verhaal: Nocturne

 

lees het volledige titelverhaal uit

 

      Nocturne

      door Mark J. Ruyfelaert

 

 

 Nocturne - het gebonden boek

 

 

    Mijn droom vervaagt, ik ontwaak. De diepe kleuren van de nachtwereld moeten wijken voor het klinisch licht van de dag. Er sluit een bronzen poort. Op straat klinken banale geluiden. Mensen. Ja, ik ben wakker. En in een rotstemming. Moe, als terug van een verre tocht. Zojuist wandelde ik nog in het Florence der grote nachtsteden, tussen paleizen en bordelen. Een omgeving die, droom na droom, verbazend echt geworden is. Zonder moeite vind ik elke nacht mijn vaste landingsplaats: het mausoleum-altaar in de grot. De kerken die overal staan, de musea, de grote bibliotheek, de hele schemerige metropolis.
         Klaarwakker nu. In een oud hemelbed dat zich liefde herinnert, en opgebaarde lijken. Gewoontegetrouw noteer ik droomflarden die mij bijgebleven zijn. Korte feiten. Summiere plaatsbeschrijvingen. Reisbiljet voor volgende nacht, om de weg terug te vinden naar goede adressen.
         Mijn droombeheersing groeide na lezing van een wonderlijk boek. Een praktische bijbel vol recepten en waardevolle trucs. Ik leerde helder te dromen, en vrij het verloop te bepalen van mijn nachtelijke excursies.
         Gevaarlijke experimenten? Nee. Ik blijf erbij dat proeven met eigen droomervaring niet noodzakelijk leiden tot krankzinnigheid, wat mijn zenuwarts ook mag beweren. Mijn hardnekkige migraine overdag wordt veroorzaakt door te fel licht. En door gebrek aan beweging, omdat ik alleen buiten kom als het echt niet anders kan. Zoals vandaag.
         Na lang aarzelen kies ik het stadspark. (Schaduw benadert de stilte van de nacht.)
         Het loopt anders. Er is een rommelmarkt, en ik betreed de broedplaats van dat eigenaardig hybride ras van kleine scharrelaars. Schaamteloos ligt het privé-leven uitgestald van weerloze overledenen. Fotoalbums, liefdebrieven, intieme prullaria… Ooit belangrijk, nu ziek en uitgemergeld, als honden van dode meesters. Hoe komen al die rommelmarkten steeds weer aan hun materiaal? De zolders zijn leeg. Toch blijven geheimzinnige voorwerpen opduiken, zeer oud en verdacht goedkoop. Meebrengsels van elders. Hier worden geen vragen gesteld. In iedere verzamelaar schuilt een zieke en een schurk.
         Lusteloos begin ik mijn tocht langs honderden standplaatsen. Langs duizenden items. De charme van de hooiberg is de naald die gevonden zou kunnen worden. En ik vind. Ik vind wat ik niet voor mogelijk hield, achteloos tussen een verzameling spullen van ongelijke waarde. Een schilderij. Dit vuil stuk zeildoek, zeer slordig over een frame gespannen, dit prutswerk is voor mij even belangrijk als de ontdekking van een inwendig Amerika. Want aan mijn voeten ligt de pijnlijk scherpe afbeelding van wat ik alleen dacht te kennen, te weten en te hebben betreden: de grot, de sarcofaag in de grot, de vaste landingsplaats waar iedere nacht opnieuw mijn grote repetitiedroom aanvangt. Ik vind het tastbaar bewijs dat meerdere mensen in droom dezelfde plaats betreden. Het bewijs dat de nachtwereld reëel bestaat, en dat de bewuste dromer een oord bezoekt dat meer is dan een spinsel van eigen geest.
         Maar mijn ‘eureka’ wordt getemperd. Tenslotte prijkt daar open en bloot mijn navelstreng met de esoterische realiteit van de nacht. Alsof ik de deur van mijn brandkast tergend open vond. Er is niets verdwenen, maar iemand anders heeft de sleutel, en kent het geheim. Het is alsof ik een eigendom zomaar moet delen met eender wie. En altruïsme was nooit mijn sterkste kant.
         Ik moet dat schilderij bemachtigen.
         Eerst wat afdingen, om geen argwaan te wekken. Erop wijzen dat het slecht geschilderd is, lelijk, verward...
         Dat meent de verkoopster ook. Uit een hele inboedel vond zij, van alle schilderijen, dit het enige verkoopbare. Komt van de mislukte schilder die zich verleden week verhing. Ja, van die oude dwerg. Het stond in alle kranten.
         De andere schilderijen? Verbrand, natuurlijk!
         Met afschuw beschrijft de marktvrouw wat zij zich nog herinnert. Veel te mysterieus naar haar smaak, zo fantastisch! Alle doeken stelden maanlicht voor op een stad die slechts uit monumenten scheen te bestaan. Paleizen, kerken, blinde muren, mausolea tussen lege huizen. Enkele binnenzichten. Taveernen, een overgrote bibliotheek. Vooral de personages hadden haar afgeschrikt. Wezens uit een nachtmerrie (sic). Bleke, uitdrukkingsloze gestalten. Tot maskers versteende gezichten van mummies of melaatsen. Bij uitzondering ook eens mooie wezens, maar die waren dan uitdagend naakt, wat haar ook al niet beviel.
         Het grootste schilderij had een enorme, slanke vrouw voorgesteld, met een kattenkop, aanbeden door wezens zonder hoofd. Niet om naar te kijken, mijnheer! Wie koopt nu zoiets? Die gebochelde schilder was niet goed snik. En zij schudt het wijze hoofd.
         Nee, nee, vervolgt de expert: verbranden was wel de goede oplossing. Ik betaal het weinige dat het rund verlangt, en haast mij weg.
         De dode schilder. Ik ken die man. Dikwijls ontmoet, ’s nachts, in de wereld van ginder. Hij scheen mij een mismaakt droomfiguur, maar was dus, levend, een gevorderde dromer, net als ik.

     

    Thuisgekomen. Het schilderij ademt een onwezenlijke sfeer uit. Om het donker vlak wat beter te kunnen bekijken, hef ik het naar een lichtbron. Dan gebeurt een wonder: het beeld gaat gloeien. Ik zie honderden gaatjes, waarschijnlijk speldenprikken, die het doek doorboren. Een zeer ongewoon procédé, dat de fakkelatmosfeer van de plaats perfect weergeeft. Dit is de mij zo vertrouwde grot, met middenin een reusachtig, overladen baldakijn. Eronder, centraal, de sarcofaag, verblindend omringd door rijen kaarsen. Links mediteren twee monniken, sinistere geestelijken die evengoed heiligen kunnen zijn als demonen. Rechts begeeft een priester in hoogkoorgewaad, voorafgegaan door altaarknapen, zich naar de cultusplaats. Gedaanten, orantes, zowat overal. Ook vage beelden op vage sokkels.
         Mystiek heft de veilige grens op tussen mens en godenwereld.
         In deze grot biedt liturgie niet langer bescherming. Elk altaar is in eerste plaats een graf. Doch niemand weet precies wie (of wat) hier begraven ligt. Op deze plaats eindigt de tunnel van dag naar nacht, bij dit verblindend baken dat dromers aanzuigt en doden. Hier begint elke tocht.

     

    Ik begrijp en respecteer de zelfdoding van een modale gehandicapte. Iedereen zoekt geluk, ook iemand die zelfmoord pleegt.
         Dit geval ligt anders. Deze behendige dromer moet geweten hebben welk lot zelfdoders wacht in de grote nachtwereld. Ordentelijke doden mijden hun gezelschap. Zij worden ervaren als lastige illegalen. De wetten der doden verschillen niet veel van de regels der levenden. Deze man werd bewust een paria. Zo’n paradox intrigeert. Geen probleem, ik ga het hem persoonlijk vragen, deze nacht nog.
         Mijn beste schilder, ik kom je opzoeken. Je lokaliseren aan gindse zijde zal niet moeilijk zijn. Vertel veel, want ik ben weetgierig. En reageer je vijandig, dan is ontwaken toch maar het ergste dat mij als dromer kan gebeuren...
         Zeer gemotiveerd leg ik mij te bed. Het schilderij, tegen een raam aangebracht, tintelt in het licht van de lage maan. Ik voel de slaap komen als een fluwelen venijn dat door mijn aders gedronken wordt. Gedronken als alcohol die zonder uitwerking schijnt, en dan toeslaat, genadeloos. De contouren van mijn groot hemelbed vervagen. De pandgordijnen rillen en gaan bolstaan als de zeilen van een vertrekkend fregat.

