verhaal: De laflevers

 

lees een volledig verhaal uit Neonmaan

door Tais Teng

 

 

 Neonmaan - het gebonden boek

 

 

    De laflevers

    ‘Tijd,’ orakelt Leif Neavo, ‘dat is een stevig huis. Het stevigste, jongen, draagbalken van haat, schroeven van een miljard lichtjaar.’ Hij wrijft in zijn handen, stampt met blote, harde voeten op de diamanten brug. ‘Die paar speldenprikjes, jongen, dat is niks. Ook al storten ze elke laflever op die vuilnisbelt, geen mus zal één andere noot zingen!’
         ‘Laat niemand van propaganda je horen,’ zeg ik zuur. ‘Dit zijn emigranten.’
         ‘Emigranten!’ explodeert hij. ‘Laflevers! Niks meer, kijk daar, die griet, hoe oud? Twintig?’
         Ik kijk daar. Ze drentelt voorbij. Haar gezichtje is een kunstwerk, de ogen precies zo, de neus perfect, haar bewegingen oeroude ritmen. Ik kijk in haar ogen en haar pupillen stralen een zo zwart niets uit, zo’n verslindende angstleegte, dat ik onwillekeurig een stap achteruit doe.
         ‘Rijk!’ mompelt Leif. ‘Goed voor duizend jaar, en ze stappen eruit. Laflevers!’
         Een kilometer hoger kleuren de schermen wit. Ik kijk op mijn dosimeter. De cirkel groeit: gammastraling. Ik slik een anti-radcapsule door: ik voel er weinig voor om er nu al uit te stappen. Ik ben geen laflever.
         Ze stromen voorbij, de tijdlijner in, een grote apathische rivier. Stromend van de ene hel naar de andere.

     

     

    Leif ploft in de stuurstoel. Haardunne elektroden spinnen hem in. Hij gilt. Heel kort. Dan grijnst hij. Een imbeciele glimlach. (ik ben warm-blij, mammie. O, dat heerlijke zonlicht en die prachtige vlinders!) Ik aarzel. Uit een ooghoek registreer ik de slogans van onze goeroes: ‘Pijn is de gift van de kosmos, onthechting de sleutel van het ware leven.’
         Bijna zucht ik. Ik laat me zakken in de reservezetel. Voorzichtig, zoals iemand met een teen een bad probeert, dat beslist te heet is. De eerste aanraking van de elektrodes is als het strelen van een vrouwenhand. Ik tracht mijn spieren te ontspannen, ik probeer het echt. De elektroden jenzen dwars door mijn huid heen; recht mijn zenuwknopen in.
        
    Gesmolten lood! Verkolend vlees! Prikkeldraad in mijn aderen!
        
    De elektroden speuren. Diep in mijn hersenen vinden ze mijn genotcentrum. De pijn vermindert niet, maar nu interesseert het mij niet meer. Ik ben de mot in de kaarsvlam. Maar wel een asbest mot. De vurige extase spuit alle pijn, alle angst weg...
         De computers van de tijdlijner leggen de laatste verbindingen, balanceren machines en lichamen uit.
         De zenuwpijn trekt weg. Met een dorre klik (die onhoorbaar is, maar voelt als een dorre klik) zetten ze het paradijs uit.
         Leif haalt zijn hand door zijn korte haar en kucht. ‘Dit is uw kapitein,’ zegt hij. ‘Onze bestemming is 78 voor Rachim, doelgebied Noordsector Eurazië 24. De overgang duurt twee uur. ik wens u een prettige reis.’
         Hij dooft zijn omroeplicht, spuwt op de grond en trekt zijn mondhoeken omlaag. ‘Laflevers!’ gromt hij.
         ‘Houd je kalm,’ zeg ik. ‘Je ziet ze nooit meer terug.’
         Hij klaart op. ‘Dat is zo, elke druppel telt.’ Hij reikt mij een plastic bekertje met champagne aan. ‘Op een betere wereld,’ toost hij.
         ‘Op een betere wereld,’ beaam ik.

     

    We materialiseren als vier ‘touringbussen’, langwerpige, nauwe voertuigen met opgepompte rubberbanden. We parkeren voor een stel lage, primitieve gebouwen. Uit verveling tel ik hun etages. Dertien! Wat een onwaarschijnlijke ruimteverspilling!
         ‘U kan de tijdlijner nu verlaten. Ieder van u bezit achtduizend eenheden van de gangbare munt. Dit is ruimschoots genoeg tot het uur nul. De gebeurtenis zal binnen zes dagen plaatsvinden.’
         Ik kijk op de tijdkaart. Nog vier dagen.
         ‘Waarom vertel je ze niet precies wanneer?’ vraag ik.
         Hij haalt zijn schouders op. ‘Die lui verdienen de waarheid niet,’ zegt hij.

