De rijp aan de binnenkant van zijn helm begon het uitzicht op de dolle wentelmolen van sterren te verhullen, een teken dat het einde naderde. Met ingespoten kalmte controleerde Dashiel McKay de gegevens van zijn ruimtepak. De computer deelde alles overzichtelijk en zonder haperen mede: het noodbaken werkte perfect, zijn huidige koers dreef hem steeds verder van het scheepswrak vandaan en de werking van de levensfuncties van het pak zouden over circa zeven minuten naar een kritiek niveau zakken. Autonome reparatie behoorde niet meer tot de opties. Zijn lichamelijke gesteldheid vereiste directe medische behandeling. Zijn verwondingen gingen de medische mogelijk-heden van het pak te boven.
Afstandelijk besefte Dashiel McKay dat hij wilde schreeuwen, vloeken, iets dóen. Hij was echter door zijn pak platgespoten en had nog zeven minuten te leven. Zeven minuten. Waren de extra zeven minuten een voorrecht of een kwelling? God was een wrange grappenmaker.
Het schip was opengereten, waarschijnlijk door een schot lichtgruis, ijzeren knikkers met 70% tot 85% van de lichtsnelheid. De meeste bemanningsleden waren door de schok gedood. Door het absorptieweb overleefde Dashiel de eerste klap en het ruimtepak had zich in een fractie van een seconde om hem heen gevouwen. De volgende ontploffingen en de vrijkomende straling hadden de meeste andere bemanningsleden gedood en zijn pak en lichaam beschadigd.
Drie minuten nog. Wat kon hij nog doen in die tijd? Zijn testament dicteren? Zijn twijfels of overtuigingen uitdragen? Dashiel McKay besefte dat er niemand op zat te wachten. Hij was alleen en zou alleen sterven. Het was zo’n beetje de ergste dood die canemi zich konden voorstellen. Ze waren gezelschaps-wezens, ze hielden niet van afzondering en zeker niet van eenzaamheid. Wat zou een tanuki er van vinden? Dat was een ras van individualisten, stuk voor stuk. Ze...
Te laat nu. De zeven minuten waren om.
‘Zoete herinneringen, Dashiel,’ wenste hij zichzelf toe voordat hij wegzakte.
1
De ventilatie werkte zonder haperen, maar het leek warmer dan normaal op de brug van de Afgunst. Met zijn aangepaste neus kon Dashiel McKay nog net de opwinding van de anderen ruiken voordat het werd weggefilterd. De canemi duldden geen afleidende geuren in het centrale commando van het oorlogsschip.
Admiraal Herald van Stam Drie wendde zich tot Dashiel. Ooit moesten zijn voorouders Duitse herders zijn geweest en iets van hun spitse trekken had hij behouden. De verre afstammeling van de oorspronkelijke honden was echter een volwaardige intelligentie. Een niet-menselijke intelligentie. En daar draaide het om in de komende oorlog.
‘Wij naderen Tanuki 36. Laat de honden van oorlog los! Harg, harg.’
Over een front van lichtweken breed doken schepen op uit de hyperruimte. De strijd om Tanuki 36 was begonnen.
Het heelal was niet overvloedig bedeeld met leven, maar er was leven. Intelligent leven was zeldzaam en intelligent leven dat onderzocht, zich uitbreidde, en altijd over de volgende horizon wilde kijken was nog zeldzamer. De mensheid was zo’n ras. De tanuki waren nog zo’n ras. De mensheid vormde zich in een jong zonnestelsel, bijna aan de buitenkant van de melkweg. De tanuki ontwikkelden zich in het oude hart van de melkweg. De tanuki waren oneindig veel ouder dan de mensheid.
De mensheid had ruimtevaart, onsterfelijkheid en daarom altijd nieuwe planeten nodig. De tanuki hadden precies dezelfde zegeningen en behoeften, alleen hadden zij die al bijna drie miljard jaar langer dan de mensheid.
Er waren oorlogen tussen de mensheid en de tanuki. De technologie van de tanuki was beter, het strategisch inzicht van de mensen woog daar weer tegenop. Toen vele zonnestelsels voor goed onbruikbaar werden voor bewoning en ontelbaren gestorven waren, werd er vrede gesloten. De mensheid en tanuki zouden geen oorlog meer met elkaar voeren. Daarvoor waren beide rassen te groot, de woongebieden te kwetsbaar.
