. (De zee, bloed, bloed van rode neon met vlammende stroken oranje. Hij herinnert zich elke tint.) Mijn vader wees naar de horizon. ‘Zie die wolken daar?’ zei hij tegen mijn moeder. ‘Net alsof daar eilanden liggen. Rotsen die uit zee oprijzen.’
‘Wat voor eilanden?’ vroeg ik.
Hij lachte. ‘De Eilanden van de Avond, denk ik.’
Pas jaren later herinnerde ik mij het eerste stuk van zijn opmerking. Wolkenbanken die net eilanden leken. Ik onthield Eilanden van de Avond. Mijn hele lagere school geloofde ik oprecht dat die eilanden werkelijk bestonden.’
(Waarom lieg ik toch steeds? denkt hij. Waarom kan ik niet vertellen hoe het precies ging? Hij wandelde niet alleen met zijn ouders over het strand. Zijn nichtje Arlien darde om hen heen. Vaak rende ze dat glimmende stuk zand op waar het water in platen schitterend glas over uitstroomde. Bij elke omslaande golf klotste de zee haar witte laarsjes net niet in.
Hoe oud waren we? Een jaar of acht? Nog jonger?
Ze logeerde bij ons. Ze moet zeker een week bij ons gelogeerd hebben, maar ik kan me alleen deze scčne herinneren. En de eekhoorn natuurlijk.
Arlien had aandachtig naar de vlammende horizon gekeken en geknikt. ‘Ja, dat zijn mijn eilanden. Zie je Grevemark? Net een eend, die zijn kop onder water steekt. Daar links, Brooide.’
‘Van hier kun je je eilanden niet zien,’ had zijn vader gezegd. ‘Dan moet je in Friesland zijn. Ze liggen om de bocht van Nederland.’
‘Dat is Brooide!’ had Arlien volgehouden en zijn vader had haar niet tegengesproken.
Ik kan niemand over Arlien vertellen. Ook Martin niet. Al heb ik hem meer verteld dan ik ooit eerder durfde.
Arlien. Het nichtje dat niet bestond. De dochter van oom Wilbert en Tante Gella, die volgens zijn ouders kinderloos waren. Eén briefkaart had hij teruggevonden, toen hij zijn volledige klerenkast ondersteboven had gehaald. Ze had hem minstens zes keer geschreven, maar waarom zou hij haar briefkaarten bewaren? Mijn god, kinderen bewaren geen briefkaarten! Niet als het zulke gewone zijn.
Een vervallen boerderij, die letterlijk overal in Nederland had kunnen staan. Desnoods in Twente. Ordinaire duinen. Een zwarte massa, uit focus: het dennenbos? In ieder geval was het niet Arliens boerderij geweest.
‘Hartelijk gefeliciteerd’ op de achterkant. Een banalere tekst viel moeilijk te verzinnen. En haar handtekening was onleesbaar geworden: een krabbel, precies middenin een kleverige colavlek.
Alleen die witte veeg rechtsboven. Hij wíst dat het de hoge krijtrichel moest zijn, die van Bralle tot Vierdorpen boven de duinen oprees. Maar net als het bos bleef de krijtrichel onscherp. Het kon even goed een wolkenbank zijn. Of een drukfout.)
‘O shit!’ roept Martin. De orgelmuziek die al een tijdje zacht over het balkon klinkt, zwelt plotseling naar een crescendo. Een woest dreunend geluid dat door de andere flats wordt teruggekaatst. Een ongeschoold koor, verspreid over minstens drie octaven zwalkt een kwart seconde achter de orgelmuziek aan. De woorden zijn onverstaanbaar, maar de klanken komen Bart vagelijk bekend voor. Latijn, denkt hij, ze zingen Latijn.
‘Ze krijgt het weer op d’r heupen,’ zegt Martin. ‘Die stomme griet van boven.’
‘Het is wel origineel,’ zegt Bart.
‘Vind je? Die trut heeft maar één plaat en die draait ze zeker twaalf keer per dag. Keihard.’
‘Is ze godsdienstig?’
‘En niet zuinig ook. Zo’n naar toegeknepen mondje en altijd klachten over dat we de afwas laten staan en de eenheid niet schoon genoeg houden. O ja, Arlien heeft Jezus gevonden. Vergis je niet. Misschien kijkt ze daarom ook altijd zo blij?’
‘Arlien?’ vraagt Bart. ‘Heet ze Arlien d’Evaille?’
‘Ken je haar?’
‘Vroeger,’ antwoordt Bart. ( Ze droeg haar zwarte haar heel lang. Het kwam tot over haar schouders en in het zonlicht glansde het met de vreemdste tinten. De kleuren die de dekschilden van meikevers hebben in helder zonlicht.
Hij was gek op haar geweest, hij had van haar gehouden toen het sociale zelfmoord was om dat aan je vriendjes te bekennen.
Ze klom in de hoge eik van het pleintje voor de school. Razendsnel. Toen ze op de grond sprong, hield ze de eekhoorn omhoog. Een kastanjebruin speelgoedbeestje, verstijfd van schrik.)
‘Ze woont boven je?’
‘Doe me een lol...,’ zegt Martin. ‘Ze is al moeilijk genoeg.’ Hij kijkt zijn vriend aan als Bart zijn jas oppakt en de rits omlaag trekt. ‘Zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb, Arlien is...’
‘Ik ben hier nu toch,’ zegt Bart.
‘Jij je zin. Kamer 9. Het trapje op. De tweede deur rechts.’
‘Ik ben zo terug,’ zegt Bart. Hij betwijfelt of dat de waarheid is.
Haar deur is de enige in de studentenflat zonder poster. Hij klopt aan. De tweede keer iets luider. De muziek valt abrupt weg. Voetstappen. Vreemd genoeg voelt hij geen wilde hoop, geen spoortje van opwinding zelfs. De alcohol suist in zijn bloed en maakt de werkelijkheid donzig en onbelangrijk. Als een televisiescherm dat je in het voorbijgaan door een ruit bekijkt. Heel anders dan hij zich hun ontmoeting al die jaren heeft voorgesteld. De deur zwaait open.
‘Ja?’ Geërgerd.
Hij herkent haar meteen. Ze heeft opvallend kort haar. Zwart en glanzend, als de vacht van een exotisch pelsdiertje. Haar mond is dunner dan hij zich herinnert en gespannen. De groefjes tussen haar wenkbrauwen worden herhaald in haar mondhoeken. Ze draagt één oorbel, in haar rechteroor. Een glanzende druppel git, als een traan, geweend door een duistere god. Hij vindt haar beeldschoon.
‘Arlien,’ zegt hij. Ze neemt hem op zonder iets te zeggen. Een angstaanjagende inspectie. Eerst zijn handen, die hij tot vuisten gebald heeft. Zijn voeten, dan langzaam hoger. Hij is zich akelig bewust van de baardstoppels op zijn kin, de verfvlekken op zijn trui. Hun blikken kruisen elkaar en zij kijkt hem aan met een vage afkeer.
Ze kan de alcohol in mijn adem ruiken, denkt Bart. Waarom moest ik speciaal nu langskomen? Ik voel me helemaal dof. Mijn lippen zijn onhandige reepjes vlees.