     

    Behouden geland bij het stralend mausoleum. Zoals altijd veel pasgestorven mensen die bidden voor hun dierbare overlevenden. De meesten zullen reïncarneren. In hun graf staat een wieg.
         De twee verontrustende monniken weet ik te verschalken. Zelfmoordenaars houden niet van deze plaats, en schuilen meestal in de laaggelegen wijken bij de lagune, samen met smokkelaars en vrijbuiters. Een getto voor vijanden van leven en dood.
         Zachte druk beroert mijn schouder. Er staat een rijzig figuur in donkere kapmantel. Groene ogen lichten door een sluier.
         ‘Welkom,’ prevelt een jonge stem. ‘Ik ben gezonden door de man die jij de schilder noemt.’
         Een gids. Mijn eerste rendez-vous met een dode...
         De schaduw van mijn ziel volgt het wezen. De tocht voert eerst langs lugubere plaatsen die ik mij herinner uit vorige dromen, dan, dwars door theatrale ruimten, de gevangenissen van Piranesi waardig, naar steeds goordere buurten. Victoriaanse steegjes dalen af naar de mistige baai en het inktzwart water van de dokken. De onbetrouwbare havenbuurt. Het groezelig rijk van Fagin, waar dode helers samenhokken met jonge dieven.
         ‘Hier woont mijn meester,’ miauwt de schim, een zeer oud huisje aanwijzend.
         Ik hoef niet lang te wachten. Uit een zijgang duikt de bultenaar op. Hij is wel degelijk dood, en ver van aantrekkelijk. Hij lijkt wat op Nosferatu, de allereerste zwart-wit-Dracula. De lelijkste.
         ‘Dag Rigoletto,’ groet hem een voorbijganger in lijkgewaad. Rigoletto, zo wordt de dwerg hier genoemd. Hij heeft iets van een ongezonde kermisattractie. Een gedeprimeerde hofnar die aan hulp toe is. Maar psychiaters helpen geen doden (Levenden ook niet, trouwens.)
         Nu pas heeft hij mij bemerkt. Nooit zag ik een gelaatsuitdrukking zo snel veranderen van depressie naar duivelse vreugde. Hij grijpt koortsig mijn beide handen, en heet mij welkom.
         Hij verwacht vol ongeduld een behendige dromer als ik.
         De dode man sleurt mij zijn huis binnen, en ik betreed een onverwacht grote kamer. (In een droom blijken gebouwen met kleine gevels soms verbazend ruim.) De plaats is witgekalkt. Donkere meubels op rode vloer. Geen wandversiering. Naar nachtnormen bepaald armzalig. Er staan ongewoon veel stoelen. Een vergaderplaats.
         Zoals ik mij voorgenomen heb, vraag ik meteen rekenschap. Ik hekel zijn onvoorzichtige schilderijen. Ik noem hem een gevaarlijke dromer en een mislukkeling.
         ‘Mislukkeling?’ Als antwoord grijpt Rigoletto een touw, en trekt over heel de achterwand een zwaar gordijn weg.
         Sesam! De ruimte verdubbelt, en gaat over in een volgestouwde holte, de grot van Ali Baba waardig. Onbeschrijflijke voorwerpen, opgestapeld in onbeschrijflijke overvloed. Zuiver goud, gedreven in de edelste vormen die gedroomd kunnen worden. Wellicht ontvreemd uit de grote musea van de nachtstad, en door de gebrekkige tot hier gesleept. Niet verder.
         Onbeduidende farao’s hebben soms de rijkste schatkamers.
         De nar glimlacht.
         De glimlach van een krokodil.
         Samenzweerderig kruipt hij dichterbij, en gooit zijn kaarten op tafel: ‘Zou een gelijkaardige schat, naar de dagwereld gesmokkeld, van een onopvallende dromer geen koning maken?’ Hij kent een middeltje om nachtgoud over te brengen.
         Kassa! (Eigenaardig dat een gedrocht sympathieker lijkt als de winstmarge verbreedt.) Zijn schilderijen, boven, waren als zoveel flessen met boodschap de oceaan toevertrouwd. Eén vond ik. Zo heeft hij een geschikte dromer aangetrokken. (De meeste dromers vindt hij bang en emotioneel.) Hij zoekt een jongeman die ruim genoeg denkt om het toeval een handje te helpen.
         Eén vraagteken blijft: waarom zijn zelfmoord, in de wereld van boven?
         ‘Ik werd te oud,’ ontwijkt de bultenaar. ‘Schatten verzamelen is mij gelukt. Die ook overhevelen vraagt een energie die ik niet meer bezat. Win, waar ik faalde!’
         (Ik denk dat hij vooral op wraak belust is. Alle vernederingen die hij ooit onderging vormden eelt op zijn ziel. Geen scheldwoord kan hem nog raken. Gewenning. Maar diep in hem ettert een poel van wrok. Het de gewone wereld ook eens betaald kunnen zetten... Een hartenwens die niet stierf met zijn dood.)
         Dan merk ik de kat op. Zonet zat op dezelfde stoel het jeugdig droomfiguur dat mij tot hier leidde. Gezichtsbedrog? Mutatie? Het mensachtig wezen is weg, en daar zit een kat. Groter dan eender welke poes, kleiner dan een panter. Misschien een kruising. (Niet moeilijk doen; ik droom immers.)
         Het dier springt bij baasje op schoot. Kopjes geven, streeltjes krijgen. Brave poes. Ik houd niet van katten. Een kat is een roofdier. Roofdieren moeten neergeschoten worden, niet vertroeteld. Terwijl de oude het lenig schepsel zowat opvrijt, overweeg ik mijn toestand. Duivels eisen voor hun cadeautjes een handtekening met eigen bloed. Rigoletto vraagt zelfs geen lesgeld. Doch in goedheid geloof ik niet. Vooral niet in goedheid van doden.
         Ik roep: ‘Bewijzen!’ Het lijk stopt zijn walgelijke spelletjes met de poes, en richt zich op. (Doden eren wordt moeilijk, als men ze beter leert kennen.)
         ‘De reiziger wenst een kaart?’ hoor ik. ‘Ik zal hem meer geven: een pasje voor zakenreizen met bagage tussen waken en droom.’
         Mij wordt door de kat een Egyptische vaas van lazuursteen onder de neus geduwd. ‘Geleend uit de tempel van Bastet,’ miauwt vals het roofdier. ‘Versierd met een nuttige plattegrond van de stad.’ Op het plan schittert een geïncrusteerde diamant met groen hart. Een katoog.
         ‘Daar is een doorgang in de vestingmuur,’ wijst Rigoletto. ‘Achter een slecht bewaakt deurtje dat de kloof afsluit naar de dagwereld.’
         Volstaat, als bewijs, een uitgestippelde, zeer bruikbare smokkelroute? Dag- en nachtwereld zijn communicerende vaten, als leven en dood. Wat twijfel je nog? Doen!

     

    Ik verwacht, o gulle Rigoletto, dat nu een praktische leerperiode volgt, vele nachten lang. Laat het nuttige ook aangenaam zijn: meteen de grote kroegentocht! Zoiets als de Gentse Feesten, maar losser. Bewuste dromers genieten graag van hun straffeloosheid.
         De toog is een unieke hogeschool. Ik wens het gezelschap van allochtonen. Die hebben veel gereisd, en zijn nuttige tolken in onveilige streken. Ik zoek wezens zonder remmen. Bandieten zijn nuttiger dan heiligen. Stop! Dit cabaret lijkt mij een geschikt rovershol. Laten wij binnengaan in dit gevaarlijk oord. Na jou, brave leermeester. Ik volg wel.
         Wij vinden een bende multiculturele zuiplappen. Wat ik eerst voor kopergroen houd, blijkt hun ware huid. De atmosfeer is niet ondraaglijk, want de gruwelijkste doden dragen porseleinen maskers. In deze zompige kroeg leer ik monsters kennen naar ziel en lichaam. Een plaats waar zelfs de meest gezochte illegalen zich veilig voelen. Er worden linke zaakjes beklonken door groezelige randfiguren. Hier drink ik schaterend grote nappen bier met overleden piraten. Ik ontmoet twijfelachtige doden, die blijven hangen omdat zij weigeren te reïncarneren.
         Na enkele dromen ken ik veel meer doden dan levenden.
         Verdomd, nee, Rigoletto! Vermijd de plaatsen die ik reeds lang ken, zoals de wijk der veel te grote kerken, boven en in elkaar gebouwd. Oude kerken, waar nog steeds stil mis gelezen wordt door priesters die Latijn prevelen, met de rug naar hun gelovigen.
         Ook deze rosse buurt bedoelde ik niet. En stellig niet die dode jongens met meisjesallures!
         Wijs mij de weg naar overrijke musea, als de bewakers slapen... Noem de naam van dode verzamelaars die versteend in hun sarcofaag liggen, omringd door al hun schatten. Ik ben archeoloog, Rigoletto, al noemt men mij een lijkenrover.
         Geef mij adressen. Inbreken neem ik voor eigen rekening. Help mij stapelplaatsen vinden van vreemdsoortige handelaars die verre en gewaagde tochten niet schuwen. Ik wil goud zien blinken. Ik wens klauwen vol edelstenen. Toon mij de grootst mogelijke diamanten, Rigoletto, nacht na nacht.

     

    Zeg nooit: er is geen kat. Er zijn altijd katten. Zij bewegen, zoals de doden, vrij tussen de werelden van dag en nacht. Geen kerkhof zonder katten. Het kan toeval zijn, maar sinds mijn belangstelling voor winstgevend smokkelen, heb ik last van katten. Zij houden mij geniepig in de gaten. Vooral Siamezen, de meest menselijke van alle katachtigen. De nachtpolitie gebruikt geen honden. Verklikken is de ware aard van een kat.
         Voor zover ik weet volgt mij geen klauwbeest als persoonlijke spion. Des te beter. Want wat ik wil ondernemen verdraagt geen getuigen. Katten zijn kwaadaardig, vals en gevaarlijk. Alleen Rigoletto heeft een relatie met zijn kat. (Nooit heb ik in de nacht iemand anders dan hij een kat zien strelen of voeden.) Niet toevallig zijn in de dagwereld juist katten kampioenen van de slaap. Vanzelfsprekend. Zij brengen het belangrijkste deel van hun leven door in de onderwereld van de droom.