Daarom schiepen de mensen de canemi. De mensen vochten beter dan de tanuki want zij vochten in groepen, gewend aan langdurige samenwerking. Welk wezen bezat precies dezelfde eigenschappen? Welk wezen jaagde in groepen en putte zijn prooi uit door langdurige achtervolging? Welk wezen had precies hetzelfde strategische inzicht als de mensheid?
De mensheid schonken de honden intelligentie en slavernij.
De hemel van Tanuki 36-VI was kobaltblauw met een zweem van roze. Dashiel McKay las op het ruime balkon van het paleis een oud handgemaakt boek toen een bediende hem stoorde.
‘Gouverneur McKay. Generaal Cortona, de afgezant van de Menselijke Unie is hier,’ sprak de canemi bediende.
‘Is hier wanneer? Toen of nu?’
Hij wist het antwoord, maar Dashiel stond op het juiste taalgebruik. De woorden van de bediende konden betekenen dat de generaal daadwerkelijk aanwezig was, óf dat ze aanwezig was geweest en haar geur er nog steeds hing.
‘Is hier nu, sir.’
‘Uitstekend. Meld haar dat ik er aan kom.’
Dashiel legde het boek weg en liep naar binnen. Het paleis was oorspronkelijk gebouwd door de tanuki en na de verovering hadden de canemi het aan zijn behoeften aangepast. Eindeloze gangen met hoge kruisbogen waren onderverdeeld in een reeks opeenvolgende kamers. Toch bleef het paleis een vreemde plaats die vreemde emoties opriep, niet bedoeld voor mensen noch voor canemi.
Margaret Cortona was een kleine donkere vrouw van zevenhonderd jaar oud. De laatste drie eeuwen had ze in het menselijke leger gediend en nu was ze de bij de Canemi Staat de militaire gezant van de Menselijke Unie. Ze rook onverzorgd naar een lange reis, biopeppers en oud zweet, maar Dashiel besefte dat de generaal dat waarschijnlijk zelf niet wist. Ze was niet uitgerust met een gevoelig reukvermogen. Ze kon niet zíen in geuren.
In een vlaag van zelfspot blies Dashiel door zijn neusgaten om zijn eigen verwaandheid. Hij was niet beter dan een blindeman vergeleken met de canemi. Hij kon tientallen malen scherper ruiken dan een normaal mens. Hij begreep de emotie van een geur. Maar kon hij precies bepalen hoe lang een geur ergens hing, kon hij de fijne nuances in lichamelijke gesteldheid bepalen? Nauwelijks. Ergens op de evolutionaire reis hadden zijn apenhersenen dat vermogen opgegeven. Maar ja, daar stond tegenover dat het ruimtelijke inzicht van de canemi beroerd was.
‘Dashiel. Het is goed je weer eens in levende lijve te zien.’
Dashiel glimlachte. ‘Ik ben blij ook weer eens een mens in het echt te zien. Alle datasimulaties verbleken bij jouw verschijning Margaret, moet ik zeggen.’
De generaal lachte. ‘Je hebt je gouden tong nog niet verloren, Dashiel. Dat hoor ik al. Maar op de ondertekening zullen er genoeg andere mensen zijn. En...’ Ze wachtte een moment lang. ‘Er zal inderdaad een tanuki aanwezig zijn. Het is een tanuki van zeventiende orde, de hoogste in deze sector. Zijn Verdragsteken telt dus zwaar.’
‘Een tanuki in levende lijve? Ik ben benieuwd.’
Op de open plek sneeuwde het zachtjes, het hele woud in een stille deken van grijs en zwart hullend. Weggedoken in zijn jas vroeg Dashiel zich af waarom de canemi zo’n mooie maar ook zo’n ongemakkelijke plek hadden gekozen om de planeet officieel aan de mensen over te dragen. Plots besefte hij waarom, waarschijnlijk als enige van de groep kleumende mensen. De hele locatie was een grap van de canemi. De schoonheid van de plek zat niet enkel in het uitzicht. De schoonheid zat ook in de lucht. De winterkou maakte de geuren scherp en helder. Dashiel snoof. Hij rook de gepeperde islolatiehars van de bomen. Een groep kariboes was hier enkele dagen geleden langs getrokken. De wind voerde de geur van gletsjerijs mee. Vaag kon hij nog een ondertoon van geduldig plantenleven onder de sneeuw bespeuren. Dit was allemaal Tanuki 36-VI en het enige dat de toekomstige eigenaren konden doen was het stampen met de voeten en het vervloeken van de kou.