‘Ben je Arlien d’Evaille?’
Een idiote vraag. Dat is het enige waar hij zeker van is.
‘Vroeger,’ zegt hij.
Ze haalt haar schouders op, het toonbeeld van ongeďnteresseerdheid. ‘O, ik herkende je wel. Bart, Bart... ik ben je achternaam even kwijt.’
Hij weet dat ze liegt. Hij is hier niet welkom.
‘Je bent net als de anderen. Elspeth kwam hier een keer langs, God mag weten hoe ze me gevonden heeft. En Rob.’
De namen zeggen hem niets. Je bent net als de anderen. Waarschijnlijk is dat de ergste belediging die je een mens kunt toevoegen.
‘Ze willen... Altijd de Eilanden. Altijd. Waarom denk je dat ik hier ben? Ik ging van mijn familie weg. Ik wil ze nooit meer zien!’
‘Maakte je ruzie?’
‘Ik niet.’
Ze stapt opzij. ‘Kom maar binnen. Anders raak ik je nooit meer kwijt. Dat weet ik uit ervaring.’
Hij kijkt in haar kamer rond. Even groot als die van Martin natuurlijk, maar Arliens kamer is leger. Bijna moedwillig leeg. Alsof ze niets van haarzelf aan een eventuele bezoeker wil tonen. Een bed, de klerenkast die bij de kamer hoort. Een eenvoudig kruis van gebleekt wrakhout aan de muur.
Hij gaat op het gehaakte beddensprei zitten. ‘Wat studeer je?’
Arlien knijpt haar lippen op elkaar. ‘Dat kwam je niet vragen.’
Bart zucht. ‘Goed. De Eilanden. Tien jaar dacht ik dat ik knettergek was. Mijn ouders hadden nog nooit van je gehoord. Maar ik. Ik droomde.’
‘Dat is een prijs, die je altijd moet betalen. Denk je dat ik rustig slaap?’
‘Waarom ben je dan weggegaan? Jij! Jij wóónde daar, verdomme!’
Ze ontwijkt zijn blik. ‘Mijn ouders vertelden leugens.’
‘Dat doen ouders allemaal.’
‘Ze vertelden leugens over God.’
‘Over Gaspard? Ik dacht dat je niet in Gaspard geloofde?’
‘Sint Gaspard. Sint! Hij is God niet!’
Ze frummelt aan het kleine zilveren kruisje dat ze om haar nek draagt.
‘En nu heb je Jezus gevonden?’ Zijn stem klinkt vlak en tegelijkertijd ongelovig. Niet de beste manier om met dit meisje om te gaan.
‘Ja! En dat is mijn zaak.’
Een spiertje in Barts wang begint te trekken, een klein diertje dat net onder zijn huid hopst. ‘Ik droom. De Eilanden zijn het enige waar ik ooit van droom. Net alsof al mijn fantasie en verwondering in de Eilanden geďnvesteerd is. Overdag, niets is wonderbaarlijk. Vlak, grauw. Gewoon.
Je bent hier gekomen. Je reisde op en neer. Vroeger. Hoe?’
Ze grinnikt. Hij haat haar met een weerzin, die diep in zijn tenen begint en als een rode blos over zijn wangen trekt. Warm van afkeer.
‘Waarom neem je de veerboot niet?’ zegt ze. ‘Die vertrekt twee keer per dag uit Scheveningen.’
‘Je weet best... Hoe vaak denk je niet dat ik op de kade gewacht heb? Dat ik op het strand wandelde, ziek van heimwee. Nooit zag ik de silhouetten van de Eilanden uit de zonsondergang oprijzen.’
Ze haalt haar schouders op. ‘Je bent niet van ons bloed. De Eilanden hebben vele namen gehad en allemaal waren ze synoniemen voor onbereikbaarheid.’
Bart leunt tegen de muur, zijn achterhoofd ongemakkelijk tegen het beton gedrukt. ‘Ik zag de Eilanden die avond enkel omdat je bij ons was? En als jij niet op de veerboot was geweest waren we gewoon in Ameland aangekomen? Op Schiermonnikoog?’
Ze knikt. ‘Daar komt het wel op neer.’ Voor haar is het een eenvoudig ervaringsfeit, vrij van iedere diepere betekenis.
‘En je gaat nooit meer terug? In de vakanties? Je, je ouders?’
‘Ben je een beetje doof? Ik zei dat ik met mijn ouders gebroken heb! Hoeveel leugens denk je dat ik kan slikken?’
Ze staat met haar gezicht naar het raam. ‘Ga weg, Bart. Ga weg. Je maakt het zo alleen maar moeilijker. Voor ons allebei.’
‘Goed.’ Hij knoopt zijn jas dicht. In de deuropening draait hij zich om. Ze kijkt nog steeds naar buiten. ‘Tot ziens.’
‘Nee. Niet tot ziens.’ Hij kan haar amper verstaan. ‘Ik ben van mezelf, Bart. Alleen van mezelf. Denk niet dat ik een enkele reis naar de Eilanden ben.’
De reis, de autorit naar de eilanden. Hij kon zich jaren later slechts fragmenten herinneren. Een fabriek met vlammende schoorstenen, de ondergaande zon. Hij viel op de achterbank in slaap en toen hij ontwaakte doemde Grevemark al op. Een duistere massa voor de boeg van het bonkende schip. Links van hem de stralen van de vuurtoren die door de hemel zwiepten, het eiland zelf een diamanten spikkeling van lichtjes, die als kralensnoeren door de duinen slingerden. ‘Thuis,’ zei Arlien naast hem. Een eenvoudige constatering. Hij krabbelde overeind, zijn oogleden nog zwaar en korrelig van de slaap.
‘Waar woon jij nu, Arlien?’
Ze wees, maar de auto was te donker om de richting goed te kunnen zien. ‘Boven de baai. Bralle, net voorbij Wintners End.’
Hij moest daarna weer in slaap zijn gevallen, want hij herinnerde zich niets van de aankomst bij de boerderij van tante Gella en oom Wilbert. De volgende dag ontwaakte hij tussen geborduurde lakens. Voor het open raam schommelde een ornament van gebrandschilderd glas, een centimeter of vijftig in diameter.
Met een gevoel van diepe tevredenheid bekeek hij de strenge man in zijn grijze mantel. In zijn geheven rechterhand hield hij vijf aren omhoog, waarvan de korrels bloedrood waren. Hij leunde op een zwaard waarvan het gevest een miniatuurploeg vormde. Een werktuig dat Bart direct al onpraktisch leek. Boven de gebaarde man stond een spreuk in azuurblauwe letters: ‘ALLEEN HIJ DIE DE ZAAIER DER MENSEN IS, ZAL HET SCHARLAKEN GRAAN OOGSTEN.’
Later op de week vertelde tante Gella hem dat de sombere man St. Gaspard was. Gaspard de God.
Ze ontbeten in de bijkeuken; reepjes gebakken wijting op harde, knapperige toast, waarin ongebroken graankorrels vermengd zaten. Een schaal met rimpelige, geweekte pruimen stond midden op het tafelzeil en voor elk stuk toast dat ze naar binnen werkten, mochten Arlien en hij een pruim nemen. Bart vond de pruimen niet bijzonder lekker, een beetje te zuur, maar ze waren als beloning bedoeld en daarom aantrekkelijk.