     

    Ik heb geleerd dat Bastet de kille godin is van de nacht. Niemand zag haar ooit, maar iedereen weet dat haar hoofd een kattenkop is. Zij leeft in de grote, ingewikkelde tempelwijk, gebouwd langs een berghelling, slechts omgeven door katten. Een menigte katten die haar, onderdanig miauwend, op de hoogte houdt van alles wat met dromers gebeurt. Zoals vele kleine godheden is Bastet grillig en onberekenbaar. (Belangrijke Goden wensen niet aanbeden te worden.)
         Kat, vrouw, godin, wie trekt de grens? De Egyptenaren zaten er niet ver naast. Maar Lovecraft vergist zich. Hij noemt de katgodin Bubastis. Bubastis is de naam van deze nachtstad. De godin heet Bastet(h), of Bast, of nog Bastis, en zelfs Sebasteth.

     

    Door Bubastis loopt een ondiepe, slijkerige stroom naar de zwarte lagune. De inwoners schijnen het rottend water van hun trage rivier bijzonder te vrezen, en nog meer de onduidelijke vormen die samen met het slib meegevoerd worden. Dat verklaart misschien het waanzinnig groot aantal bruggen.
         Het idee die stroom te bevaren zou bij niemand opkomen.

     

    De rol van de zwarte schepen blijft geheimzinnig. Over hun afvaart wordt hier slechts fluisterend gesproken. Druillet heeft ze afgebeeld, Lovecraft heeft ze beschreven, en zij worden biddend bezongen in afgelegen tempels tussen Tibet en Bali.
         Een goed afgebakend deel van de oude haven is hun gebied.
         Grote aantallen vermoeide doden begeven zich aan boord van die wachtende, duistere vloot. Een onheilspellende aanwezigheid, zonder metastasen naar andere wijken. Onbespreekbaar, als een goed ingekapselde tumor. Het is niet de gewoonte dodenschepen na te kijken. Het plaatselijk bijgeloof beweert dat dromers die vertrekkende doden nastaren hen spoedig ook volgen.
         ‘La chose qui tue les morts,’ zoals Maupassant het uitdrukt.
         Met de buik vol doden, lossen de boten op in de mist.
         Wat gebeurt met verliezers raakt mij niet. Het lot van slachtvee laat mij koud.

     

    Onder het bed van Rigoletto vind ik een berg zeer oude boeken, in lijkkleurig perkament gebonden. Heeft hij gejat uit de centrale bibliotheek. Daar staan alle boeken. Ook die werken die nog geschreven moeten worden. Is het te verwonderen dat luie schrijvers in hun droom de rekken afzoeken tot zij hun eigen naam vinden? Ik zie befaamde auteurs nachtelijk een hoofdstuk of twee lezen om dan, eens ontwaakt, een hele middag lang te gaan zitten pennen. Zij noemen dat ‘inspiratie’.
         Het verschijnsel is bekend. Zo ontstond ‘Jekyll en Hyde’. Zo werden gebouwen ontworpen, gezien door een dromende architect, en in het daglicht opgetrokken. Zoals die eclectische kerk in Wenen. Muziek, hier gehoord, werd boven opgetekend. (‘De Duivelstril’, Tartini!)
         Opvallend veel fantasten blijken bewuste dromers. Gaan jullie dat ontkennen, Delvaux, Magritte, Jean Ray? Zelfs de besten kunnen, na hun dood, niet van de grote bibliotheek scheiden. Zo ook Lovecraft, die een timide indruk maakt. En Jean Ray, die telkens weer de ‘Necronomicon’ wegmoffelt om Lovecraft te pesten. (Die twee kunnen elkaar niet luchten. Lovecraft eerbiedigt verder wet en orde, Jean Ray heeft nog steeds lak aan elk gezag.)
         De vele musea bezoek ik zoals anderen hun supermarkten: karretje volladen, en wegwezen. Als men weet tot wie zich te wenden, is de nacht gul met geschenken.

     

    In Bubastis een eigen huis bezitten is een dwingende voorwaarde om aanvaard te worden. Drie opeenvolgende dromen volstaan mij om een ruim nachtverblijf te bouwen. (Iedereen woont graag dicht bij zijn werk.) Ik stouw de plaats nokvol antieke juwelen en waardevolle incunabelen. Elke nacht levert zijn lading zuiver goud of zakken edelstenen op. Slechts mijn biologische klok die mij regelmatig weer opzuigt naar de dagdagelijkse sleur onderbreekt mijn activiteit.
         Levenden moeten nu eenmaal op geregelde tijdstippen ontwaken.

     

    Ik sta weer eens te glunderen met handen vol ontvreemde juwelen. Rigoletto juicht mijn vorderingen toe. Hij blijft mijn opleiding volgen. Samen ontwerpen wij een werkplan. Niet het wazig plan van de archeoloog. Het praktisch plan van een inbreker.
         Ik ontcijfer ijverig een plechtige papyrusrol. Er staat: ‘Breng een schijndeur aan naast uw sponde in de wakende wereld. Terugkerend van een droom zult gij langs die deur, die uw droomdeur is, geschenken van de nacht overhevelen. Stervend zult gij voor de laatste maal uw schijndeur gebruiken, en langs die lijkendeur gaan waar de Zwarte Schepen op u wachten...’ (Dit laatste is maar een formaliteit, verzekert mij Rigoletto.)
         Ik heb overdag een zeer oude deur gekocht, en die tegen de muur bevestigd naast mijn bed, zoals in elke piramide de dodenkamer ook haar schijndeur heeft. Bedoeld als een fistel tussen dag- en nachtwereld. Geen fortuin zonder risico. Niet voor niets zocht Rigoletto een jonge, sterke dromer...

     

    Deze nacht verken ik de smokkelroute vanuit Bubastis. Aan het einde van de gang hoop ik mijn schijndeur te vinden. Als Rigoletto gelijk heeft, overschaduw ik binnenkort Croesus.
         Er staat geschreven dat de occulte weg, nauw als de spleet tussen twee stenen, langs grotten voert vol mummies van honderdduizenden katten. Geladen mummies die, als het de godin zou behagen, tot leven kunnen komen. Ik vind zo’n grot. De halfvergane kattenmummies rotten in vrede, vergeten door goden en mensen. Houden, zo! De ingang. Ik zoek een pantserdeur, en vind een wormig luikje achter een gordijn van spinnenwebben. Een sluipdeur. Een doorgeefluik. ‘Ceci n’est pas une porte,’ fluistert een geheimzinnige stem. Ik heb Magritte herkend.
         Onverwachts word ik omringd door een wespennest van kleine griezels. Hun oogjes priemen bepaald wreedaardig, doch intelligent. Zij zijn voorlopig slechts nieuwsgierig, want hun aanval blijft uit. In mij herkennen zij geen kat. Anders was ik al dood.
         De kleine wezens (met opzet schrijf ik niet ‘dieren’), houden zich op bij de grens tussen droom en ontwaken. Daar krioelt het ervan. Zij kunnen de grensovergang bemoeilijken, of juist zeer gemakkelijk maken. Het moeten fabelachtige medeplichtigen zijn... Ik overwin mijn walging, en kniel neer tot op hun hoogte. De monstertjes snuffelen, houden een soort krijgsraad, en beslissen mij te helpen. Omdat ik katten haat. Katten zijn hun aartsvijanden. Die doden zij met plezier, wild en onnodig wreed. Zij kwetteren voortdurend in een voor mij onbekende taal. Als ze opgewonden zijn maken zij snerpende piepgeluiden. Zeer speels, opvliegend, plagerig en arrogant gedragen zij zich als bedorven kinderen. Het zijn sympathieke smeerlapjes. Deze kleine, behaarde wezentjes zijn gevaarlijk door hun aantal en ware doodsverachting. Hun vlijmscherpe tanden zijn zowat de tanden van de nacht... Iedereens vijand en niemands vriend. Uiterlijk zijn zij afstotelijk, walgelijk naar vorm en kleur. Hun rugpantser en klauwen doen denken aan gordeldieren, maar zij lopen rechtop, en hebben kinderhoofden.
         Meer dan dieren. Net nog geen mensen. Men fluistert dat zij de geesten herbergen van onvoldragen foetussen.
         Bij hoge uitzondering doden ze mensen. Veel liever zullen zij baby’s lokken door wiegendood te veroorzaken, en een pasgeboren kind zodanig verminken dat het één der hunnen wordt.
         In het dagleven schuilen zij in graven. Op alle vervallen kerkhoven komen zij voor. Grafdelvers weten, maar zwijgen.
         Waar zij eten vinden is onduidelijk. Zij kauwen voortdurend kleine stukjes rottend vlees, dat zij in primitieve buideltjes aan hun gordel meedragen. Zij schijnen te pruimen, en spuwen ongemanierd eender waar. Zij zijn grensgevallen, in elke zin van het woord. Zij horen noch tot het leven, noch tot de dood. Wel kunnen zij doden en gedood worden. Bij trosjes.
         Zij zijn de lagere demonen die zich maar al te graag laten oproepen door onhandige spiritisten. Aan wie zij dan dwaze praat vertellen.
         De weg vinden is niet moeilijk: het volstaat de wurgende stank te volgen van hun drek. De kleine gedrochten dansen rond mij, met de storende vreugde van abnormalen.
         De gang eindigt op een rechthoekig vlak, dat fluoresceert als de lijkkant van een grafsteen. De nachtzijde van mijn schijndeur. Nog even, en ik ben thuis. De monstertjes raken opgewonden, en hun gepiep bekrast mijn trommelvliezen. Bewust de slaap verbrekend, sla ik de deur met geweld open. De energie die vrijkomt buldert als een mokerslag op een leeg graf. (Zo brutaal was niet bedoeld. Gebrek aan ervaring. Wordt wel beter.)
         Er is het getrappel van honderden pootjes, vluchtend over de verblekende vloer van mijn droom. Ik ontwaak in mijn eigen bed. Tussen mij en de schijndeur zitten afdrukken van slijkvoeten. De mijne. Dat slijk is overgebracht. Het principe werkt!
         Als tastbare slijksporen afkomstig zijn uit het land van ginder, dan kan, met wat oefening, eender welke stof, ook de edelste, van droom naar waken versluisd worden. Diamant is tenslotte maar een vorm van koolstof.
         Ik zal dromend door de verboden gang sluipen, met handen vol juwelen. De parapsychologie noemt zulke voorwerpen ‘apporten’. (De Franse School spreekt van telurgie.)
         Begrijpen hoeft niet. Mijn tijdgenoten hebben bijna een eeuw lang elektriciteit gebruikt zonder het verschijnsel te kunnen uitleggen. Nee, begrijpen is niet nodig.