     

    ‘Blijven we wat rondhangen?’ vraagt Leif. Ik knik: een dag of twee, we komen toch altijd drie seconden na vertrek terug. Ik raak mijn krachtring aan. De tijdlijner wipt een halve seconde zijdelings en wordt onzichtbaar.
         ‘Heb je geld?’ vraagt Leif.
         ‘Twee miljoen eenheden,’ zeg ik. ‘Guldens heten ze hier.’
         We laten een taxi stoppen. De man wringt zich het ongeprogrammeerde verkeer in.
         ‘Wat vindt u nu van die Karpov?’ vraagt de chauffeur. ‘Zoals die te keer gaat? Zou hij het menen?’
         ‘O,’ zegt Leif, ‘over een paar dagen begint hij de derde wereldoorlog.’ Hij wappert met zijn handen. ‘Dit hier: puin. Gesmolten puin straks.’
         Ik schop hem tegen de schenen. Tijdpochen is verleidelijk, maar streng verboden.
         ‘Best, best,’ mompelt Leif. ‘Ik begrijp het al, maar hier zijn echt geen luisterzwaluwen.’
         ‘Hier zijn twee toekomsttijders,’ zeg ik. ‘Idioot! Misschien ben ik wel een agent!’
         Hij verbleekt. Wat ik eigenlijk zeg is: misschien ben jij wel een agent... een provocateur.
         Wij zwijgen de rest van de rit.

     

    Krsna, wat is dat hotel primitief! In een klein kamertje takelen ze je omhoog. Lichten, die je met de hand aan en uit moet doen. Water om je te reinigen. Nu vraag ik je, water! Waarom gebruiken ze geen kattenpis, daar word je minstens even schoon van!
         Leif strekt zich languit op een bed uit. Hij morrelt aan zijn nachtlichtje. ‘Hé, Ricar,’ roept hij klaaglijk, ‘hoe krijg je dit ding omhoog?
         Ik knoop mijn overhemd los. ‘Bedden zweven hier niet,’ leg ik hem uit. ‘Pas over een jaar of dertig.’
         Een paar minuten staren we naar buiten. De schemering stroomt over de exotische stad uit ons verre verleden. Een voor een springen metaalfilamentlampen aan.
         ‘Geen tweede zon hier,’ zeg ik. ‘Als zij achter de horizon duikt, wordt het donker.’
         ‘Raar,’ zegt Leif peinzend. Even later: ‘Ik mag dit niet zo, net een uitzending vol storingen.’
         ‘Je moet van het verleden houden,’ geef ik toe. Toch maakt deze tijd iets in mij wakker. Op dit moment zwerven oliesjeiks door de. stad, een zwemmer uit mysterieus Moskou drinkt koffie, een baby kruipt uit de baarmoeder. Hier leven mensen kort en heftig, wilde virussen zweven in ongeplande winden. De oudtijders zijn barbaars, onwetend. Maar zij zijn vrij op een manier die wij niet eens durven begrijpen.
         ‘Ik ga coma,’ zegt Leif, ‘Maak mij wakker als je terug wilt.’
         ‘Best,’ zeg ik, maar hij is al weg. Even bekijk ik zijn starende ogen, zijn slappe, ontspannen lichaam. Tijdracist! scheld ik diep in mijn hersenen. Ik beweeg mijn lippen niet.
         De deuren van deze tijd slaan met een fijne dreun dicht.

     

    ‘Luisterzwaluw,’ waarschuwt mijn illegale computertje. Ik kijk niet om. Een luisterzwaluw is drie millimeter lang en akelig dom. Maar het zijn prima klikspanen.
         De avondbries voert duizenden aroma’s aan: onverbrande benzine, zweet, groene uitwasemingen, stilstaand water, scherpe parfums. Ik struikel over voetpaden, die niet meeveren of vloeien, ik hyperventileer (zuurstofgehalte eerder twintig dan vijftien procent). Ergens achter mij drijft de luisterzwaluw in de troebele schemering. Zijn microfoons zuigen gretig elk onvertogen woord op.
         Moet ik Leif aangeven? Of schermde de taxi onze stemmen genoeg af?
         Aangeven, besluit ik. Leif beging een minimisdaadje, amper de moeite waard. Mijn zwijgen zouden ze heel anders beoordelen. Potentieel anarchistisch, non-sociaal... Hun wetten zijn vrij vaag, hun straffen des te duidelijker.
         Heel even doemt dwars door al dat flitsende neon een beeld op van de goeroes. Hun meditatietorens priemen omhoog tot waar de lucht ijzig en amper adembaar is. Rillend en hijgend kijken zij uit over de Aarde, computermandala’s dansen in hun berijpte grotten. Zij stuwen ons naar het einde van alle karma, naar non-stop satori.
         Zij hebben de wereld schoongebrand; geen boom, geen grassprietje, geen enkel insect lieten zij over. Wij leven in desolate zazen-tuinen: onbegroeide aarde; rotsblokken. Niet het leven telt, niet het kwetsbare, angstige lichaam, leren zij in al hun serene haat. Alleen de geest. Alleen de geest.
         En zij geven ons het einde van pijn, van onzekerheid. En een lang, lang leven...