Vanuit het raam keken ze uit over het Oosterstrand. Een zestal verveloze roeiboten waren tot boven de hoogste vloedlijn opgetrokken en hun grijze planken deden aan harde plakken hoorn denken. Alsof het de skeletten waren van grote zeekevers.
In de verte beschreven de duinen een flauwe bocht, dieper de zee in om in een piek spierwitte steen te eindigen. In het begin had hij gedacht dat het sneeuw was, of een groot brok ijs, helemaal van de pool op deze stranden aangespoeld. De eilanden straalden die sfeer uit: dit was de rand van de wereld. Voorbij de eilanden lag niets meer, behalve eindeloze vlakten van somber, klotsend water.
Na het ontbijt daalden ze een in de krijtwal uitgehakte trap af naar de kerk. Zijn moeder protesteerde met weinig vuur. ‘Weet je zeker dat het in orde is, Gella? Per slot van rekening zijn we niet van jullie geloof.’
‘Zo officieel gaat het hier niet. We komen elke woensdag bij elkaar omdat we het plezierig vinden. We geloven echt niet dat een jaloerse god over onze schouders meekijkt om te zien of we geen ketters in het heilige der heilige toelaten. Bovendien, ieder moet Gaspard op zijn eigen manier aanbidden. Daar horen geen regels voor te zijn.’
Die woorden, daarin dook dat onzekere op, die tweeslachtigheid die al zijn herinneringen over de Eilanden kenmerkte. Er waren vaak twee sets herinneringen, allebei even sterk. In de ene versie zei tante Gella: ‘ieder moet God op zijn eigen manier aanbidden’, terwijl hij even zeker wist dat ze ‘ieder moet Gaspard op zijn eigen manier aanbidden’ had gezegd.
De kerk is op een schuingezakte schol krijtrots opgetrokken. Een gebouw van groezelig groene steen met wijde deuren van diepzwart eikenhout. Koperen ornamenten, zo dik als zijn pols, glimmen in het zonlicht. De deuren staan op een kier, maar die kier is wijd genoeg om je door naar binnen te wringen. Waarschijnlijk zijn ze lang geleden in deze stand vastgeroest, want de scharnieren puilen als brokkelige klompen steen uit de zware sponningen. Hij herinnert zich de deuren als kolossaal, ze lijken tot in de wolken omhoog te reiken.
Binnen is het schemerig. De kerk bezit maar een stuk of vier ramen: verticale spleten, die in diepe nissen verzonken zijn. Schietgaten, begrijpt hij veel later.
In de nissen langs de muur flakkeren talloze kaarsen, samengebundeld als bleke bosjes asperges. Sommige zijn door de hitte van de omringende vlammetjes scheefgezakt en lekken nu kaarsvet op de altaarstenen.
Ondanks het aantal is hun gloed toch niet voldoende om de portretten van de heiligen afdoende te verlichten. Het kan ook zijn dat het roet in de loop der jaren op de ikonen is neergeslagen, zodat de heiligen de rest van de eeuwigheid zwart als Moren in de nissen zullen staan. Voorwaar, een droevig lot voor heiligen die de Kruistochten nog bewust hebben meegemaakt.
Arlien grijpt zijn hand beet en trekt hem dieper de kerk in. Ze blijft voor een boog van groene steen staan. In een alkoof staat dezelfde man, die hij al voor zijn raam heeft zien hangen, meer dan mansgroot.
‘Gaspard de God,’ zegt Arlien. Er klinkt geen ontzag in haar stem door. Dit is Gaspard, een even natuurlijk deel van haar leven als het strand of de haan Krijskop, die elk uur van de middag de dageraad aankondigt. ‘Gaspard heeft hemel en aarde gemaakt. En de mensen natuurlijk. Uit zijn eigen bloed. De draak beet hem en Gaspard bloedde. Elke druppel werd een man of een vrouw.’
‘Dat kan niet,’ protesteert Bart.
‘Het is maar een verhaal,’ antwoordt Arlien. ‘Bovendien was het twee miljoen jaar geleden. Toen ging alles nog anders.’
Een man en vrouw steken het middenpad over en knielen voor het beeld. Bart kijkt gefascineerd toe hoe de man zijn duim opsteekt. De vrouw fluistert een onverstaanbare zegening en strekt haar hand uit naar de tenen van Gaspard. Ze pakt de nagel van de rechter grote teen vast en trekt. De zilveren nagel komt met een zachte plop los. Het is eerder een klauw dan een nagel, gekromd en scherp. Hij glimt in het lamplicht. De man geeft een klein schokje als ze het gebogen uiteinde in het topje van zijn duim steekt en haar pols roteert. De man kust haar op haar voorhoofd en neemt de klauw over. Een scherpe sis als de vrouw haar adem tussen haar tanden laat ontsnappen en dan welt ook uit haar duim een scharlaken druppel op. Ze strekken hun armen uit tot de duimen vlak boven een schaal van glimmend messing hangen. Bloeddruppels vallen traag in het glanzende geel en kronkelen in kleine riviertjes naar een afvoergaatje in de bodem.
Arlien trekt aan zijn arm. ‘Kom mee,’ fluistert ze. ‘Je mag niet kijken. Dit is...’ Ze zoekt een woord. ‘Persoonlijk. Voor hen twee alleen. En Gaspard.’
Bart stapt achteruit en wendt zijn ogen af. Door de kerkdeur valt een brede baan licht. De poorten moeten al heel lang op een kier staan, want er ligt een waaier zand op de plavuizen. Ribbels zand, alsof de vloer een deel van het strand is en de kerk altijd openstaat voor de elementen.
‘Ik wil naar buiten,’ fluistert Bart. De kerk benauwt hem plotseling, met haar geheimen, haar steelse rituelen. Hij hoort hier niet, hij is een vreemdeling.
‘Mij best,’ antwoordt Arlien en ze glippen door de kier het zonlicht in.
Het licht brandt nog op de kamer van zijn hospita. Door een kier in de gordijnen vangt hij een blauwe flakkering op. Ze kijkt naar de nachtfilm op haar oude zwartwit tv, die hij nu al drie keer gerepareerd heeft.
Zijn hospita heeft stringente normen wat betreft rechtvaardigheid. Elke keer heeft ze hem een aanzienlijk deel van zijn huur kwijtgescholden. ‘Want een reparateur is nu ook niet bepaald goedkoop. Als je tenminste eentje zo gek kunt krijgen om zijn luie gat uit de leunstoel te verheffen.’
Zijn sleutel krast twee keer over het koperen lipsslot voor hij de gleuf inglijdt. Met trillende vingers draait hij de sleutel om. Twee gedempte klikken: hij heeft de deur op het nachtslot gedraaid. Hij sist van ergernis.
De lantaarnpaal voor het huis beschrijft rondjes en de straat kantelt.
Dit is de laatste keer dat ik me zo volgiet, denkt hij. Maar het is niet alleen de drank. Het gesprek met Arlien heeft hem uitgeput. Elk woord rust als een loden gewicht in zijn herinnering.