     

    Zondag. Hele dag in bed gebleven. Onbeweeglijk glimlachend beluister ik urenlang honderden vuile klauwtjes die krabben aan de achterzijde van mijn schijndeur. Niet om door te dringen. Als teken van aanwezigheid. Zij willen spelen. Zij verlangen naar mij.

     

    Maandag. Na een wilde nacht staat mijn dromende geest recht in het midden van de kamer, en ziet mijn lichaam in bed liggen slapen. Dan ontwaak ik gewoon, met lege handen. Het voorwerp is niet meegekomen. Op de grond van mijn slaapkamer zitten tientallen sporen van heel kleine slijkpootjes. De griezeltjes volgden mij, en werden vernietigd door het daglicht. Maar dat slijk bevestigt nogmaals de theorie. De goede weg is ingeslagen.

     

    Dinsdag. Ontwaakt uit droomloze slaap.

     

    Woensdag. Wat vannacht een grote edelsteen leek, is nu een stuk groen glas. Een necroliet. Half mislukt. Toch ben ik zeer tevreden. Ik koester dat probeersel als een schrijver zijn eerste, onhandige verhaal.

     

    Donderdag. Een mooie woestijnroos. Niet erg kostbaar, maar ongewijzigd overgekomen. Mijn eerste geslaagd apport! Champagne!

     

    Vrijdag. Een kat probeerde mij te volgen. Slecht bekwam het haar. Zij werd verslonden, en herleid tot een prachtig, wit geraamte.
         Beenderen zijn lichtgevend. Nu weet ik waarom de gang niet donker is.

     

    Zondag. Goud! Eindelijk! Een gouden beker, bezet met edelstenen. Romaans. Oudheidkundige waarde: niet te schatten. Slechts betaalbaar op de buitenlandse kunstmarkt.

     

    Maandag. De eivorm lijkt gemakkelijk over te brengen. Ik kies amber, opaal of andere precieuze steensoorten als grondstof, en laat in de nachtwereld eieren draaien met de meest strelende kleuren. Veredelde paaseieren. Malachiet is het mooist.

     

    Woensdag. Lading eieren van groen jaspis. Omdat het gewicht mijn krachten overtreft, laat ik mij helpen door een kleine nachtjongen. Incident bij het einde van de gang: de gruwels, die hem niet kennen, vergissen zich en bijten hem genadeloos. De knaap bloedt hevig. Voor hem eindigt hier zijn elementair bestaan. Ik leg de laatste meters alleen af, bukkend onder de last.
         Ontwaakt. Ik aanschouw mijn nieuwe aanwinst. Het bloed van de jongen is in de steen gedrongen, en marmert de lading. Dooraderd bloedjaspis, weet mijn opkoper bewonderend.
    Rarissiem. (Ik zal wel de enige sterveling zijn die weet hoe bloed in steen komt!)

     

    Donderdag. Bedenking: misbruik maken van occulte gaven is ongevaarlijk, boeiend en zeer lonend. Een bijzonder verslavende combinatie!
         Misbruik? Ik breng iedere nacht juwelen mee uit de droom, zoals een mijnrover edelstenen ontfutselt aan de donkere aarde. De douaniers van de nacht schuimbekken. Maar tenslotte benadeel ik geen levende ziel.

     

    Zaterdag. Teveel ongevallen bij de grens. Mijn helpers leven niet lang. Eens temeer is een behulpzame drager mij gevolgd. Een moedig droomfiguur. Bij de schijndeur ontstaat paniek. Weer de agressieve mormels die onnodig bijten. Zelfs mij vallen zij aan. Ik heb geen keuze, en gooi de deur dicht. De jongen gaat niet snel genoeg achteruit. Zijn hand, reeds binnen, wordt tussen deur en muur geamputeerd met chirurgische precisie. De hand valt op mijn vloer aan de dagzijde en verkalkt snel. Dromers en doden verdragen zonlicht. Droomfiguren niet. (Zo komen scharrelaars goedkoop aan ouderwetse
    etalagepoppen.) Zijn vuist ontspant traag, en blijkt vol edelstenen. Brave jongen.
         Het zal niet altijd gemakkelijk zijn om personeel te krijgen...

     

    Na zowat een maand professioneel dromen, is een groot deel van mijn nachtrijkdom langs de ‘edelsteenroute’ overgeheveld naar de goedbetalende dag. Ik word beestachtig rijk dankzij een vast cliënteel met solide beurs en zonder lastige vragen. Ik behandel scharrelaars nu met meer welwillendheid. Het zijn nuttige zoogdieren, want zij rekenen contant af. Na eerst enkele snuffelmarkten overspoeld te hebben met fraaie ruïnestukken, wend ik mij tot grote antiquairs. Dan, rechtstreeks tot rijke particulieren, goudsmeden en diamantairs. Nooit tot musea. Die hebben geen geld.
         Een vakblad voor de antiekhandel meldt: aanvoer van zeer waardevolle stukken. Hoogste kwaliteit aan betrekkelijk lage prijzen. (Zou ik daar iets mee te maken hebben?)

     

    Haast elke nacht bezoek ik mijn inwendig Pompeï.
         Rigoletto blijft een goede gezel. Iemands verdriet delen is gemakkelijk. Slechts ware vrienden kunnen meeleven met succes.

     

    Is mijn nachthuis een werkruimte, mijn daghuis wordt een paleis naar eclectische Victoriaanse geest. Rondom mij wil ik de sfeer van rijke kerken en kastelen. Hoeveel ruimten ik precies overlaad is zonder belang. (Een huis waarvan ik exact het aantal kamers ken, is mij het bewonen niet waard.)
         Ik wens geheimzinnig halfduister, en de geur van stervende bloemen, zo natuurgetrouw potpourri genaamd. Een ‘gedroomd’ oord om te genieten van mijn beste pronkstukken.

     

    Ik ben omgeven door schandalige luxe, en leef royaal boven mijn stand. Mijn eenzaamheid heb ik bijzonder fraai bemeubeld. En toch ontbreekt mij iets. Eigenlijk iemand. Geluk moet gedeeld worden. Geluk zoekt respons. Ik kan mij best een buitenissigheid veroorloven. Zoals trouwen. (Flirten ligt mij niet.)
         Vrouwtje van mijn hart, ik zie je zo voor mij, broos en breekbaar. Steeds glimlachend. Steeds beleefd. Gracieus, en wat onbenullig. Je ogen moeten de ogen zijn van alle mensen die mij kennen maar mij nooit gewaardeerd hebben. In jouw ogen zal bewondering blinken. Het levenswater dat mij steeds ontbrak. Ik zoek een aangename echo aan mijn zijde, geen volwaardige partner. Ik wil je zien genieten zonder begrijpen. Begrijpen zou je schoonheid toch maar schaden. Daarom kies ik je zo kwetsbaar mogelijk. Ik zoek een hond zonder meester. Een vrouw die past bij mijn meubels. Kon ik je maar vinden zoals een kanarievogel op de markt, gewoon te koop. Excentriek? Ik ben rijk genoeg om de vloer aan te vegen met de opinie van de armen.