Het landschap leek weinig invloed op de tanuki te hebben. Als een berg van gespikkeld bont stak hij ver boven de verzamelde mensen en canemi uit. De kop van de anderling was plat en breed, evenals zijn kaken. Kleine ogen lagen aan weerszijden van de formidabele kaken. Deze tanuki droeg geen kledij, maar Dashiel wist dat dit soort onder het bont huidzakken had waarin hij zeker een vertaler had zitten. Niet alle tanuki waren zo. Ze verschilden onderling evenveel als de vogels in het veld. Tot nu toe hadden de specialisten van de Menselijke Unie 316 subrassen ontdekt en de mensheid was de laatste twaalfhonderd jaar slechts met een klein gedeelte van de tanuki in aanraking gekomen.
De afdracht van het zonnestelsel van de canemi aan de mensen was een simpele aangelegenheid. De menselijke en de canemi diplomaten tekenden op een kaal stuk basalt de ouderwetse documenten en de tanuki bevestigde het geheel met een Verdragsteken. De tanuki-afgezant zou het nieuws verspreiden onder zijn volk en dat was dat. De tanuki schonden geen Verdragstekens. Tenminste, zelden die van een meester van de zeventiende orde.
Er waren geen festiviteiten, geen speeches. Na de onder-tekening begon iedereen in de richting van de zwevers te lopen die op een paar honderd meter afstand geparkeerd waren. Tot zijn verbazing kwam de tanuki naar Dashiel toe.
‘U bent de persoon-wiens-beslissingen-worden-aanvaard-door-anderen-van-deze-planeet. Maar nu niet meer. U bent een mens,’ klonk de afgemeten menselijke stem uit de vertaler.
‘Ik ben... Ik was de gouverneur,’ sprak Dashiel langzaam. ‘Ik ben geen mens. Ik ben een canemi. Ik wordt als zodanig erkend door de canemi en de mensen. Volgens het verdrag van Xo dat getekend werd tussen de president van de Menselijke Unie en de tanuki meester van de veertigste orde zijn de genen niet bepalend voor leden van een ras.’
De clausule was opgenomen om alle tanuki-ondersoorten onder het verdrag te vangen. Het betekende ook dat Dashiel McKay een canemi kon zijn.
‘Uw volk verkoopt deze planeet aan de mensen voor schepen, wapens en technologie,’ klonk het uit de vertaler van de tanuki.
‘Binnen de regels van het verdrag,’ antwoordde Dashiel. Er was een korte pauze.
‘De canemi zullen opnieuw tanuki-stelsels aanvallen met deze wapens.’
‘Daarover kan ik niets zeggen.’
Weer een pauze terwijl de vertaler zijn werk deed.
‘Ik hielp bij de kolonisatie van deze planeet. Er was schoonheid, ruimte voor vervulling. Nu niet meer voor mijn ras.’
Dashiel bekeek de anderling aandachtig. Tanuki 36-VI was iets meer dan dertigduizend jaar geleden door de tanuki van een atmosfeer en ecologie voorzien. Als het grote bonte wezen de waarheid sprak was hij óud.
‘Het is een mooie planeet. Ik zal haar missen,’ sprak Dashiel ten slotte.
‘Wij hebben allebei verloren. Ons ras en uw ras. De mensen zullen deze planeet bewonen.’
Bruusk draaide de tanuki zich om en liep weg.
De thuisplaneet van de canemi was Shou Hsing, maar zelf noemden ze haar Thuis. De mensen terraformeerden Shou Hsing voor de canemi met het oog op zware industrie en snelle bevolkingsgroei.
Dashiel hield niet van Thuis. Waren de steden altijd al zo druk, was de lucht de vorige keer al zo vol met industrie? Waarschijnlijk wel, maar toen was het hem niet opgevallen. Na de verlatenheid van Tanuki 36-VI was Thuis vol en vervuild.
Dashiels dagen waren gevuld. Als één van de weinige canemi die als mens geboren was, diende hij de Canemi Staat als contactpersoon met de Menselijke Unie. Dashiel vond het diplomatieke werk leuk, maar zijn hart verlangde naar actie.
Op een stormachtige herfstavond ontving Dashiel een handgeschreven uitnodiging van zijn oude vriend en strijdmakker admiraal Herald van Stam Drie en met vreugde accepteerde hij die.
Het huis van de admiraal was een huis vol kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Canemi geloofden in grote huishoudens. De gastvrouw, Heralds oudste dochter, had hen in de serre geïnstalleerd. In de warmte onder het glas hadden ze uitzicht op de langgerekte tuin met de flora van verscheidene planeten.