‘Je bent net als de anderen’ en ‘Denk niet dat ik een enkele reis naar de Eilanden ben.’ Hij heeft al eerder gemerkt dat de beschuldigingen die de waarheid raken hem het sterkst kwetsen. Want hij ís net als de anderen en hij hoopte inderdaad, dat zij een enkele reis naar de eilanden zou zijn.
Hij draait de sleutel om, ditmaal in de juiste richting en de deur zwaait open.
Goed, nu de trap op, het halletje door.
Uit de huiskamer klinken geweerschoten. ‘Get them bastards!’
Op zijn kamer trek hij de gordijnen dicht en ploft zwaar voor zijn bureau neer. Hij trek het laatje open met zijn relikwieën. De briefkaart. Een brokje kalksteen, niet groter dan een vingerkootje. Het bruinleren boekje met het uitgescheurde titelblad, waardoor hij nooit zal weten uit welk jaar de vertaling afkomstig is. Aan het lettertype en de spellingswijze te zien kan het niet veel later dan het eind van de negentiende eeuw zijn.
Hij slaat bladzijde 67 open. ‘Op de vijftiende dag bereikten wij de kust. Tegen de ondergaande zon teekenden zich de silhouetten van een viertal eilanden af.
Gaius Mepulca doopte hen de Vesperiden, omdat zij in de richting van de avond laagen. De gids raadde ons ten sterkste af de eilanden te bezoeken. ‘De bewoners zijn niet bijzonder oorlogszuchtig, maar in geniepige geslepenheid doen ze voor geen ander volk onder. Een aantal strijders van mijn stam stak in de tijd van mijn vaders vaderen over naar het grootste eiland in de hoop op plundering. Geen keerde terug. Sindsdien drijven wij handel met hen, maar alleen op het Strand van het Grote Verdrag, waar geen bloed vergoten mag worden.’
Ik vroeg hem naar de zeden en gebruiken van de eilandbewoners en hij vertelde ons dat ze slechts één god aanbidden, wiens naam Gaspard de Maaier is en aan wie ze elke zomer drie vreemdelingen offeren door hen in grote manden van riet te verbranden. De manden zijn in de beeltenis van Gaspard gevlochten.
‘De rest van het jaar beschouwen ze moord en het vergieten van bloed als een wandaad, daar Gaspard de enige is, die het recht heeft menselijk leven te nemen.’
Een onbeholpen en houterige vertaling van Caesars ‘De Bello Gallico’, die hij op de boekenmarkt had aangeschaft om zijn Latijnse vertalingen wat minder arbeidsintensief te maken. De schrijver vertaalde echter zo vrij, dat Bart nooit veel aan het boekje gehad heeft. Dat wil zeggen, op deze passage na. In geen van de andere vertalingen of uitgaven in het originele Latijn komt deze passage voor.
‘Kreng,’ fluistert hij. Hij legt het boekje terug en strekt zich op zijn bed uit. Met zijn handen in zijn nek kijkt hij naar het plafond, waar de vochtvlekken gaandeweg de vormen van de Eilanden van de Avond aannemen. Zijn ogen vallen dicht zonder dat de silhouetten verdwijnen.
Die nacht rent hij struikelend over de moddervlaktes, de Eilanden vullen de horizon, zo surrealistisch scherp dat hij elke scheur in de krijtwal kan zien, elke bolle dakpan van Bralle’s huizen.
Hij bereikt het strand. Schelpgruis knarst onder zijn blote voeten en de kleine steekjes zijn een welkome pijn. Het bewijs voor de realiteit van zijn aanwezigheid.
In dromen voel je geen pijn, denkt hij.
Met de plotselinge overgang die in dromen thuishoort, ligt hij in het bed op de logeerkamer. Elf jaar oud. Opgewonden. Buiten klinkt gelach, tinkelende muziek, die over de duinen wegsterft.
Een klop op zijn deur. Zo’n aarzelend geluidje dat hij even denkt het zich te verbeelden. Toch roept hij ‘Binnen!’ Voor de zekerheid.
De deur wijkt in een kier nachtzwart en Arlien stapt zijn kamer binnen. ‘Opstaan,’ fluistert ze. ‘Het is Gaspardsnacht.’
‘Ik hoorde muziek,’ zegt hij. ‘Er liepen een heleboel mensen over de straat. Hoe laat is het?’ Hij wrijft in zijn ogen.
‘Bijna elf uur. De valse vuren branden al. De Rotsen, die Rijten steken boven de golven uit.’ Ze trek zijn deken weg. ‘Kleed je aan. We gaan naar het strand.’
‘Mijn ouders,’ zegt hij. ‘Ik mag niet...’ maar hij weet al dat geen verbod hem in bed zal kunnen houden.
‘Die slapen. En mijn ouders zijn al buiten. Op het strand. Het huis is leeg.’
Ze sluipen de trap af, elke trede een potentiële ramp. Hij weet hoe licht zijn moeder slaapt en ze kan zijn voetstappen op kilometers afstand herkennen, zo lijkt het vaak wel.
Arlien blijft in de deuropening staan en kijkt de straat langs. ‘Niemand. Vlug! We gaan door het bos. Dan steken we een stuk van de weg naar het Westerstrand af.’
Een maanloze nacht. De sterren zijn ijskoude lampions die door de solide nacht zeilen. Ze rennen door het bos en de verschuivende takken doen de sterren flitsen. Hij voelt de stammen meer dan hij ze ziet. Vlak voor de takken in zijn gezicht dreigen te zwiepen, waarschuwt het samentrekken van zijn voorhoofdshuid hem. Hij heeft een nieuw soort ogen, die zien zonder te zien, lichtloos zicht. Heel zijn voorhoofd is een plat, licht jeukend oog.
‘Kinderen mogen niet naar het feest komen,’ zegt Arlien. Haar stem klinkt griezelig luid. ‘Pas als we dertien zijn. Als de meisjes...’ Ze maakt haar zin niet af, en Bart weet dat hij niet moet doorvragen. Er zijn meisjesgeheimen waar jongens niet schamper over kunnen lachen.
De grond stijgt. Ze krabbelen langs een helling van glijdend zand omhoog. Zijn ademhaling raspt. Luid, veel te luid. Als ze hen maar niet horen.
De muziek bereikt hen nu bij vlagen en ketst in de duinpan rond. Een ademloos ritme, hopsend als de vlammetjes van een kampvuur. Heet en verschroeiend blij.
Alleen het refrein is verstaanbaar. ‘Gaspard e mente, Gaspard e mente, tsi hiol me gorde, ylu nocte tso paydens!’
‘Nu bedanken ze Gaspard,’ fluistert Arlien. ‘Het is in de oude taal, die we alleen in de kerk mogen spreken. En nu. ‘Gaspard onze zaaier, Gaspard onze zaaier, voor ons vergoot je je bloed, deze nacht zullen we je terugbetalen.’
‘Omlaag nu!’ zegt ze. ‘Anders zien ze ons!’
Op hun buik kruipen ze de laatste meters naar de duintop. Bart ruikt brandend teer, een schroeilucht die een zilte smaak op zijn tong nalaat.