     

    Een interessante uitdaging lijkt mij volgende advertentie in een streekkrant: ‘Lieve meisjes uit Thailand wensen contact vr later huw. Wil schr met 2 postz nr PB xyz.’
         Elke week verschijnt die annonce. Onder de rubriek ‘dieren’. Tussen Maltezer pups en blonde Labradors, Perzische katten, Chowchows mt waarb en stamb.
         Ik vul formulieren in, en stel geen overbodige vragen. Hoe minder ik weet, hoe beter ik slaap. Hoe beter ik slaap, hoe scherper ik droom en hoe meer geld ik verdien.
         Wat is het leven eenvoudig.

     

    Nu is het uitkijken naar Miss Bami Goreng. Zonder teveel te verwachten.
         Vrijdag. Halleluja! Mijn Euro-Aziatische stoeipoes is aangekomen. Mooi en geheimzinnig als een exotische nacht. Een zijdezacht miniatuurtje. Ik had nooit gedacht dat een vrouw mij zo kon boeien. Dit wondertje van de natuur zou poolijs doen smelten. Ogen als sterren en briljanten. Helemaal niet scheel. Wel ‘anders’. Even wennen. Een lenig lijfje. De gang van een prinses. (En niet eender welke prinses!) Eén en al onderdanigheid. Verleidelijk, zonder minste spoor van vulgariteit. Nog zeer jong. Kinderlijk, maar niet kinderachtig. Straatarm, natuurlijk, maar dat is geen punt.
         Rond het nekje, zeer vernederend, draagt zij een touw-met-etiket. Plaats van herkomst, registratienummer in Bangkok. En haar naam: Feh’Lien. (Voornaam? Achternaam? Beide?) Niet erg welluidend, maar het is het enige dat het kind op Aarde bezit. En zij moet zich al zoveel aanpassen. Zij zal haar naam behouden.
         In gepolijst spoedcursus-Engels debiteert zij wat ingestudeerde onzin. Niet nodig, Feh’Lientje. Het etiket verbrand ik, als een halfverrotte hangbrug naar je verleden. Lief, tenger, soepel, begerenswaardig Lientje! Ik leid haar naar haar nieuw en definitief interieur. Koffiekleurige oosterse meubeltjes, paarlemoer ingelegd. Zij is verrukt. Best zo.
         Feh’Lien doet boodschappen. Feh’Lien kookt. Wat een potjes en pannetjes! En vergist zij zich, en koopt zij toevallig kattenvoer-in-mooie-doos (toastjes met Whiskas), dan moet ik er dat maar bijnemen. Met een brede glimlach.
         Feh’Lien is te goed, te volmaakt om de mijne te zijn. Wie ingaat op zo’n annonce verwacht een wandelende opblaaspop. Niet de perfectie zelf. Niet dat instinct, die aangeboren tact, dat praten zonder woorden, onze huisdieren eigen.
         Een dier kent geen kameraadschap.
         Een dier kent geen vriendschap.
         Een dier kent slechts liefde. Of haat.
         Geldt ook voor Feh’Lientje. Alhoewel ik mij haar haat niet kan voorstellen. Oosterlingen zijn wellicht te beleefd om te haten.
         Als ik vertel over mijn leven aan de nachtzijde, is zij zo fijngevoelig geen verbazing te tonen, mij niet de indruk te geven dat ik iets nieuws vertel. Daar ben ik haar zeer dankbaar voor. Een Europese vrouw zou mij uitlachen.

     

    Dankzij Feh’Lientje verdraag ik beter het daglicht. Ik voel mij als een mijnwerker die bovenkomt. Dank je, Feh’Lientje!

     

    Feh’Lien is creatief. Feh’Lien gaat schilderen. Zij penseelt vlijtig, met koffie als kleurstof. De schakeringen die zij aanmengt zijn rijk en gevarieerd. Er verschijnen wazige landschappen, met punten van briljant duister en vlekken van spaarzaam licht. Zij schildert met donkere mist. Enkele penseelstreken. Zij suggereert. Aziatische kunst is voor mij een openbaring. Maar toch niet helemaal onbekend. Vage maanlandschappen. Onderbelichte steden. Dromerige en zeer poëtische toestanden.

     

    Ik vertel haar bij het ochtendmaal mijn jongste nachtelijke escapade naar het land der blauwe negers.
         Zij is geschokt over mijn belangstelling. (Kleine raciste)!
         Ik tracht Feh’Lien wat verdraagzaamheid bij te brengen, maar zij klapt dicht. Goed, geen blauwe negers meer in mijn dromen!

     

    Ik heb iets ongewoons ontdekt. Blauwe negers eten katten. Zou Feh’Lientje misschien daarom... Zij houdt van katten. Maar hoe heeft zij dat aangevoeld?

     

    Ik verliefd? Ja.
         De jager trapte in zijn eigen val.
         Klein Feh’Lientje krijgt wel een grote betekenis. Mijn exotisch diertje neemt glimlachend een eigen plaats in. De plaats van meesteres. Oriëntaals beleefd maar westers duidelijk. Een goede geliefde en een goede zakenvrouw. Dat was niet de bedoeling. Leg haar dat maar eens uit!
         Feh’Lientje houdt voortaan de boeken bij. Ik ben te slordig, beweert zij terecht. De rekeningen moeten kloppen. Tot op een miljoen na! (Zo pietluttig kan alleen een vrouw zijn.)
         Er komen niet te ontcijferen berichten uit haar land van herkomst. Des te beter. Roots zijn belangrijk.
         Die meldingen, op schors gegrift, schijnen bedrieglijk zeer oud. De rimboe is tijdloos.
         I Tjing, dat zij een spelletje noemt, bevalt mij minder. Een gevaarlijke liaan tussen God en Duivel (en het is niet steeds duidelijk wie men aan de lijn heeft.)

     

    Er is een probleem. De katten hebben de tegenaanval ingezet. Mijn kleine nachtgedrochten worden afgeslacht. In heel Bubastis loopt geen kat er onbeschadigd bij, maar mijn smerigste griezeltjes ben ik kwijt. Gekeeld, en opgevreten.
         De tempel van Bastet is ongewoon hel verlicht. Daar wordt gefeest.
         Slecht voor mijn prestige. Ik heb hulp nodig.
         De laatste tijd hoor ik veel spreken over het gevaarlijke land van Yr, door donkere handelaars die hun karavanen tot de marktplaats van Bubastis drijven. Het onbetrouwbare land van Yr zou een verafgelegen woestijnstaat zijn, met als enige stad de uit slijk en mest opgetrokken burcht die dezelfde naam draagt. Een burcht met steeds open poorten. Want naar alle richtingen sluit de loden zandwoestijn elke ontvluchting uit.
         Yr, waar goud niet belangrijk is, en kwajongens de zeldzame reizigers bekogelen met grote edelstenen.
         Yr, waar gedrochten tronen, en de mooiste schepsels die gedroomd worden hun slaven zijn. Slaven die geduchte vechtersbazen schijnen. Vooral de meisjes. En... zij haten katten!
         Zelf naar Yr trekken is niet haalbaar. Geen dromer waagt zich in de schroeiende steppen of de veel te donkere oerwouden van een continent waaruit alle goden verdreven zijn, en demonen oppermachtig heersen. Hun riten doden de levenden en storen de doden. Veel te ver ligt het onaangenaam land van Yr, dat de niet begrijpende reiziger begroet met het ergerlijk tonggeroffel van dode vrouwen.
         Ook in mijn eigen Bubastis klinkt de hobbelige kamelenmuziek van nomaden. Bij het groot serail naast de slavenmarkt vertellen avonturiers over Yr, de goddeloze. Exotische allochtonen met vaag menselijke trekken brengen de nachthemel van Bubastis onverwachte kleuren bij. Zij drinken nooit, maar roken heerlijke kruiden in reusachtige waterpijpen. Luisterend naar hun beste zangers, geniet ik van barbaarse kunstvormen die mijn geest benevelen op een nieuwe, perverse manier. Ik leer denkgewoonten van Yr aanvaarden. Tenslotte niet vreemder dan de mij reeds vertrouwde gewoonten van Bangkok.
         Men verzekert mij dat in Yr niet één levende kat te zien is. Dood wel, door balseming verstijfd in belachelijke of obscène houdingen. Vanaf hun prille jeugd brengen de slaafjes van Yr verdwaalde nachtkatten ter dood. Daar zijn zij bijzonder handig in, en ze martelen hun kermende slachtoffers met veel omhaal. De slavinnen van Yr zijn daarom in het katminnend Bubastis niet zeer gewild. Van slaven verwacht men onderdanigheid. Geen initiatieven.
         Er wordt nieuwe koopwaar geëtaleerd. Vrouwelijk. Spaarzaam gehuld in huiden van katachtigen, met kilo’s goud rond de nek. Dat maakt de slavinnen van Yr tot prinsessen. Alleen hun ongezonde verkopers beseffen dat niet. Zij geven hun slaven meer goud dan eten. De sieraden rond enkels en dijen bewijzen de verwerpelijke duivelsaanbidding van hun donkere meesters.
         Sommigen dragen zoveel juwelen dat hun naaktheid niet opvalt. Slavinnen van Yr zijn bekend om hun onvoorwaardelijke trouw tot in de dood. En verder.
         Hooghartig en agressief tegenover alle anderen, dienen zij hun meester met de loyaliteit van een eigenzinnige teckel. Geen slaafjes voor beginnelingen! Zij zijn vermetel en jaloers. Hun onafscheidelijke kromdoIk hanteren zij beter dan welke man dan ook.
         De aankoop van zo’n slavinnetje kan een oplossing zijn voor mijn probleem. Ik zoek een goede kattenverdelgster, en koop mijn slavin eigenlijk met de ogen dicht. Voor mij is het bijkomstig dat haar lompen glanzen van de gemmen, die veelkleurige, maanzieke stenen. De verkoper loofde haar schoonheid. Ik merk alleen maar de charme van een vleesetende plant, mysterieus en genadeloos. Een schitterende, uitdagende, giftige bloem.
         Op het fier hoofd draagt zij het karakteristiek kroontje met vervaarlijke punt. Dat maakt van haar kopstoot een dolksteek. Zij volgt mij. (De slaven van Yr hebben het recht een nieuwe meester te weigeren. Dat betekent voor hen dan wel de steniging.)
         Ook draagt mijn slavin in de gordel de korte, vlijmscherpe jambya, een wapen om niet mee te spotten.
         Ira is haar naam. Ira betekent: vrouw van Yr. Maar ook, woede. Ira illustreert de overversiering, haar ras eigen. Aan elke lange, dunne vinger, minstens één ring. Zo ook aan verschillende teentjes. Ik vind juwelen onder en boven de knie. Goud aan de enkel. Slangvormige armbanden. De meest bizarre juwelen op de meest bizarre plaatsen.
         Ira lijkt in de verste verte niet op de sobere Feh’Lien. Zo eenvoudig en poeslief mijn dagvrouwtje is, zo strijdbaar loopt er mijn nachtvrouw bij. Het meisje dat Feh’Lien compenseert. Samen vormen zij het ideaal. Ik hoef maar te pendelen tussen mijn lieve, zonbeschenen stoeipoes en mijn prachtige, maanbelichte amazone. Vertroeteld en veilig. Twee vrouwen? Ik heb tenslotte twee huizen.
         Ik ben gelukkig.
         Dat was dan zonder Rigoletto...
         De heftigheid van zijn reactie verbaast mij.
         Schande!’ roept hij woedend. ‘Wie koopt er nu zo’n duivelin? Veel te gevaarlijk!’
         Hij scheldt mij uit voor onhandige dromer. ‘Zend dat wijfjesdier terug,’ tiert hij. En... ‘Als Feh’Lien dat wist...’
         ‘Maak je niet dik, stuk bemoeizucht! Ik houd van Feh’Lien. Zij zal niets weten.’ En sarrend zing ik: ‘La donna è mobile.’
         Flink onder de gordel, want Rigoletto haat zijn opera. Zijn ogen spuwen vuur.