‘Perlar-struiken van Tanuki 36, herinner je hun geur?’ sprak admiraal Herald van Stam Drie uitkijkend over de tuin. De jaren hadden zijn korte stugge haar veranderd van zwart en goud in verscheidene tinten zilver. Tegenwoordig liep hij met een stok, maar zijn ogen stonden nog helder en zijn verstand en humor waren nog messcherp.
Dashiel knikte. ‘Als de dag van gisteren. Als oud brood in de winter, maar in het voorjaar scherp als zout.’
‘En de levenskrachtige smaak van de zomer en de kwijnende zoetheid van de herfst,’ vulde Herald aan. ‘Op Tanuki 36 schreven sommigen gedichten over de geuren van de Perlar-struiken. Maar nu... De Perlar-struiken gedijen niet op Thuis. Nu hebben wij enkel nog de gedichten.’
De klacht was duidelijk, maar Dashiel ging er niet op in. Tussen hun twee was dat niet nodig. In plaats daarvan sprak hij: ‘Er zullen nieuwe veroveringen zijn. Iedere vierde planeet hoeven de canemi niet af te staan, als ze niet willen.’
De oude Herald schudde enkel zijn hoofd. ‘Ik mis de geur van de Perlar-struiken.’
‘Dat begrijp ik vriend, maar als je een geheim kan bewaren, uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat de Militaire Commissie eindelijk nieuwe doelen heeft geselecteerd. Over een paar jaar komen wij weer in actie!’
‘Harg, harg. Jíj komt in actie. Mijn kleinzonen zullen mij tegen die tijd pap voeren.’
‘Er zijn weinig mensen met zoveel nageslacht,’ zei Dashiel.
‘Harg, harg. Laat ze sterfelijkheid proberen, als ze willen.’
Het tweede treffen tussen de canemi en tanuki betrof een stelsel dat werd aangeduid als Tanuki 139. Na Tanuki 139 volgden meer stelsels en meer nummers. Dashiel zag de hemel van een tiental planeten, hij proefde de geuren van een tiental verschillende werelden. Soms was de strijd gemakkelijk, soms was de strijd verschrikkelijk en de verliezen zwaar.
Verdragen werden getekend en nieuwe werelden werden aan de mensen overgedragen. De honden der oorlog trokken verder.
Het was al weer meer dan negen jaar geleden dat Dashiel McKay in dienst was geweest en hij was blij weer in actie te komen. Het was vreemd. Wanneer hij op campagne was, verlangde hij naar Thuis en als hij op Thuis was, verlangde hij weer naar de volgende campagne.
Hij was ingedeeld als adviseur onder het bevel van kapitein Hoop. Die situatie was louter ceremonieel. Wanneer het vijandelijke stelsel was veroverd, zou Dashiel McKay deel uit maken van de gouvernementele bestuursraad, maar zolang er gevochten werd, was hij lager in rang dan een gewone kapitein.
Bij de aankomst op het overslagstation sprong Dashiels hart van vreugde open. De naam was veranderd, en het uiterlijk iets aangepast, maar het onmiskenbaar de oude Afgunst die in het ruimtedok lag.
‘U ruikt vrolijk, waarom?’ vroeg kapitein Hoop toen Dashiel McKay zich gemeld had. Hij kende kapitein Hoop niet. Het was een canemi uit de militaire traditie: zijn korte stugge haar in een enkele kam geschoren, zijn trekken scherp als uit steen gesneden.
Dashiel klopte op de romp. ‘Vroeger heette dit schip de Afgunst. Met dit schip vocht ik samen met admiraal Herald van Stam Drie de slag om Tanuki 36, sir.’
‘Admiraal Herald van Stam Drie was mijn betovergrootvader,’ sprak kapitein Hoop en plots zag Dashiel de gelijkenis. ‘Harg. Schepen en mensen blijven bestaan, maar canemi sterven, nietwaar?’
Dashiel fronste. Hij had de beperkte levensduur van de canemi niet moeten vergeten. De slag om Tanuki 36, het eerste treffen tussen de canemi en tanuki was nauwelijks tweehonderd jaar geleden. Voor hem lang geleden, maar niet te lang. Voor de huidige canemi was het grijze geschiedenis.
‘Wij zullen de tanuki met dit schip goed te pakken nemen, sir,’ sprak Dashiel.
‘Harg,’ lachte kapitein Hoop bitter.