‘Ah,’ zegt Arlien. Een opgetogen inzuigen van lucht. ‘Kijk, de Valse Vuren branden al. Daar links. Ze hebben de vuurtoren gedoofd en een mast van wrakhout gebouwd, daarop staat het grote zwaailicht. Even helder als de vuurtoren. Nu denken de schepen dat ze onze vuurtoren zien, maar ze zullen recht op de Rotsen Die Rijten varen.’
‘Waarom?’ vraagt Bart.
‘Dat hoort zo.’ Haar stem klinkt ongeduldig en hij begrijpt dat dit het verkeerde soort vraag is.
De stralenbundels zwiepen over de zee, zonder de golven te verlichten, en strijken dan langs de top van de krijtwal. Bart weet niet precies waar de vuurtoren hoort te staan, maar hij is bereid Arlien te geloven. Uit de golven steekt een lokmast, klaar om een niets vermoedende vissersboot naar de ondergang te leiden.
‘In geniepige geslepenheid doen ze voor geen ander volk onder.’ Even lijkt het of iemand die woorden hardop naast hem uitspreekt. Het is Arliens stem niet.
‘Zie je ze? Ze hebben er één te pakken! Ik denk dat het een trawler is. Hij hangt schuin.’ Haar ogen moeten scherper dan die van Bart zijn. Of haar nachtzicht is beter. Bart onderscheidt niet meer dan een vage, diepzwarte vorm, maar een fractie donkerder dan de zee zelf. Alleen de golven die tegen het schip spatten lichten zo nu en dan op. Bleke vegen die een moment tegen de zee afsteken.
‘Nu sturen ze de reddingsboten,’ zegt ze met onmiskenbaar leedvermaak. ‘Wat zullen de mensen van het schip opgelucht zijn! Maar niet voor lang. De stommelingen!’
‘Wat bedoel je?’
Ze lacht. ‘Waarom denk je dat ze die vuren op het strand hebben aangestoken?’
‘Hoe moet ik dat weten?’ Hij kijkt omlaag, naar de wapperende vlammen, die de schaduwen van de wachtende eilanders over het strand strooien en als rukkerige marionetten over de krijtwal laten dansen. ‘Geen flauw idee.’
‘Vannacht geven ze Gaspard wat Hem toekomt. Ze geven hem de oogst terug die Hij zaaide.’ Ze praat haar ouders na, denkt hij. Ze weet evenmin als ik wat er beneden gebeurt.
Arlien legt haar hand op zijn arm en knijpt zachtjes. ‘Bart? Ik had je nooit mogen meenemen. Je bent een vreemdeling. Als pappa of mamma het merken...’
‘Of Gaspard,’ voegt Bart toe in een opwelling die hij zelf niet begrijpt. Ze knijpt harder. ‘Of Gaspard,’ fluistert ze en nu klinkt ze jong en onzeker. ‘Hij... Gaspard weet alles.’ Ze gaat overeind zitten. ‘Er is maar één manier. Je moet een van ons worden. Anders vinden ze ons. Wanneer ze Gaspard uit de oceaan en de akkers roepen. Ze worden anders. Ze kunnen ruiken. Als honden. Vorig jaar hoorde ik ze terugkomen. Ze gromden en knorden. Mamma... Mijn moeder, ze liep op handen en voeten en ze snoof. Ik stond achter de gordijnen en de kier was zo dun als een potlood. Maar ik voelde het, ze zag me.’
‘Hoe?’ vraagt Bart. Hij huivert. Hij weet zeker dat Arlien niet liegt. Ik ben op verboden terrein! Dezelfde afschuwelijke zekerheid als in de kerk. Een buitenstaander. ‘Hoe kan ik bij jullie horen?’
‘Geschenken,’ zegt Arlien. ‘Een gast geeft geschenken en als wij ze accepteren is hij een van ons. Zolang als je bij ons logeert. Daarna moet het opnieuw. En ik geef je iets terug, zo hoort dat. Maar het moet een belangrijk geschenk zijn, een ding dat je zelf mooi vindt en niet graag mist.’
Bart voelt in zijn zakken. ‘Mijn zakmes?’ vraagt hij. ‘Er zit zelfs een zaagje in.’
‘Doet er niet toe,’ fluistert ze terug. ‘Als jij het maar mooi vindt.’ Ze stroopt haar mouw op en maakt een armband los, die ze tot halverwege haar bovenarm geschoven heeft, zodat hij verborgen blijft. ‘Dit is het kostbaarste wat ik heb. Ik kreeg het van oom Werbe. Er is nog niets zoals dit. Het is te vroeg.’
Ze drukt het sieraad in zijn hand. Het is een plat doosje van zwart plastic met een gegroefde, flexibele band. ‘Wat is het?’ vraagt hij.
‘Een digitaal horloge. Met LCD.’
Haar uitleg vertelt hem niets. Als liquid crystals al bestaan zijn ze nog een speelgoedje in een laboratorium. Een grappig uitvindsel zonder praktische toepassingen. Dit is 1964 en alle horloges hebben nog wijzers.
‘Oh,’ zegt hij maar, want hij wil niet laten merken dat haar woorden onbegrijpelijk zijn. Ze klinken technisch en een jongen hoort meer van techniek te weten dan een meisje.
‘Nu moet je mij je mes geven en zeggen: ‘Aanvaard dit kleine blijk van mijn waardering.’
Hij herhaalt haar woorden en voelt zich een complete idioot.
‘Mooi zo. En dan zeg ik: ‘Laat er evenwicht zijn, dit is mijn geschenk en ik zal niet in je onderdoen in vrijgevigheid zoals het goede buren betaamt,’ en dan geef ik je mijn horloge, maar dat heb ik al gedaan.’
‘Dat is alles?’
‘Ja, nu ben je een van ons. Een goede buur.’ Ze laat zich weer op haar buik zakken en tuurt naar de vloedlijn. ‘Kijk, daar komen de reddingsboten terug.’ Vanaf het strand klinkt een zwak gejuich, dat niet feestelijk klinkt. Eerder gretig. Hongerig, denkt hij later, het klonk hongerig.
Bart verstijft. Van het strand rijst een immense gestalte omhoog, krakend en moeizaam. Vijf keer zo hoog als een mens. ‘Gaspard,’ hoort hij zichzelf zeggen. Een woordje dat volledig vlak over zijn lippen komt. De verrassing is nog te groot voor vrees.
Arlien giechelt. ‘Het is maar een pop! Van wilgentenen en drijfhout. Ik heb hem zelf helpen vlechten.’
‘Hij stond op,’ zegt Bart. ‘Hij stond op.’
‘Ze trekken hem omhoog. Met touwen. Er staan masten waarin hij hangt, maar die kun je nu niet zien. Het is te donker.’
‘Ik wil hier weg,’ zegt Bart. Plotseling begrijpt hij wat de pastoor bedoelde met ‘de geur van de Hel’. Een zinsnede die hij te pas en te onpas in de mond nam. Mensen zijn uit de goed verlichte huiskamers de straat opgestapt, lachend liepen ze door de dennenbossen, over de zandpaadjes en nu staan ze hier op het strand, bewegingloos, gretig wachtend, hongerig naar iets dat geen voedsel is. Niet langer mensen, maar dingen, geduldige nachtdingen met de gezichten van zijn oom en tante, met de gerimpelde lippen van het oude dametje dat op het pleintje prentbriefkaarten en schepijs verkoopt. Wolfmensen, wezens waarvan de voetnagels uitgroeien tot Gaspards klauwen.
