verhaal: doad pupkes kukloeren

 

lees een volledig verhaal uit


Gouden dwaalwegen

door Tais Teng

 

 Gouden dwaalwegen

 

 

    • Doad pupkes kukloeren

     

     

     

     

     

    Zodra de reiziger zijn landsgrenzen achter zich laat, maakt een eigenaardige waanzin zich van hem meester. Ik doel hier op de bijna ziekelijke belangstelling voor de cultuur van het vakantieland. Een heavy-metal-fan schaft zich kaartjes voor de Weense opera aan, we verorberen nationale gerechten waar een vale lammergier van zou kokhalzen.

     We bezoeken bizarre musea en turen naar gobelins van zuiver Schotse scheerwol, luisteren urenlang naar een vioolspeler die we in de Kalverstraat nog geen houten stuiver zouden toewerpen.

     Zelf ben ik daar helaas ook niet immuun voor en vreemd genoeg krijgen zelfs de meest oncomfortabele ervaringen enkele maanden later de glans van het exotische.

     Zo was als ik bij mijn eerste bezoek aan Siberisch Friesland als enige toehoorder aanwezig bij het Midwinterhoornblazen op het Korhoendersslik. De hoorns worden door getrainde ijsberen aangeblazen: Bolswarders zijn te intelligent om zich bij dertig graden onder nul op die winderige vlakte te wagen.

     Ik at bolinwei, danste met ‘de witte wieven’, betrad, doof voor de gniffels van omstanders, Maffe Jolincks Doolhof, waaruit ik tenslotte door middel van een helicopter gered moest worden.

     Geen van die ervaringen kan ook maar tippen aan het optreden van de Grote Ranonkel.

     

    Het begon vrij onschuldig. Mijn goede vriend Gregor wekte mij om half zes in de ochtend door met zijn klompen tegen mijn deur te bonzen.

     ‘Ik heb ze!’ brulde hij. ‘Kaartjes voor de poppenkast!’

     Ik schoot mijn kleren aan: Gregor was de burgemeester van Novaya Bolsward en mijn visum moest over een week verlengd worden.

     Met één lodderig oog bestudeerde ik het smoezelige toegangskaartje. Toen de prijs echter zag, werd ik meteen klaarwakker.

     ‘Tweehonderd gulden?’ sputterde ik. ‘Voor een pòppenkastvoorstelling?’

     ‘Het is cultureel,’ somde Gregor op. ‘Het is typisch Bolswards en mag daarom in geen enkele reisgids ontbreken. De Grote Ranonkel vroeg trouwens persoonlijk naar jou, dus veel keus heb je niet.’ Hij propte het kaartje in mijn borstzakje en hield zijn andere hand op. ‘Ik heb je het bedrag alvast voorgeschoten.’

     Gregors burgemeestershanden zijn zo groot als kolenschoppen. Als hij ze balt, lijken ze meer op knoestige knuppels en zo gebruikt hij ze ook bij de geringste aanleiding.

     Ik betaalde hem. Een goede toerist hoort immers niet te schraapstuiveren? Dat is althans de mening van de meeste Bolswarders en per slot van rekening was ik hun gast.

     Een inktzwarte hemel vol dreigend heldere sterren welfde zich over de besneeuwde daken van Novaya Bolsward. Het was koud genoeg om een sneeuwpop een dubbele longontsteking te bezorgen.

     ‘Het lijkt trouwens zelfs niet op een Nederlandse poppenkastvoorstelling,’ legde Gregor mij uit, ‘al gebruikt de spielder een poppenkast en poppen. De kast van de Grote Ranonkel werd bijvoorbeeld uit de grafkist van een vijfvoudige broedermoordenaar gezaagd. De poppen heeft hij persoonlijk uit bijenwas gekneed.’

     ‘Dat is inderdaad anders dan bij ons,’ gaf ik klappertandend toe. Waar was ik nu weer in verzeild geraakt?

     ‘Doad pupkes kukloeren, zo noemen we het poppenspel hier,’ vervolgde Gregor, ‘en het is een bloedserieuze aangelegenheid. Als de pupke-spielder in zijn handen klapt, dooft zelfs een burgemeester zijn pijp.’

     Hoewel ik niemand hoorde klappen, klopte Gregor zijn pijp haastig uit tegen zijn walrusivoren klompen. Zijn hand sloot zich als een ijzeren klem om mijn bovenarm en hij sleurde mij in een sukkeldrafje een verlaten veldje op. Een tiental walmende toortsen verlichtte het terrein. ‘Parkeer je dikke kont op een bank, ja? En hou verder je waffel.’