2
Zijn eerste gewaarwordingen waren ziekenhuisgeuren. Langzaam volgden geluiden en vage beelden. Blijkbaar was een alarm afgegaan want een arts kwam eraan, een canemi.
‘Ik leef nog,’ concludeerde Dashiel McKay met krakende stem.
‘Het scheelde niet veel,’ zei de arts droog. ‘Als de bergingsploeg u tien minuten later had binnengehaald was u niet meer te redden geweest. En daarbij komt nog dat wij ingesteld zijn op canemi, niet op mensen.’
‘Ha!’ probeerde Dashiel te lachen, maar het deed te veel pijn. In plaats daarvan lachte de arts voor hem. Dashiel rook zijn vertrouwen, zijn vreugde.
‘Mijn... mijn reuk. Het is scherper geworden,’ zei Dashiel.
‘Dat klopt. Uw inplant was eigenlijk erg ouderwets. Wij hebben u een beter model gegeven. U kunt nu even goed ruiken als wij. U zal dat nog wel moeten leren, maar dat is een kwestie van revalidatie.’
Dashiel McKay deelde de revalidatiezaal met kapitein Hoop en de andere overlevenden van de oude Afgunst. Diegenen die levend het hospitaalschip binnenkwamen konden de dokters meestal volledig oplappen. Van de ruim vierhonderd bemanningsleden en soldaten aan boord leefden er nog zevenentwintig. Het meest canemi die zich op of nabij de brug bevonden. Dat deel van het schip was na de machinekamer het best beveiligd.
Dashiel en kapitein Hoop speelden eindeloze spelletjes schaak tussen alle oefeningen door. De canemi won meestal.
‘De afgelopen eeuwen hebben wij vijftien stelsels op de tanuki veroverd,’ sprak de kapitein op een dag onder een spelletje schaak dat voorlopig nog in de onbesliste fase verkeerde. ‘Dertien hiervan hebben wij aan de mensen moeten overdragen. Eeuwen oorlog en slechts twee nieuwe stelsels om onze bevol-king te vestigen. Pwahh, het is bitter!’
‘De strijd verloopt gunstig. Enkel de laatste buitenposten moeten nog worden gezuiverd en dan is het stelsel in onze handen,’ antwoordde Dashiel afwezig terwijl hij het speelbord bestudeerde.
‘Harg! Jij met de diplomaat-antwoorden. Je weet donders goed waar ik het over heb, maar je verandert gewoon van onderwerp.’
Dashiel haalde zijn schouders op. ‘Een aangeleerd instinct. Toren neemt loper.’
Dashiel hoorde van de vernietiging van Thuis toen hij net zijn intrek had genomen in het nieuwe gouvernementele paleis. Dozen stonden nog halfuitgepakt in de gangen en meubels en apparatuur waren nog niet aangesloten. Met afschuw in zijn hart hoorde Dashiel op zijn persoonlijke datacom hoe een clan tanuki verzameld onder een verdragsteken van een meester van de elfde orde door de verdediging van Thuis was gebroken. Het waren niet veel schepen geweest, maar genoeg. Thuis was nu een geblakerde radioactieve sintel waarop voor honderdduizenden jaren geen leven meer mogelijk was.
Als geveld door een enorme slag viel Dashiel neer op een stoel. Thuis vernietigd. Hij kon het niet bevatten. Miljarden waren in enkele minuten tijds gestorven. Zoveel levens voorgoed afgebroken. Dashiel was te jong om de Armageddondagen van de oorlog tussen de mensen en de tanuki mee te hebben gemaakt. Nu begreep hij iets van de wanhoop van die tijd, de woede, de meedogenloosheid. Voor het eerst begreep hij echt de mensen, het ras waarin hij geboren was.
De naam van de wereld was Woud en het was de nieuwe hoofdplaneet van de Canemi Staat. Dashiel McKay vond de verschillen pijnlijk. Hij had gevochten in vele campagnes en was soms decennia achtereen onderweg geweest. Maar altijd was er Thuis. Vol, vervuild, altijd tot barstens toe gevuld, maar een thuis. Het verschil tussen Woud en Thuis was te groot.
In de lucht van Woud viel nog maar weinig industrie te bespeuren. De nederzettingen waren nog maar klein en wijd verspreid. Het was de nieuwe thuiswereld van de canemi, maar het was een vrijwel lege wereld. Het grootste deel van de canemi was met Thuis vernietigd.