‘Doe niet zo flauw!’ zegt Arlien. ‘Je bent toch niet báng?’
‘Ja,’ zegt Bart, ‘ja, ik ben wel bang. We horen hier niet. Nu niet. Nooit.’ En hij krabbelt op handen en voeten achterwaarts de duinpan in.
‘Niet doen!’ roept Arlien. ‘Je mag me niet alleen laten!’ De paniek in haar stem doet hem stoppen.
‘Ga dan mee. Je zei zelf...’ Hij kan zijn zin niet afmaken. Het beeld is te sterk, als hij het uitspreekt zal het waarheid worden. Grijze schimmen met verscheurde kleren die vanaf de duintoppen omlaag rennen. Grommend en snuivend, hun ogen wijd opengesperd. Ogen waarvoor de nacht even helder als de middag is. Rennend op handen en voeten, snuffelend aan hun spoor en dan doorjagend, stemloos, omdat wolven geen stem hebben.
Ze staat naast hem en grijpt zijn arm vast. ‘Ik ben ook bang,’ zegt ze. ‘Niet voor mijn vader of moeder, dat ze boos worden.’
Nee, denkt Bart. Je bent bang omdat we naar het strand omlaag kunnen gaan en dan zullen daar dingen op ons wachten, dingen met de gezichten van mensen, maar je vader en moeder zullen er niet bij zijn.
Stammen doemen uit de duisternis op, een fractie van een seconde zichtbaar voor ze je neus zullen breken. Arlien is nu even blind in het donker als hij. Een ademloze vlucht, het gedempte ploffen van hun voetstappen het enige gerucht.
Het verlaten dorp glijdt achter de kromming van de weg te voorschijn: boerderijen met daken van stro, waarop bosjes kruizemunt in de wind ritselen, de betonnen toren van het zwembad. Arlien frummelt met de deursleutel en de stilte versterkt elke tik, elke rinkel tot een oorverdovend geluid. Van achter de duinen likken vlammen op. Een moment worden ze helder groen, een onmogelijke kleur en dan zinken ze weg.
‘Ooh, Gaspárd!’ hoort hij haar vloeken en dan klikt het slot open. Binnen is duisternis, maar het is een veilige duisternis en als de deur achter hen dichtvalt, weet Bart dat niets uit de nacht hen hier kan volgen.
Het duurt veertien dagen voor hij haar durft te bezoeken. Hij droomt nu elke nacht en steeds wijkt het water terug tot de eilanden boven de horizon omhoog steken, werkelijker en bereikbaarder dan het strand zelf met haar kleurige parasols en het schetteren van transistorradio’s.
De dag is een vaag moment, waar hij zo goed en zo kwaad doorheen leeft, heel zijn geest gericht op het dalen van de zon.
Hij belt drie keer aan voor ze opendoet. Ze draagt een donkerblauwe trui met draadjes zilver, een felrode broek. Niet bepaald de uitmonstering van een meisje dat Jezus gevonden heeft.
‘Bart...,’ zegt ze. Het klinkt vermoeid en dat is ook haar bedoeling. ‘Ik dacht dat we iets afgesproken hadden.’
‘Ja, maar ik kom niet voor de Eilanden.’
‘Zo?’ Geen hulp daar. Ze moet dat woord dagenlang voor de spiegel geoefend hebben en de tweede zin die hij gerepeteerd heeft, wordt meteen waardeloos. ‘Ik kom voor jou,’ is beslist de verkeerde opmerking.
‘Je zei dat Gaspard een leugen was. Ik wil weten wat je vond dat beter is dan de Eilanden. Groter. Het is de enige manier waarop ik kan stoppen met dromen.’
‘Ik denk dat je liegt. Ik weet het bijna zeker.’ Ze staat in de deuropening van de flat en blokkeert de toegang effectief. Hij kan alleen het halletje binnenstappen door haar opzij te duwen.
‘Kom binnen. Maar je moet me één ding beloven. Als ik straks zeg dat ik je niet meer wil zien, moet je nooit meer terugkomen. Kan ik daarvan op aan?’
Hij knikt. Een leugen meer maakt nu toch niets uit. En hij is niet van plan weggestuurd te worden.
Na drie jaar blijkt hij de stad toch slechter te kennen dan hij dacht. Arlien leidt hem de gracht langs, een verlaten scheepswerfje voorbij, waar een vijftal roeibootjes vermolmen onder gele zeildoek, een nauw stenen trapje op om tenslotte in een steegje te belanden. De huizen hellen schots en scheef naar elkaar over. Tussen de bovenste verdiepingen zijn waslijnen gespannen. Ondergoed wappert in de warme bries. Dit steegje had overal ter wereld kunnen zijn, Athene, Moskou, Hamburg. Arlien duwt een poort open en ze belanden op een binnenplaatsje. Verweerde netten hangen over een rek van dikke stengels bamboe.
‘Het is een soort clubhuis. Op dinsdag en vrijdag houden we diensten. De meesten komen van de Eilanden.’
Ballingen kruipen altijd samen in hun ghetto. Hij zegt de woorden niet hardop.
De deur staat op een kier. Een echo van zijn droom.
‘We hoeven niet aan te bellen.’
‘Mooi zo.’ Op de deur is een cirkel in neongroen gespoten, in de cirkel een mosgroen kruis.
‘Wat gezaaid wordt, komt groen uit de voren,’ zegt Arlien, ‘daarom hebben we voor een groen kruis gekozen.’
Eigenaardige godsdienst, denkt Bart. De gelovigen verzinnen de symbolen zelf. Het doet hem aan een splintersekte denken, aan slepende ruzies en rood aangelopen koppen in het vergaderzaaltje van de plaatselijke bijbelclub.
Ze lopen door een schemerachtige gang. Betongruis knarst onder zijn schoenzolen. Arlien duwt een deur open. ‘Dit is de gebedsruimte. Over een half uur begint de dienst. We kunnen zolang in de kantine zitten. Ik denk dat hij wel open is. Halfred woont hier en de kantine is zijn hobby. Min of meer.’
‘Mag ik even rondkijken?’
‘Natuurlijk. Als je vingers maar niet in de schalen met water doopt. Dat is sacraal.’
‘Ik zal er aan denken.’ Hij loopt naar het midden van de zaal en kijkt om zich heen. Twee dakramen, gebrandschilderd. Niet onaardig. Het líjkt tenminste op een kerk. Hoewel: het kleurige glas is een dun laagje kleeffolie, dat hier en daar al van het glas loslaat en blaasjes vertoont. Wat hij voor stroken lood aanzag, blijken bij nader inzien repen zwarte Tesaband te zijn.
Tegen de achtermuur hangt een kruis van gevlochten wilgentenen. In de holtes zijn pollen raaigras, aren graan en dovenetels gestoken. Hij herkent de messing schaal aan de voet van het kruis. Vijf verse bosaardbeien liggen op de bodem.
Arme Arlien, denkt hij. Jullie zijn doodgewone ketters. Dacht je te ontsnappen door de rituelen om te keren? In deze kerk is Gaspard nog heel duidelijk aanwezig. De schaduw van een afgodsbeeld heeft nog steeds de vorm van een afgodsbeeld.