     

    Eigenlijk zou ik dat riskant smokkelen best kunnen laten. Vanaf een bepaalde som groeit een fortuin niet merkbaar meer aan. Maar er is Feh’Lientje. Ik wil alle sterren aan haar voeten. En ik smokkel verder. Gedreven door dat mes in de rug: liefde.
         Ira begrijpt perfect wat van haar verwacht wordt. Zij is mijn schild en mijn zwaard. Katten aan mootjes hakken is haar leven en lust. Als zij ze vangt is het om ze levend te villen. Typische krijgsvrouw, doden (of gedood worden) hoort tot haar godsdienst. Sneuvelen is voor haar geen punt. Zij is soldaat. Maar geen diplomaat. Zij haat instinctief Rigoletto en zijn kattenhuishouding. Vooral de hoofdkat, zijn Siamese reuzin. Met de nachtgriezels uit de smokkelgang daarentegen wordt Ira vlug beste maatjes. Zij behandelt ze als huisdieren. (Even goed als kakkerlakken temmen!) Ira houdt van vogels. Zij kweekt pratende eksters, om ze na korte tijd te onthoofden. Die afgehakte vogelkoppen blijven leven, en tateren verder. Zij pint er verschillende op haar armbanden, als levende juwelen. De koppen plegen met fijnbesneden tong ongezouten de waarheid te vertellen. Onaangenaam, maar nuttig. Kwetterende griezels. Lawaaierige stukken venijn. En erg gevaarlijk voor de vingers!

     

    Dankzij Ira sneuvelen er voortaan meer katten dan nachtgruwels. Van haar dode vriendjes knutselt Ira mandjes. De uitgeholde rugschilden van de griezeltjes zijn daarvoor zeer geschikt. Door staart-in-muil-bevestiging, ontstaat zelfs een functioneel handvat.
         De klauwen blijven zitten als versiering. Ira is tevreden. Zij straalt de maagdelijke natuur uit van een ontwikkelingsland, waar schoonheid zonder wreedheid niet bestaat.

     

    Oeps! Een valse noot: Ira en Rigoletto’s kat waren verwikkeld in een heus gevecht. Ira heeft de kat een lelijke dreun verkocht. Het beest lag even buiten westen. Rigoletto mocht de rest van de nacht koude kompressen leggen. De kat bleef wenen. Ik ga Ira toch wat afremmen.
         Een vervelende droom. Stilletjes ontwaken lijkt mij raadzaam.
         Naast mij is het echtelijk bed leeg. Feh’Lien zit opgesloten in de badkamer. Onder geen beding mag ik naar binnen. Gezellig.

     

    Arme Feh’Lien. Het westers comfort blijft haar parten spelen. Een verraderlijke glazen deur tegen het hoofdje gekregen! Snikkend vertelt zij mij het ongeval. Arme schat. Haar rechteroog zit dicht. Dat wordt kompressen leggen. Gelukkig zal zij geen litteken overhouden. Als troost schenk ik haar een Oud-egyptisch katbeeldje dat de godin Bastet voorstelt. Puur goud. Zij is er heel blij mee. Vlug getroost. Net een kind. Bescherm ik haar wel voldoende?

     

    Iedere morgen valt het ontwaken mij moeilijker. Mijn geest heeft in de nachtwereld loden voeten gekregen, een verschijnsel dat slechts optreedt bij ongeoefende dromers. De droom laat mij steeds minder gemakkelijk los. Een beetje overwerkt zeker.

     

    Sedert het bestaan van Ira loopt Feh’Lien wat onwennig rond. Dat is ongewoon. Ik heb geen van beide vrouwen ooit verteld over hun tegenpool. Zouden zij elkaar aanvoelen?
         Ook vriend Rigoletto is kil geworden, of verbeeld ik mij dat? Ik weet dat hij, achter mijn rug, getracht heeft Ira weer te verkopen. Die twee ruziemakers uit elkaar houden is niet gemakkelijk.
         Deze nacht is de nacht van Bastet. De onzichtbare godin zal op een praalwagen, getrokken door katten, processiegewijs langs onze huizen gevoerd worden. Omdat in deze wijk haar gelovigen zeer talrijk zijn, en het hier krioelt van de katten.
         Katten zijn erg devoot, en bidden dikwijls. (Vandaar hun misprijzen voor honden, die nooit bidden.)
         Vannacht hoort de straat de katten toe. Ik beslis wijselijk Ira voor vierentwintig uur op te sluiten.
         De cultus van de katvrouw is niet geschikt voor dromers zoals ik. Te mijden, zelfs. Want vannacht toont iedere huiskat zich onder haar zeven verschillende gedaanten. Wee dan de niet-ingewijden. Consequent opteer ik voor een droomloze slaap.

     