Het nieuwskanaal vertoonde schepen van de Menselijke Unie die volgepakt met hulpgoederen landden op de ruimtehaven. Buiten de hekken van het landingsveld had zich een menigte demonstranten verzameld. Ze zwaaiden met banieren en plakkaten en spreekkoren wisselden elkaar af.
‘Geen aalmoezen van de Aarde,’ lazen sommige plakkaten. ‘Waar waren jullie?’, ‘Laat de honden der oorlog maar sterven’, ‘Lassie luistert niet meer.’
‘Ha!’ Ongewild moest Dashiel lachen om de laatste opmerking. Iemand was in de geschiedenisarchieven gedoken. Misschien zei die slogan de canemi zelf niet zo veel, maar de beelden waren bedoeld voor de mensen. Dashiel hield zijn lach in. In feite was het een ernstige zaak. Hij had rapporten gekregen over geheime canemi-organisaties. Organisaties die de relaties tussen de Menselijke Unie en de Canemi Staat wilden verstoren. Ze hadden als naam ‘De honden der oorlog’ gekozen en blijkbaar was hun aanhang groter dan de analysten hadden ingeschat.
Zijn bediende-lijfwacht kwam met een kaartje. Het was een uitnodiging van Hoop. Een golf van herinneringen kwam boven bij Dashiel en plots voelde hij een brok in zijn keel. Zo lang geleden, zoveel gezichten, zoveel vrienden. Wat had Hoop ooit gezegd? Schepen en mensen blijven bestaan, maar canemi sterven, nietwaar? Soms leek sterven beter dan leven.
‘Bericht kapitein Hoop dat ik kom,’ sprak Dashiel met moeite.
Hoop had als ontmoetingsplaats de stilte van een hotel uitgekozen. Het gebouw was opgetrokken uit natuursteen en donker hout. Het lag halverwege een berghelling, boven een diep rond dal. Behalve het uitzicht waren ook de geuren spectaculair. De gasten konden op het terras genieten van glazen melk of bloedthee terwijl de opstijgende dallucht een subtiele geurenpracht meevoerde. Dankzij het spel van het weer en de seizoenen was elk uur, elke dag weer anders.
Dashiel en Hoop zaten samen op één van de lage houten banken. Dashiels lijfwachten hadden zich discreet uit gezichts- en reukafstand teruggetrokken.
‘Dashiel, vriend,’ sprak Hoop op ernstige toon. ‘Ik wil dat je weggaat.’
Dashiel keek het wezen naast hem aan. ‘Weggaat? Wat bedoel je? Op reis? Weg van Woud?’
‘Ik wil dat je de Canemi Staat verlaat, voorgoed. Ik wil dat je vertrekt en nooit meer terug komt.’
Dashiel fronste zijn wenkbrauwen, iets wat de canemi niet konden. ‘Dat zijn harde woorden uit de mond van iemand die zich mijn vriend noemt.’
Afwerend schudde Hoop zijn hoofd. ‘Ik zeg het juist omdat ik je vriend ben. Het is gevaarlijk om een mens te zijn onder canemi. Ik... wij...’ Hoop maakte een hulpeloos gebaar. ‘Iemand moet de schuld hebben voor de vernietiging van Thuis. Zijn het de tanuki? Nee, want wij hebben veel meer van hen gedood, dan zij van ons. Is het de schuld van de canemi? Natuurlijk niet. Deschuld ligt nooit bij jezelf. Is het heelal verantwoordelijk? Nee,
het heelal maalt nergens om. Zij handhaaft enkel haar wetten, voor iedereen gelijk. De schuld ligt dus bij de mensen. Zij hebben de canemi gemaakt, zij hebben de canemi de oorlog in gestuurd, zij hebben Thuis niet beschermd.’
Woede klonk in Dashiels stem door: ‘Het spijt mij te horen dat je er zo over denkt, Hoop.’
Weer schudde Hoop zijn hoofd. ‘Ik leg de schuld bij niemand, maar zo denkt mijn volk erover. Dashiel, voor je eigen bestwil vraag ik je ons te verlaten. Op Roer is de ambassade van de Menselijke Unie bestormd en in brand gestoken. In Blauwe Baai zijn de villa’s van menselijke handelaren geplunderd. De regering kan niet, wíl niet ingrijpen.’
‘De Menselijke Unie zal reageren met protesten, sancties desnoods...’
‘Geweld desnoods,’ vulde Hoop aan. ‘Nietwaar Dashiel? Wanneer wij niet meer aan de leiband willen lopen zal de mens-heid die band strak trekken. En wanneer wij bijten, zullen ze ons slaan. Maar ik ben bang dat de dagen van de leiband voorbij zijn. Het zal bijten worden, en slaan.’