     

    Ik dreun tegen iemand op. Lange man, gespierd, zijn kleine oogjes op niet-nadenken.
         ‘Godverdomme!’ vloekt hij. ‘Jij vuile tyfushoer!’ Zijn vuist schiet naar voren, ik ontdek de schittering van metaal langs zijn knokkels. Ik zak door mijn knieën, buig opzij en raak zijn ellebogen. Lichtjes.
         Hij gilt, heel hoog, zodat het amper een geluid is. Dan valt hij achterover. Hij is bewusteloos voor hij de grond raakt. Zijn linker onderarm ligt in een onmogelijke hoek.
         ‘Zeg,’ begint iemand. ‘Jij...’
         Ik draai mij om. Een tweede man. Ook in het leer gekleed. Hij tast naar zijn linkerzak.
         ‘Nee,’ zeg ik en projecteer genoeg persoonlijk magnetisme om een lawine tegen te houden.
         ‘Nee?’ herhaalt hij, bijna onhoorbaar, doodsbang ineens. Ik ben nu voor hem Vader, Leraar, Autoriteit, Boeman. Hij schudt zijn hoofd, stapt daas achteruit en raakt een geparkeerde auto. Hij gilt als een rat met een buik vol hagelkorrels, en vlucht.
         Onze goeroes hebben ons vele dingen geleerd.

     

    De portier bekijkt mij van top tot teen. ‘Geen das,’ zegt hij met voldoening. ‘Geen jas. Rare schoenen.’
         Ik geef hem een biljet van honderd gulden.
         Hij stapt opzij, tikt aan zijn pet. ‘Een prettige avond, meneer,’ zegt hij. ‘Dank u wel.’
         Binnen is het vol en rokerig. Aan het plafond hangt een grote globe met duizenden facetten. Langzaam draait zij rond. Twee xenonlasers raken de bol, hun stralen draaimolen kaarsrecht door de halfdonkere zaal. Heel etnisch.
         Een kale man staat op. Ik ga in zijn stoel zitten.
         ‘Daar zit al iemand,’ zegt zijn vriendin met ijzige stem. Knap om met zo weinig echte kennis zo ijzig te klinken.
         Ik kijk haar aan, zet de knipperreflex van mijn ogen uit: ‘Dat klopt,’ zeg ik. ‘Ik zit hier. Wat wil je drinken?’
         Bijna een minuut houdt zij het vol, dan moet zij haar ogen afwenden. ‘Whiskycola,’ zegt ze toonloos. ‘Willem is even naar het toilet. Hij is erg jaloers. Hij heeft drie vrienden bij zich.’
         ‘Lijfwachten,’ concludeer ik.
         ‘Lijfwachten,’ beaamt zij. ‘En jij?’
         ‘Niet nodig,’ antwoord ik. ‘Houd je van hem?’
         Ze lacht. Tinkelende whisky-on-the-rocks-lach.
         ‘Ik houden van iemand? Iemand van mij houden?’ Ze zwijgt even, een bestudeerde pauze. ‘Ik ben veel te mooi.’
         Ik knik. Even mooi als een nieuw pistool.
         ‘Jij bent rijk,’ zegt zij.
         ‘Hier wel,’ beaam ik, en het is ook zo. Met mijn uurloon kan ik een stad als deze een jaar lang van energie voorzien. ‘Jij bent zo kil, zo volmaakt,’ vervolg ik. ‘Jij zou een vrouw uit mijn eigen land kunnen zijn.’
         Zij glimlacht, perfecte lippen, perfecte tanden. ‘En waar is jouw land dan wel?’
         ‘Ver weg en overal,’ hoor ik mijzelf pochen, tijdpochen. ‘Achter duizend verbrande kalenders.’
         Zij huivert en ineens ziet zij mij echt: elke verkeerde beweging, elke toekomstvreemdheid... Ze verstrakt, alle spieren tegelijk, en haar pupillen expanderen. Ze is intelligent, ze is intuïtief. En dapper. Dat boven alles. Ze gilt niet. ‘Ik ga nu weg,’ zegt ze en haar stem is broos als gesponnen glas. ‘Ik weet niet wat je bent, maar je bent geen mens.’
         ‘Laat maar,’ zeg ik een beetje spijtig. Ik sta op en verdwijn in de menigte.