     

    Vijf minuten verstreken, tien. Een dertigtal toehoorders schuifelde het terrein op.

     Onze knoestige, wilgenhouten banken stonden in een halve kring opgesteld om, ja, om wat eigenlijk?

     Het deed me nog het meest denken aan een overmaatse molshoop waaruit een half dozijn bleke wortels priemden. Moest de poppenkast daar soms neergezet worden?

     Na een half uur stak ik een sigaret op.

     Gregor mepte hem uit mijn mond en wrikte de peuk met zijn klomppunt in de bevroren modder.

     ‘Dat was zeldzaam stom, mijn vriend,’ sprak hij. ‘De pupkes zouden eens kunnen denken dat je je verveelde. Dat je hun spel niet op de juiste waarde weet te schatten.’

     ‘Welke pupkes?’ Ik wapperde met mijn handen. ‘Mijn tenen groeien zowat in de aarde vast en over mijn zitvlak...’

     Gregor hief een trillende vinger. ‘Luister!’

     Iele fluittonen dreven aan en de koude rillingen liepen mij over de rug. Dit was beslist geen feestmuziek.

     Ik zocht het terein af in de hoop de speler te localiseren. Niemand. De andere toehoorders bleven stokstijf op hun banken zitten en kon mij niet aan de indruk onttrekken dat zij niet bijzonder genoten van hun ochtendlijke uitstapje.

     De muziek werd luider, wilder, wanhopiger.

     Zo huilt de poolstorm door bevroren wilgenbossen, ging het door mij heen. Zo klagen verdwaalde ganzen als hun zwempoten in het wak vastvriezen en de wolven aansluipen.

     De muziek, heilige maagd Maria, de muziek kwam uit die berg aarde! Van diep onder de grond! ‘Gregor? Hoe...’

     ‘Stijf die tong!’ siste hij. ‘Anders naait de spielder je lippen op elkaar met een streng maagdenhaar!’

     Met een luide plof barstte de berg aarde open en de kluiten vlogen ons om de oren. De penetrante stank van vermolmd hout en verslijmde zwammen deed me naar adem happen.

     Een doodskist schoof uit de aarde, zwaaide dronken heen en weer, en kwam onder een schuine hoek tot stilstand.

     ‘Grol en jolijt!’ snerpte een allerongenaamste stem. ‘Ons spel vangt aan, mijn ondeugdjes!’

     Een luik klapte open in de doodskist en de poppen wipten boven de speelrand.

     

    Ik moet zeggen dat de voorstelling me aanvankelijk enigszins tegenviel. Ik had iets buitenisserigers verwacht na Gregors aanprijzingen.

     Jan Klaassen kwam met een rinkelende narrenkap op en bezat uiteraard een joekel van een neus. Katrijn was een feeks met piekhaar en de rijke man droeg een hoge hoed.

     Ieder die ooit door zijn opvoeders voor zo’n mooie ouderwetse poppenkast werd geparkeerd, kan zich het verloop van het verhaal voorstellen: Jan Klaassen steelt de geldkist van de rijke man, kust de mooie dochter, wordt met Katrijns bezem door de kast gemept.

     Niet voor het eerst bij een culturele manifestatie overdacht ik wat een zegen de tv eigenlijk is: hier viel niets te zappen en zelfs een wc-bezoek hoorde niet tot de mogelijkheden.

     Langzamerhand begonnen mij toch bepaalde zaken op te vallen...

     Ik stootte Gregor aan. ‘De rijke man, hij heeft jouw gezicht!’ Ik grinnikte. ‘Verdraaid, hij draagt nog een burgemeestersketen ook!’

     Gregor leek niet werkelijk geamuseerd. ‘Wij moeten de spielder zijn eigen kleine grapjes gunnen,’ sprak hij met opeengeklemde kaken.

     ‘Toch knap,’ zei ik. ‘Het lijkt verdraaid goed. Zelfs de kleur van je haar klopt.’

     Gregor zuchtte. ‘Dat komt omdat het mijn eigen haar ook ís. Heb je overigens op de Jan Klaassen gelet? Zijn neus?’

     ‘Bedoel je...’

     ‘Waarom dacht je dat hij je uitgenodigd had? Jou en mij speciaal. Zoveel vette spaarvarkens lopen er niet in Bolsward rond.’

     

    De dood van Pierlala kwam schaterlachend op achter de bijlzwaaiende beul. Er was echter niets hansworstig, niets grappigs aan déze Pierlala.