Er viel een stilte. Dashiel keek uit over het dal en snoof de geuren op. Nooit zou dit moment meer terugkomen, de geuren van de bloemen, het schaduwspel van de zon en wolken op het donkergroene woud, het geluid van insecten en vogels, alles verdween na een moment voorgoed om plaats te maken voor nieuwe indrukken.
‘Ik kan niet weg, Hoop. Ik zal de rit moeten uitzitten tot het einde. Ten goede of ten kwade.’
De canemi knikte en stond op. Hij stak zijn hand uit. ‘Ik wens je het beste, Dashiel.’
Dashiel greep de hand. Zijn vijf vingers sloten zich om de vijf vingers van de canemi. Zo menselijk, zo anders. ‘Ik wens je het beste.’
De stormde woedde door de nacht en net als de storm kon Dashiel geen rust vinden. Het huis voelde leeg en verlaten aan. De lijfwachten zaten samen in de westervleugel. De alarmsystemen signaleerden iedere indringer en wanneer het nodig was, waren ze snel genoeg ter plaatse. De canemi waren gezelschaps-wezens. Ze hadden een hekel aan eenzaamheid.
Iets waar wij in verschillen, ondanks al onze overeenkomsten, bedacht Dashiel terwijl hij in het donker in de woonkamer de storm buiten zag razen. Of was het misschien niet zo? realiseerde Dashiel zich plotseling. Was hij alleen maar gewend geraakt aan de eenzaamheid. Afgestompt? Was het misschien inderdaad tijd terug te keren naar de mensheid?
De mensheid, de canemi, de tanuki. Alledrie verwikkeld in een dans om te overleven. Alledrie zo verschillend maar ook zo gelijk in hun behoeften. In feite waren de verschillen oppervlakkig. Het waren de overeenkomsten waar ze elkaar raakten.
Dashiel belde een bediende. ‘Open de poort. Ik ga een eind rijden. Alleen.’
Hoop woonde in een typisch groot canemi-huis met vele tuinen en binnenplaatsen. De poortwachter gromde toen Dashiel op het late uur aanbelde, maar enkele minuten later stond hij toch binnen.
‘Dashiel. Wat doe jíj hier?’ vroeg Hoop nieuwsgierig. Hij droeg een kamerjas en in zijn ogen zat nog slaap.
De mens keek de canemi aan. ‘Breng mij in contact met jullie leiders.’
Hoop bleef er tegelijkertijd slaperig en nieuwsgierig uitzien. Dashiel rook echter zijn plotse waakzaamheid.
‘Ik begrijp niet wat je bedoelt.’
‘Dat doe je wel, Hoop. Ik weet dat je mij in contact kan brengen met de leiders van de Honden der Oorlog. Ik vermoed dat jij zelf een hooggeplaatst persoon bent in die organisatie. Ik wil zespreken. Je mag mij controleren. Neem iedere voorzorgsmaat-regel die je wenselijk acht. Ik draag geen verklikkersaparatuur en het huis wordt niet in de gaten gehouden.’
Het gezicht van Hoop vertrok in een wanhopige grijns, alsof hij gedwongen werd iets te doen wat hij niet wilde.
‘Ik zal zien wat ik kan doen,’ antwoordde hij.
Vier dagen nadat hij bij Hoop had aangebeld kreeg Dashiel de leiders van de Honden der Oorlog te spreken. Ze hadden hem verdoofd en vervoerd. Toen Dashiel bijkwam had hij geen idee waar hij was. Ondergronds ergens, in een hoge kelder of opslag-ruimte. Rond hem in de schemering zat een vijftal canemi. Dashiel wist dat ze hem in het geringe licht wel konden zien, maar hij hen niet. Natuurlijk waren er geuren, maar die vertelden hem niets. Dashiel herkende enkel Hoop.
‘Dashiel McKay, je wilde ons spreken. Spreek, wij luisteren.’
Dashiel kwam overeind en nam de kleermakerszit op de betonnen vloer aan.
‘Ik ben een canemi,’ begon hij.
Het gelach van de honden echode door de ruimte heen. Dashiel wachtte totdat ze waren uitgelachen.
‘Ik was er bij toen de eerste generaties onderwezen werden in de zegeningen en verplichtingen van intelligentie. Ik heb meegemaakt hoe Thuis werd geterraformeerd en hoe de eerste kolonisten zich vestigden. Samen met admiraal Herald van Stam Drie bevocht ik de tanuki voor de eerste maal. Ik ruik de geuren die jullie ruiken, ik eet het voedsel dat jullie eten, ik deel de gevaren die jullie delen. Ik ben één van jullie.’