‘Toen de priesters kwamen in hun platgeboomde schuiten vonden ze Gaspard,’ zei Arlien. ‘Het hadden strijders moeten zijn, soldaten van Jezus. Maar ze kozen de makkelijkste weg. Ze noemden hem Sint Gaspard en hingen een extrakruis in zijn kerken en dachten dat ze gewonnen hadden.’
‘Zo ging het meestal,’ zegt Bart. ‘En al die heiligen werden na een tijdje vergeten. Ik geloof dat St. Joris oorspronkelijk een Noorse god was, die met de Midgard Slang worstelde. Bijna geen gelovige weet dat meer. Of het interesseert ze niet.’
‘Gaspard was sterker. En geniepiger. Hij trok de pij van een bedevaartsganger aan en reisde overal met de zendelingen van Jezus mee. Behalve op de Eilanden blijven zijn tempels geheim, maar ze zijn talrijk. In kleine kamertjes boven cafétaria’s, op woonboten in de Mekong.’
‘En jullie geloven in Jezus?’ Een veilige opmerking.
‘Jezus stierf voor ons aan het kruis. Hij gaf, geeft! Gaspard, voor Gaspard waren mensen de druppels bloed die uit zijn pols dropen. Zonder plan, achteloos. En toch werden zij zijn koren, dat hij maaide en in de vlammen wierp. Twee miljoen jaar lang. Hoe kun je zo’n god liefhebben? Hij is een woekeraar, die het oorspronkelijke bedrag duizendvoudig aan rente int!’
Bart knikt. Haar woorden kwetsen hem. Om zo over Gaspard te spreken, om Hem in Zijn gezicht te spuwen. Gaspard is de Eilanden van de Avond, een onvervreemdbaar deel van hun magie.
Arlien is een nieuwe bekeerlinge, denkt hij, en ik... Ik ook. Voor mij was Gaspard het vreemde, het griezelig uitdagende nieuwe. Ik had al te veel over Jezus en God en de Onbevlekte Ontvangenis in de kerk gehoord om nog een greintje interesse te hebben. Voor Arlien is de goede boodschap nog recent, voor haar is het echt een goede boodschap. Terwijl Gaspard, hij is een god, die zijn andere wang beslist niet zou toekeren. Zijn zwaard is scherp, Zijn zwaard, die een zeis is, maait de volkeren der aarde.
Hij staat in het kermislicht van de dakramen, in een poel karmijn en zwavel en azuur en denkt: ik geloof. Ik ben aangeraakt. Ik ben een man van de Eilanden. In een veel duisterder ballingschap dan Arlien, want zij heeft de Eilanden vrijwillig verlaten, terwijl ik smekend aan de kades wacht en de veerboot mij negeert.
‘Zullen we naar de kantine gaan?’ zegt hij.
Vierentwintig mensen. Meer dan Bart verwacht had. Zouden ze werkelijk van de Eilanden afkomstig zijn?
Hun manier van bewegen, het draaien van een hoofd, de wijze waarop ze de zilveren bekertjes met water vullen: elke handeling is subtiel verkeerd. Of niet verkeerd. Anders. Dit zijn geen gewone mensen.
Als zij over hun westelijke stranden uitkijken zien ze de ondergaande zon. De ondergaande zon en de rand van de wereld. Want verder dan de Eilanden kan niemand reizen.
De dienst duurt een krap half uur. Hun gebeden komen nog aarzelend, hun zang is weinig melodieus. Alsof ze nog aan het zoeken zijn naar de juiste rituelen, naar symbolen, die suggereren dat hun geloof respectabel oud is en al generaties bestaat.
Elke keer als zij ‘Jezus’ zeggen, echoot Bart ‘Jezus’, elke keer als zij ‘De hand die ons liefdevol uit de Vallei des Doods leidt’ zingen, herhaalt hij hun woorden, maar in werkelijkheid zegt Bart ‘Gaspard’ en ‘Zijn scherpe zwaard, dat de volkeren maait.’
‘Kom je nog eens langs?’ vraagt ze. De fronslijntjes tussen haar wenkbrauwen zijn verdwenen. Het zonlicht glinstert in de zilveren draadjes van haar trui.
‘Natuurlijk. Kom donderdag bij me eten, goed?’
‘Ik heb je adres niet.’
‘Dat kan verholpen worden.’
Bart staat op een brug boven de Oude Gracht. Neonreclames flikkeren in zijn ooghoek. Hij kijkt omlaag naar het water, waarin een tweetal eenden ringen rimpelt en opent zijn portemonnee.
‘Aanvaard dit kleine blijk van mijn waardering,’ zegt hij hardop en keert zijn portemonnee om. De munten tuimelen omlaag en verdwijnen met zachte ploepjes in het traag stromende water. Boven hem de grijze zomernacht, Gaspards sterren diamanten spinnenogen. Stilte. Te veel stilte.
Hij draait zich van reling af en trekt de ketting van zijn fiets ratelend door de spaken.
‘Sorry hoor, Bart,’ zegt Martin, ‘maar wat zie je in godesnaam in die meid?’
Bart haalt zijn schouders op. ‘Dat weet ik zelf niet precies. Ze heeft iets.’ En hij weet verdraaid goed wat ze heeft: een sleutel die op de enige deur past, die hij wil openen. Een draad van Ariadne door een doolhof dat mensen enkel in hun droom mogen bewandelen.
Als hij haar buik streelt, raken zijn vingertoppen het litteken aan. Hij trekt zijn hand met een schokje terug. Arlien verstijft.
‘Wat is er?’ vraagt hij geschrokken. ‘Deed ik je pijn?’
Ze schudt haar hoofd. ‘Kijk maar. Ik heb niets voor je te verbergen.’
Het litteken is een dunne, witte cirkel om haar navel. Een amper opstaand randje van geheeld weefsel.
‘Wat is dat? Een operatie?’
‘Dacht je dat ze me zomaar lieten gaan?’ zegt ze bitter. ‘Ik verliet de Eilanden. Nu ben ik net als jullie.’
‘Wat deden ze?’ Even speelt een afschuwelijk idee door zijn gedachten. Rituele sterilisatie, messen die diep in haar buik gestoken worden. ‘Wat namen ze weg?’ Zijn stem is hees en hij heeft meteen spijt van zijn vraag.
‘Ze namen niets weg,’ antwoordt Arlien toonloos. ‘Ze gaven me iets. Om me net als jullie te maken. Om te laten zien dat ik nu een beest ben.’ Ze raakt haar navel aan en prikt hard in de kleine holte. ‘Dit.’
‘Maar ik dacht,’ zegt hij hulpeloos. ‘Jullie zeiden, Gaspard maakte de mensen! En dit...’
Ze draait haar gezicht naar hem toe. Haar ogen zijn stijf dichtgeknepen. ‘Bart, je begreep dat verhaal verkeerd. Het is een allegorie. De Eilanders zijn Gaspard. Wij. Had je na die nacht niet begrepen dat wij de maaiers der mensen zijn? De hongerige oogsters van het scharlaken graan?’
‘Dat wist ik niet.’