     Hij was zo afschuwelijk dood! Bungelende flarden rottend vel, blauwig vlees waar de botten uitstaken. Blinde ogen als gekookte mereleieren. En die lach...

     Ineens herkende ik dat schelle gesnater.

     Ik greep Gregors arm vast. ‘Dat is Jasper Gorremans!

     De plaaggeest van de straat. ‘Op zijn twaalfde kwam hij onder een veewagen met mestvarkens!’

     ‘Natuurlijk is de Dood van Pierlala dood!’ fluisterde hij terug. ‘Dat spreekt toch vanzelf?’

     In de kast stopte alle actie abrupt. De beul verstijfde middenin zijn bijlzwaai. Pierlala’s klauwen tikten Jan Klaassens schouder net niet aan. De schurfige straathond bleef halverwege zijn sprong hangen, de zak met goudstukken nog in zijn bek.

     ‘Weversma zij gedankt,’ zei Gregor uit de grond van zijn hart. ‘Het is bijna voorbij.’

     De linkerzijkant van de kast zwaaide open en de spielder stapte het veld op. De Grote Ranonkel ontpopte zich als een broodmager kereltje in een leren boerenkiel, zijn pet schuin op de bos grijze krullen. Aan zijn riem rinkelde een net met marterschedels.

     ‘En dit is het moment dat we de spanning naar ongekende hoogtes opvoeren!’ galmde de spielder. ‘Wordt Jans hoofd afgehakt en neemt Pierlala zijn krijsende ziel mee naar een oord waar niemand het vuur ooit hoeft op te porren?’ Hij draaide zich over de kast en tikte Jan Klaasens neus aan.

     Nu ben ik allesbehalve een schrikachtige figuur, maar deze keer kon ik een angstige piep toch niet onderdrukken: toen zijn vinger Jans gezicht beroerde voelde ik een messcherpe nagel over mijn eigen neuspunt krassen!

     ‘Duikt de straathond de ijskoude Jennisei in om daar smadelijk te verdrinken? Met medeneming van al het goud van de rijke man?’

     Zijn blik was als een tweevoudige laserstraal, een kil bleekblauw, en ik kon mijn ogen onmogelijk afwenden. ‘Ik laat de beslissing over aan onze geëerde gast en onze geachte burgemeester!’

     Drie griezelig lange zweefstappen brachten hem tot pal voor onze bank. Hij nam zijn pet met een zwierig gebaar af en hield die voor onze neus.

     ‘Elke bijdrage wordt in dank aanvaard.’

     Ik schudde mijn portemonee leeg in de pet.

     ‘Ik denk dat de bijl Jan Klaassens hals toch net mist,’ sprak de spielder peinzend. ‘Ja. Hij hakt enkel het linkeroor af.’

     De ervaren reiziger heeft aan een half woord genoeg. Ik gespte mijn gouden Cartier-horloge los en viste de zilveren Parker-vulpen uit mijn binnenzak.

     ‘De beul is inderdaad een waggelende vetbuil met twee linkerhanden en hobbelende klompvoeten. Hij struikelt verdorie over zijn veters en hakt zijn eigen voet af!’ De pet verplaatste zich naar Gregor.

     Mijn goede vriend bleek een verbluffende verzameling opgerolde honderddollarbiljetten in zijn wollen ondergoed mee te dragen.

     ‘Wie had dat verwacht?’ De spielder spreidde zijn armen. ‘Onze hond verslikt zich in zijn eigen tong en laat de zak met goud aan de voeten van de rijke man vallen!’

     ‘Uh, meneer?’ sprak een hamsterslager op de rij achter ons. ‘U zei iets over de beul? Dat hij in zijn voet hakte?’

     

    De rest van het stuk bekeek ik met de grootste belangstelling. Jan Klaassen ontkwam gelukkig en zelden heb ik zo meegeleefd. Ik meen dat ik verscheidene malen opsprong, in mijn handen klapte en zelfs een keer ‘Pas op, achter je!’ brulde.

     

    Nee, de poppenkast heeft zich in Novaya Bolsward inderdaad tot een absoluut unieke en volwassen kunstvorm ontwikkeld, waarbij de participatie van het publiek optimaal is.

     

     

     

    (c) 2007 Verschijnsel en Tais Teng. Nadruk of verdere verspreiding verboden.

     


Terug

Contacteer Verschijnsel

(c) 2012 Verschijnsel vzw en de diverse auteurs

illustratie Verschijnsel-toren (c) 2008 Tais Teng