‘Woorden. Niets meer dan woorden,’ gromde één van de canemi. ‘Jij bent een mens, Dashiel McKay. Jij zal niet ouder worden, jij zal niet grijs worden en verschrompelen. Het zijn alleen maar woorden. Je bent een indringer.’
Dashiel keek in de richting van de canemi die gesproken had. Hij rook woede, berekendheid, kracht. Hij rook ook behoed-zaamheid.
‘Woorden kunnen wapens zijn, evengoed als slagschepen en virussen,’ sprak Dashiel. ‘Jullie kunnen luisteren naar mijnwoorden. Als jullie daarna nog steeds vinden dat ik een indringerben, dan kunnen jullie mij doden, hier, nu. Jullie zijn kundig genoeg om het een ongeluk te laten lijken.’
‘Wij luisteren,’ sprak Hoop.
Herinneringen van de afdracht van Tanuki 36-VI kwamen boven bij Dashiel terwijl hij wachtte op aankomst van de laatste delegatie. Hoe lang was dat geleden? Driehonderd jaar, vierhonderd jaar? De warme tropennacht, de zwangere oceaanwind en het gebulder van de branding leken weinig op de stille poolwildernis van toen, maar toch was het hetzelfde.
Eindelijk kwam de laatste delegatie langs de brede promenade aangelopen. Dashiel herkende Margaret Cortona tussen alle andere diplomaten. Haar blik vond de zijne en een moment lang keek ze hem strak aan, toen draaide ze met haar ogen verder.
Dit keer waren de mensen de getuigen van een verdrag. Voor het verdrag getekend was waren er mensen, canemi en tanuki. Na de ondertekening waren er alleen nog mensen en tanuki.
Dashiel liep op de menselijke delegatie af. Ze ontweken hem zoals kleinere dieren een roofdier ontweken. Margaret Cortona stond met haar rug naar hem toe. Hij riep haar.
Met een ruk draaide ze zich om. Ze wist wie er geroepen had. Direct barstte ze los: ‘Dit was jouw idee, nietwaar? Dit hele verdrag, het overlopen van de canemi naar de tanuki. Je bent een verrader, McKay. Geen gewone verrader, maar een verrader van je eigen ras, je eigen soort. Nooit meer zal je je onder de mensen kunnen vertonen. Je bent in de hele Menselijke Unie tot een persona non grata verklaard. Je zal moeten leven in eenzaam-heid.’ In haar stem klonk geen woede door, maar Dashiel rook het. Hij rook ook nog andere emoties.
Hij maakte een gebaar dat aanvaarding uitdrukte. ‘Het zij zo. Ik heb het beste pad gekozen voor mijn volk.’
‘Je bent een mens, geen hond!’
‘Ik ben menselijker dan jij, Margaret, menselijker dan alle mensen hier. Ik ben zeker een mens, ondanks dat ik ook canemi en tanuki ben.’
Margaret Cortona snoof. Hiermee kon ze niet praten. ‘Tussen de Canemi Staat en de Menselijke Unie heerst van nu af aan gewapende vrede. Maar meer ook niet.’
‘Wij zijn nu tanuki,’ sprak Dashiel. ‘De Menselijke Unie kan ons niet aanvallen, anders zullen zij het verdrag van Xo schenden en dat betekent een totale oorlog tussen de tanuki en de mensen.’
Het was de angel van het verdrag, maar Margaret Cortona reageerde niet. ‘Ik heb gehoord dat de honden grote vorderingen maken met onsterfelijkheid. Wat ga je doen als je planeten vol zijn? Kolonisatie van de ruimte, rigide geboortebeperking? Het is allemaal al geprobeerd. Het werkt niet. Vroeg of laat zal je ruimte nodig hebben, en waar ga je dan heen?’
Dashiel wees omhoog naar de hemel waar duizenden sterren stonden. Het merendeel tanuki-stelsels. ‘Wij zullen woongebieden veroveren. De melkweg is groot, en tussen de tanuki onderling bestaat geen vrede.’
In plotseling besef grijnsde Margaret Cortona haar tanden bloot. Het was de grijns van één roofdier naar een ander. Het was een grijns van respect.

(c) 2007 Verschijnsel en Jaap Boekestein. Herdruk en verdere verspreiding verboden