Hij streelt haar tot ze niet langer zachtjes huilt en haar ademhaling regelmatig wordt. Tot de eerste stralen van de zon door de dunne gordijnen schijnen en de kamer zeegroen en warm wordt.
‘Als we nog een kilometer doorlopen zijn we in Scheveningen,’ zegt Bart. ‘Dat is dichterbij dan omkeren. Ik heb langzamerhand flinke trek.’
Ze kijkt stuurs de andere kant uit. Arlien is geen meisje dat makkelijk vergeeft. En hij moet toegeven dat ze daar deze keer goede redenen voor heeft. Dat hij met Dorien naar het feestje bij Martin gegaan is, dat is nog tot daar aan toe. Per slot van rekening hadden ze afgesproken dat ieder zijn eigen leven zou leiden. Maar het was in haar eigen eenheid. En hij had met haar afgesproken die dag naar Amsterdam te gaan. Oké, die afspraak was hij straal vergeten, dus ze kon hem niet verwijten dat hij niet afgebeld had. Je kunt moeilijk iets afbellen wat je vergeten bent. Maar om haar laat op de avond in de keuken tegen te komen, terwijl ze toch al een pesthumeur had door de herrie uit Martins kamer.
‘Je had toch gewoon iets kunnen zeggen?’ zei ze de volgende ochtend in het telefoongesprek. ‘Je deed net alsof je me niet zag en je liep vlug terug naar Martins kamer. Waarom? Schaam je je soms voor me? Hoe denk je dat ik me dan voel?’
En hij moet toegeven: ze heeft gelijk. Hij zou zelf ook kwaad worden als ze hem zoiets flikte. Maar dat had hij toch eerlijk gezegd? Waarom moest ze daar de hele dag over boos blijven?’
Als de stilte te lang duurt, zegt hij: ‘Ik weet een leuk restaurantje. Vis.’
Ze blijft abrupt staan en zucht. ‘Als jij er niet over wilt praten, lijkt het me beter dat wij elkaar een paar dagen niet zien.’
‘Maar ik heb toch gepraat! Wat moet ik in godesnaam nog meer zeggen?’
‘Dat weet je zelf het beste.’
Scheveningen is nog anderhalve kilometer ver, dan de brug over, een uur lang tegenover elkaar aan een tafeltje zitten zwijgen. ‘Ik heb er geen zin meer in,’ zegt Bart.
‘Niemand dwingt je om naast me te lopen. Ik wil best omkeren. Het station kan ik ook in mijn eentje vinden. Loop maar door naar je stomme kutrestaurantje!’
‘Jezus, Arlien.’ Hij pakt haar bij de elleboog en ze rukt zich los.
‘Ik wilde helemaal niet naar dat stomme strand van je! En je weet best waarom.’
‘We kunnen toch...’ Ze staat aan zijn linkerkant, haar wangen nat en glimmend. Achter haar rusten vier wolkenbanken op de horizon, solide vormen, die zwaar en permanent uit de zee oprijzen. ‘Grevemark, Castrillum, Brooide, Wigland,’ fluistert hij, ‘Laak.’ Een litanie, woorden die de werkelijkheid transformeren en in nieuwere, mysterieuze vormen kneden. Ieder moment worden de Eilanden gedetailleerder tot hij de segmenten van de vuurtoren kan onderscheiden en de krijtwal in een blinkend witte penseelstreek boven de duinen zweeft.
Ze volgt zijn blik. ‘O Gaspard,’ zegt ze bijna onhoorbaar. Dan, luider: ‘Heb je nu je zin? Daar zijn je Eilanden. Je kunt zo de zee inlopen en ik geloof dat de eb net begonnen is. Dat wilde je toch? En ik ben alleen maar je hulpje. Nu heb je me niet meer nodig.’
‘Arlien,’ zegt hij, maar hij kan zijn blik niet van de Eilanden losmaken. Mechanisch bukt hij zich en knoopt zijn schoenveters los. ( De zwarte mossels, diep in de grijze modder. Zoete, verlangde pijn. ) Hij stapt de zee in tot het water hem tot de kuiten reikt. De afwaartse stroming trekt aan zijn voeten. De eb begint, een krachtiger eb dan in deze zeeën thuishoort. Spoedig zullen de modderbanken de laatste golven naar de horizon drukken en zal de weg voor hem open liggen. Ditmaal zal hij geen diepe rivier ontmoeten. De zee wijkt voor hem, dit is zijn doodtij. Het ogenblik van de vervulling.
Op twintig meter van het strand kijkt hij over zijn schouder. Misschien om een laatste blik te werpen op het land dat hem zo benauwd heeft, dat altijd meer nam dan hij wilde geven. Arlien heeft haar armen om haar benen geslagen en haar gezicht tussen de knieën weggedrukt. Hij ziet alleen haar kruin nog. Een klein, droevig beestje, wegkruipend voor een winter die ze haar leven lang gevreesd heeft.
Maar je was zo sterk! denkt hij. Zo blij. Zo... echt. Zelfs toen je in die idiote kerk van je stond, bij dat zelfverzonnen kruis.
Plotseling merkt hij hoe ijzig koud de zee is. Zijn broekspijpen zijn al doorweekt, aan zijn knie kleeft een klodder teer.
De Eilanden rukken en zuigen hem naar zich toe, een nieuw soort zwaartekracht, die hem onweerstaanbaar naar de horizon trekt. Daar woont een man, die in een schuurtje gadgets bouwt, die tien jaar te vroeg zijn. In een baai wellen warme bronnen op en is het water zelfs in de winter azuur en in de duinpannen groeien agaves en sinaasappelbomen. Daar is een strand dat uitkijkt over de rand van de wereld. Een wrede god, de oude wolf, onverzoenlijk, en één nacht in het jaar mag je vergeten dat je een mens bent.
De eeuwige zwoele baai, waarin hij met Arlien een vlot bouwde van planken en drijfboeien, holle kogels van diepgroen vlas, die de netten gemarkeerd hadden. Het strand, waarop ze de volgende ochtend smeulende sintels hadden gevonden en iets dat misschien een gesmolten knoop was. Het pleintje, waar Arlien haar briefkaarten gekocht moest hebben.
Ze heeft me zes keer geschreven, realiseert hij zich, en ik heb haar maar één keer een brief teruggestuurd. Ik weet niet eens zeker of ik die wel gepost heb.
Hij knijpt met zijn handen in zijn dijbenen en buigt zijn hoofd. Als hij naar de horizon kijkt strijken brede banen zonlicht over de duintoppen.
De Eilanden zijn domweg eilanden. Exotisch en vreemd. Hun magie valt niet te ontkennen, maar het is ineens verschraalde magie. Ze zijn leeg. Op de eilanden wonen vreemdelingen en hij is niet van hun bloed.
‘Arlien,’ zegt hij en legt een hand op haar schouders. ‘Zullen we doorlopen? Als je tenminste nog honger hebt?’
Van ver over de wateren bereiken de gezangen van vissers hem, de vissers, die hun netten boeten in afgesloten binnenplaatsen waar geen vreemdeling ooit wordt toegelaten.

(c) 2009 Verschijnsel en Tais Teng. Herdruk en verdere verspreiding verboden