    De opgepepte vrolijkheid van Rigoletto stoort mij. Een zelfmoordenaar hoort depressief te zijn. Er is stellig weer een vergadering op til in zijn huis. Rijen stoelen staan klaar. Gastheer Rigoletto heeft het druk. Wanneer hij zich met zijn zelfhulpgroep bezighoudt, wordt hij onuitstaanbaar.
         Regelmatig vergaderen hier assertieve zelfmoordenaars. De leden die opdagen zoeken meer dan een vluchtheuvel voor zielenpoten. Het blijken nooit gewone doden. (Zijn zij wel dood?) Keurige oudere heren, in deftige grafkleding met sluiting achteraan. Zelfs de schoenen. Een select gezelschap, wat stijfjes, betweterig en neerbuigend. Arrivisten. Ik mag hun soort niet.
         Vermoeide zelfdoders worden door deze kliek streng geweerd, vooral zij die, om palliatieve toestanden te ontlopen, plichtbewust pilletjes namen. Ook veel te jonge zelfmoordenaars komen niet in aanmerking. Om een overlast aan weekenddoden te vermijden.
         De gastspreker van deze nacht is een dode die regelmatig terugkeert naar het daglicht. Meestal met wraakgevoelens. (Luid applaus!) Hij leert zijn gulzig publiek gemene trucjes.
         Begrijp ik niet. Waarom hun zelfmoord, als zij plannen smeden om terug te keren? Heimwee naar boven speelt stellig geen rol. Wat dan wel?
         Als leden zich verwaardigen mij aan te spreken, word ik behandeld met een mengeling van interesse en spot. Dan voel ik mij een lijk, op de dissectietafel van een cursus anatomie.
         Af en toe vertrekt een sektelid. Stellig niet richting Zwarte Schepen. Eerder naar de dagdagelijkse wereld. Door oefening blijven zij langer en langer weg, tot zij de ‘grote sprong’ maken, zoals zij dat noemen.
         Ik merk dat drie hoogbejaarde leden van de occulte suicideclub verdwenen zijn. Definitief verdwenen.
         Drie schimmen van jonge dromers, in opperste verwarring, komen aankloppen bij Rigoletto. Om hulp.
         De bultenaar lacht ze vierkant uit, en gooit hen stenen naar het hoofd, en drek van muildieren.
         ‘Naar de Zwarte Schepen!’ brult hij. Daar ligt jullie lot!’
         ‘Maar wij leven nog,’ kreunen de sukkelaars.
         ‘Worden geleefd,’ zegeviert Rigoletto. En hij barst los in een sardonische lach die rotsen zou doen splijten. Zijn weerzinwekkend manken is een vreugdedans geworden. Wee de slachtoffers van zieken. Gelukkig ben ik zijn vriend.
         Nog duivelser dan haar baas uit zich de kat. Die vliegt de arme dromers aan, en jaagt ze naar de benedenstad, richting Doodsboten.
         ‘Snel, of de scheepjes vertrekken nog zonder jullie,’ hikt Rigoletto door zijn lachen heen.
         Levend op de Zwarte Boten, levend de dood aanschouwen na de dood... Hoe haalt hij het in zijn hoofd? Zo’n straf verdient niemand!
         De sterkste jongen gilt: ‘Die mist is geen water meer, geen lucht en geen land. Drijf mij toch niet naar de zwarte mist... Vanaf daar vervoeren geesten van schepen geesten van mensen...’
         De tweede slaat hysterische wartaal uit: ‘Ginder zie ik geen zeilen, maar reusachtige vleugels van vleermuizen. Is het waar dat die boten een ruim van vochtig leer hebben? Verteren zij hun vracht? En tot wat zetten zij de arme doden om?’
         Dan merk ik twee mannen in het zwart, opgedoken uit het niets. Rigoletto lacht niet meer, en zwijgt. Het zijn dodenmeesters. Men noemt ze meesters van de droom, maar zij zijn dood.
         De derde jongen stapt op hen af, en vertelt dat hij slapend opgestaan is, terwijl zijn lichaam is blijven liggen. ‘Ik kan niet meer ontwaken,’ zucht hij.
         ‘Komt wel,’ klinkt het sussend. ‘Aan boord.’
         Beide dodenmeesters staren hem aan. Hun blik is koud en verlammend. De jongen verstijft, en valt stil. Even later ook de twee anderen. De zwarte mannen glimlachen. Alle doden zijn hypnotiseurs.
         Drie schimmen van jonge dromers zijn vermoeiden geworden, zoals het Egyptisch dodenboek onbegraven lijken noemt. De donkere haven zuigt ze aan, en zij voegen zich in vol bewustzijn bij een lange rij berustende doden.
        
    Requiescant in pace...
        
    Dat hoop ik, maar geloof ik niet.

     

    Ira meent mij de les te moeten lezen. Zij beweert dat Rigoletto een bedreiging vormt.
         Oppassen, meisje, gevoelig onderwerp! Misschien heb ik hem nog nodig. Tenslotte is hij de spil van mijn fortuin. Zo zit dat. Zwijgen, dus!

     

    Rigoletto heeft mij beledigd. Als hij voortaan ontvangt, moet ik zijn huis uit. Die apartheid ervaar ik als onverwacht vijandig. Had hij, uit eigenbelang, beter niet gedaan. Want de enige brandkast die ik hier beneden nog niet kraakte... is de zijne. Door zijn onverdiende uitval is er geen reden meer om dat nog langer uit te stellen.
         Ben erg ontgoocheld: in zijn safe zitten slechts boeken. De zeer oude, in lijkkleurig perkament gebonden werken die vroeger onder zijn bed lagen. Duidelijk houdt hij die sinds kort voor mij verborgen.
         Het ongewone van de behandelde onderwerpen valt op. Ik vind het berucht en in de nachtwereld verboden ‘Lof van de zelfmoord’, dat Erasmus schreef kort na zijn dood. Tevens het perverse ‘Kracht van de lucide zelfmoordenaar’, een zeldzaam werk met indexstempel van de grote bibliotheek. Vluchtig lees ik: ‘De wereld heeft van de modale dode niet veel meer te vrezen. Van de bewuste zelfmoordenaar wel. Want die tracht hardnekkig weer te keren. Zijn geest selecteert een nieuw, geschikt lichaam. En dringt erbinnen zodra dit rijp is, als een vaardige parasiet die eieren legt in het lijf van een nog levend slachtoffer.’
         Naast een bijzonder agressieve paragraaf heeft Rigoletto gekrabbeld: ‘Maak je nooit kwaad. Wreek je!!’
         Natuurlijk is er het klassiek ‘Leven der doden’, (zeven delen, Prof. Tenhaeff op. posth.). ‘L’Amour’ van Vemar en ‘La Mort’ van Maeterlinck. L’amour et la mort, c’est la même chose...
         ‘Les rêves et les moyens de les diriger’ van Hervey de Saint-Denys.
         Verder enkele ongevaarlijke werken, zoals de Michelin van de grote droomsteden (‘Guide de voyage du rêveur averti’). Of de ‘Kleine gids van de dood ten behoeve van de levenden’ door Dr. G.Y.C.
         Vooral het anonieme boek ‘Mijn grote wederkeer’ is erg beduimeld. Ik kan er jammer genoeg geen letter uit lezen omdat plots, totaal buiten tijdschema, Rigoletto achter mij staat. Hij graait met perkamenten poten de perkamenten stapel uit mijn handen. ‘Geen spek voor je bek, speciaal niet voor jouw bek,’ sist hij. En hij verbergt zijn verdoemde wetenschap elders. Zorgvuldig, deze keer. Ik zou er nooit meer iets van terugvinden...

     

    Rigoletto is niet te bespeuren, en Ira is zwijgzaam.
         Zij handelt buiten mijn weten om. Dat belooft wat, want voor haar betekent handelen: doden. Om mij te beschermen, houdt zij vol. Ik heb haar duidelijk verboden Rigoletto of zijn kat dwars te zitten. Maar Ira is koppig. (Als zelfs zijn hond in opstand komt, is het voor een baas de hoogste tijd om zich grondig te bezinnen!) Liefst zag zij Rigoletto plus zijn hele hofhouding overgebracht naar de Zwarte Schepen. Ik acht haar in staat om zelf dat reisje te organiseren. Maar al had zij gelijk, toch zal ik haar plannetje dwarsbomen. Als begrijpelijke voorstander van open grenzen kan ik toch moeilijk illegalen laten uitwijzen! Zij overdrijft. Honden huilen wel meer naar de volle maan. Ira: af!

     

    Moeilijkheden. In de smalle gang tussen droom en dag sluipt een roofdier rond. Aan het gegrom te oordelen, een katachtige. Voor mijn ontwaken, juist bij mijn droomdeur, brult een opengesperde muil mij tegen. Een gewone nachtmerrie. Zou niet mogen met mijn ervaring. Zelfs nu ik wakker ben, zindert de stem van Ira nog na. ‘Stumper’ hoor ik duidelijk. Vrijpostigheid die meteen naar de achtergrond wijkt door een akelige ontdekking: mijn droomdeur werd met kennis van zaken misbruikt. Gelukkig in beide richtingen. Op de vloer zitten enorme slijksporen van een katachtige. En ook schoensporen van een kind, of van een dwerg. Mank.
         Staat mij helemaal niet aan.
         Feh’Lien is ondoorgrondelijker dan ooit.

     

    Ik herken Rigoletto niet meer. Hij triomfeert uitdagend, en gebruikt hetzelfde scheldwoord als Ira: ‘Stumper’!
         Hij is gemener dan ooit. Smeriger. Duidelijk iemand die zijn bruggen verbrandt. Vrienden worden de gevaarlijkste vijanden.
         ‘Waar is je kat?’ vraag ik nogal suf.
         ‘Reeds op weg, stuk onbenul. Vaarwel, simpele ziel,’ sneert hij nog. En hij verdwijnt, richting daglicht. ‘Om het eerst bij jouw deur,’ hoor ik hem nog krijsen.
         ‘Alarm!’ gil ik. ‘Alle hens aan dek! Zo snel mogelijk dit zinkend schip verlaten!’
         ‘Geloof je mij nu?’ mompelt Ira. ‘Kom, wij kunnen hem nog inhalen.’
         Trouw meisje. In momenten van paniek houdt meestal een vrouw het hoofd koel.
         Er vormt zich een bange stoet. Nachtvrienden dragen mijn laatste pronkstukken naar het dagleven. Ook Ira graait juwelen samen. Veel te zwaar beladen zet zij de achtervolging in. Ik zwijmel haar na op lemen voeten, dra goud en edelstenen weggooiend. Ira grijpt mijn hand, en sleept mij vooruit. In de verste verte danst de dwerg, licht als een pluimpje. Maar er is ook, heel even, de diepe keelklank van een monster.
         Ik bezweer Ira beneden te blijven, in de nachtstad die tot haar wereld hoort. Daar heeft zij betrekkelijk weinig te vrezen. In het daglicht daarentegen... Tot aan de deur, stemt zij toe.
         De dode Rigoletto maakt slechts kans als zijn verdorven geest een slapend lichaam vindt om te bewonen. Het mijne. Hij gaat in mijn lichaam duiken als een mes in een wonde.
         Juist hier wordt de gang veel enger. ‘Gevaar,’ kwettert een eksterkop, ‘keer terug!’ De overgebleven monstertjes doen zeer opgewonden. Zij willen iets kwijt. Zij bijten zich stevig vast aan mijn broekspijpen. Als zij niet loslaten, zal het daglicht hen doden.
         De gevaarlijke duivel huppelt gretig op mijn deur af. Zijn grote kat is het huis reeds binnen. Die kent de weg.
         De dwerg staat bij het deurgat als Ira vooruitspringt, recht het voor haar dodelijk daglicht binnen. Haar lijk verspert hem de doortocht.
         ‘Nee,’ brul ik. Te laat. Rigoletto ontsnapt vloekend langs een onverlichte zijgang terug de nachtwereld in. Het moedig meisje heeft mij gered. Maar tegen welke prijs... Het einde van mijn onzalige droom nadert. Noodgedwongen schuif ik binnen, en gooi achter mij de droomdeur toe. Al kan die de rotte ziel van een dode niet lang tegenhouden. Vertwijfeld zink ik in mijn lichaam. Bonzend hart. Klamme handen. Groot verdriet om Ira. Bovenal, vrees. Paniek. De gruwel die mij boven het hoofd groeit. Doodsangst. Een voor mij nieuw gevoel.