     

    Aan de bar drink ik in snel tempo twaalf kopstoten. Ergens achter mijn ogen begint een vaag zoemen.
         ‘Ik heb jullie overal gezocht,’ zegt een stem vlak naast mij.
         Het duurt even voor ik de woorden echt registreer. Het zijn de afgebeten, compacte klanken van mijn eigen taal. Het meisje legt een hand op mijn schouder. Ik voel de kracht in haar slanke vingers. Toekomstkracht. Genoeg om staal te buigen.
         ‘Ja?’ zeg ik. Ik herken haar. Een van de laflevers. Het meisje dat Leif me aanwees in de stoet naar de tijdlijner.
         ‘Ik heb mij bedacht,’ zegt ze. ‘Ik wil terug!’
         De zoemtoon wordt sterker. ‘Niemand bedenkt zich,’ zeg ik ruw. ‘Wij verkopen enkele reizen.’ En ik haat mijzelf maar het is waar: de tijdlijner start niet eens met een extra passagier. ‘De lijner is beveiligd,’ leg ik uit. ‘Alleen Leif en ik kunnen terug.’
         ‘Probeer het!’ pleit ze en ze is zo jong, zo bang, dat ik het bijna wil proberen, ook al is het waanzin, ook al kan het niet lukken. Maar dan zegt ze iets verkeerds: ‘Ik ben rijk! Ik kan je belonen!’
         Iets zwarts stijgt omhoog in mijn geest, iets met doffe vleugels en bebloede tanden. Ik ben een tijdlijner, ik zal altijd een tijdlijner zijn. Tweehonderdvijftig jaar leven, geen seconde meer, zo luidt mijn genetische geboorteprint. En zij had duizend, tweeduizend jaar, dat zie ik aan de kleur van haar ogen, haar schedelbouw.
         ‘Brand!’ grom ik. ‘Bij Krsna, brand, teef, parasiet! Straks vallen de bommen, straks verdampen je ogen en je handen vallen af en je gilt, gilt en niemand zal je horen!’ Ik geef haar een duw.
         Ze verzet zich niet. Als een touwloze marionet wankelt ze weg.

     

    Ik zie mijzelf in de barspiegel en plotseling word ik vaag, stroom ik over het glas,
         Geluidloos huil ik. Om mijzelf, om haar, om heel onze genadeloze wereld, waarin iedereen het jaar, de dag, de seconde van zijn dood kent en niemand later of eerder mag sterven.
         Alleen... als je rijk genoeg bent, dan kan je de tijdlijner nemen en je eigen uur kiezen, dan kan je sterven in een van de gruwelmomenten van het verleden.

     

     

    Leif en ik besturen de tijdlijner. Maar er is altijd een derde, onzichtbare piloot. Ik ken hem uit de oude gravures. Zwarte mantel, zeis, glimlach van bleek ivoor.
         Hij kiest de bestemmingen.
         Vesuvius, Londen in het jaar van de pest, Cambodja, Dachau, Rotterdam, Hin Shien...
         Wij leveren hen af in de beloofde landen en wie ziet ooit het verschil? Wie telt daar de doden?
         Honderd afgehakte hoofden meer, de rook uit de schoorstenen iets dichter?

     

    Ik wek Leif uit zijn coma. ‘We smeren hem,’ zeg ik. ‘Ik heb genoeg gezien.’
         ‘Best,’ antwoordt hij. ‘Van mij hoeft het niet. Dat rondhangen hier.’

     

    We klimmen in de lege tijdlijner. We zitten de twee uur uit. ‘Thuis,’ zegt Leif. ‘Volgende lading.’

     

    Een dag later stromen ze weer naar binnen.
         De laflevers schuifelen aan over de plantloze aarde, langs de te gladde rots, geknakt, verwrongen. Doodsdrift in hun strakke gezichten.
         Sereen en zeker rijzen de meditatietorens tot in de stratosfeer. Vlakbij klatert een ijzige waterval.
         Krsna! Ik wou dat ik al mocht sterven...

     

     

     

    (c) 2007 Verschijnsel en Tais Teng. Herdruk en verdere verspreiding verbonden.

     


Terug

Contacteer Verschijnsel

(c) 2010 Verschijnsel vzw en de diverse auteurs

illustratie Verschijnsel-toren (c) 2008 Tais Teng