     

    Roerloos in bed, bang de ogen te openen, bang voor wat ik vermoed, links van mij, dicht bij de lijkendeur: het stoffelijk overschot van een trots droomfiguur. Een onirische mummie, rechtopstaand - een levensgrote etalagepop, uitgedost als een prinses en overladen met juwelen. Gestold in haar laatste levensmoment. Een vrouwelijke golem die mij nooit meer zal dienen.
         Ik durf niet te kijken.
         Ira kennend, weet ik dat haar beeld koninklijk en uitdagend is.
         Bevroren in aanvalshouding, met handen als verstarde vogelspinnen. De halfopen mond versteend rond haar laatste woord: mijn naam. Zo stapte zij uit de droom. Pathetisch. Want de stakkerd heeft mij gered! Ik hoor, van heel ver, de stem van Magritte troostend fluisteren: ‘Dit is geen beeld.’ Weet ik, dode vriend.
         Ben ik wel wakker? Achter de deur wordt veelstemmig gejammerd.
         Ik gluur voorzichtig door de kamer, en merk Feh’Lien, oog in oog met het ontroerend lijk. Zij is genaderd met een blik die ik niet herken. Zo bekijkt een faraorat een pas genekte slang. Zo bekijkt een vrouw haar overwonnen rivale. Met gevoelens, een roofdier waardig.
         De feliene woede van een tijgerin barst los, onnodig wreed, zoals katachtigen nu eenmaal zijn. Feh’Lien overstelpt mijn dood droomfiguur met verwensingen. Zij vindt de juiste woorden niet, en schakelt over naar haar eigen, miauwend dialect. Dan merkt zij, over de grond verspreid, enkele grote edelstenen ontsnapt aan Ira’s handen. Veelkleurige stukjes regenboog, perfect geslepen. Als een laatste gift, mij toegeworpen van zeer diep. Onvergankelijk mooi, als de schenkster zelf. Versteende tranen van de nacht.
         Feh’Liens uitval stokt. Nu glimlacht zij, bukt zich en raapt de kleinoden op. Nooit was zij zo vrouwelijk.

     

    Ik heb niet echt van Ira gehouden. Helaas. Ik heb mij wel erg vergist.

     

    Voor geen geld verlaat ik dit bed. Het huis is vol schaduwen. Nooit vond ik de dure Victoriaanse neogotiek die mij omringt zo griezelig. Het huis is stil. Op het gekraak in zwarte lambriseringen na. En, ergens in dit overgroot gebouw, de stem van Feh’Lien die zingt. Een eentonige melodie uit haar land van herkomst. Bedwelmende rimboemuziek, verlammend als een duivelaanroeping.
         Ik durf niet te luisteren.
         Monotone, rustgevende, slaapwekkende muziek. Het gregoriaans van heidenen.
         Ik durf niet slapen. Nooit meer. Slapen betekent dromen, en dit lichaam verlaten. Daar wacht Rigoletto op. De bittere geest die door Feh’Lien opgeroepen wordt. Rigoletto waart rond in mijn huis. Ik zie hem niet, maar hij ziet mij. En wacht tot ik indommel. om dan als een havik in zijn prooi te duiken.
         Slaap, zuster van de dood. Slapers vermoeden hun risico’s niet. Hun lichaam is weerloos als een onbewoond pand, als een lege handschoen waarin een vreemde hand kan dringen. Het lichaam van elke slaper is een virtueel lijk. ‘Dormir, c’est mourir un peu...’ Zeker in een huis waar een dode loert als een krokodil. In een huis waar ik niet langer thuis ben.
         Eentonig psalmodieert de stem van Feh’Lien... Zuivere opium. Ik luister.

     

    Korte droom. (Kon ik anders dan slapen?)
         Ik droom van een reusachtige kat die iets kleins, iets rottends overgesmokkeld heeft uit de nachtwereld. De ziel van een oude man. Ik heb mijn lichaam verlaten. Jammer dat ik het niet kon vernietigen...

     

    Het bed is leeg! Hoe kan ik ontwaken zonder lijf? Ik ben een schim. Een schim die ziet en voelt. Brutaal komt de genadeslag. Mijn dromende geest wendt zich af van het bed, en ik zie, zonder ogen zie ik, rechtop in het midden van de kamer, ‘mijn’ lichaam staan naast Feh’Lien. Hand in hand. Overwinnaars.
         Niet de verrassing is mij te groot. Wel de verkillende gruwel als de mond die de mijne was zich plooit tot een Etruskische glimlach, terwijl ik niet lach! Eender welk masker van ontbinding en dood kan ik verdragen. Niet ‘mijn’ aangezicht dat tevredenheid uitstraalt, terwijl ik met open mond verstar in opperst afgrijzen. Ik hoor mijn stem grinniken, maar ik zeg niets... Weg van hier! De deur valt dicht achter mij, voor de laatste maal. Als een grafsteen. Met de weergalm van een grot.
         Ik hoor dat de droomdeur verwijderd wordt. De piramide wordt verzegeld, Het verticaal arduinen vlak in de nachtgang is een lijksteen die, uitgebeiteld, slechts één naam vermeldt: de mijne.
         Ik ben gestorven.

     

    En nu?
         Nu zwerf ik door Bubastis. Mijn nachthuis is verbeurd verklaard. Katten glimlachen waar ik voorbijkom, en spitsen de oren. Ik heb plots geen vrienden meer. (Doden zijn praktisch.) Ik ben de vreemdeling geworden. De andere. Nu ik arm ben, ontsier ik het straatbeeld. Voor illegalen als ik worden de Zwarte Schepen ‘een goede oplossing’ genoemd.
         Schuilen kan.
         Er is de eenzaamheid van krotten die veel te vochtig zijn voor katten, barakken vol zwam en houtrot, gebouwd op staketsels bij en in de stroom. Daar komen geen nieuwsgierigen.
         Ik denk niet dat ik ooit, het alleenzijn beu, bleke mausolea zal opzoeken in de betere wijken. Om er de discrete gastvrijheid te aanvaarden van glibberige lijken die slapen in roze sarcofagen met overvloedige binnenversiering...
         Eerder nog ga ik leven in een of andere cenotaaf op het kerkhof van Bubastis. Een plaats van diepe wanhoop en ultieme verlatenheid. Want geen dode denkt eraan zijn doden te begraven.
         Wie onderduikt om niet naar de Zwarte Schepen te hoeven, kan elke gruwel aan. Eén zaak slechts spijt mij: ooit heb ik, bij leven, een vrouw niet naar waarde geschat. Zo komt het dat in de bovenwereld, links naast een hemelbed, nu een levensgrote pop staat, een droomprinses gelijk.
         In dat bed slaapt een lichaam dat ik maar al te goed ken een onnatuurlijke slaap zonder dromen. Een loden slaap die zorgvuldig afgeschermd wordt door kruiden en medicijnen. Want voor niets ter wereld zou de huidige bewoner van dat omhulsel het aandurven om hier beneden in het nachtelijk Bubastis te komen dromen.
         Omdat ik hier geduldig wacht.
         Ooit zullen zijn kunstmatige chemicaliën hun uitwerking missen, en zal hij dromen. Ooit zal de geest die ik Rigoletto noem mij als een bange wezel in de klauwen vallen.
         En dan, o Rigoletto, dan begeleid ik je persoonlijk naar de Zwarte Schepen. Graag riskeer ik daarvoor mijn zielenheil. Het lichaam dat wij beiden bewoond hebben kan geen lijkschouwer verbazen, boven. ‘Vredig tijdens de slaap overleden’, zal je overlijdensakte vermelden. Een wat late wiegendood...
         Binnenkort, doodsoorzaak nummer één!

     

     

    (c) 2007 Verschijnsel en Mark J. Ruyffelaert. Herdruk en verdere verspreiding verboden

 


Terug

Contacteer Verschijnsel

(c) 2010 Verschijnsel vzw en de diverse auteurs

illustratie Verschijnsel-toren (c) 2008 Tais Teng