verhaal: Plasmadromen

 

lees het volledige titelverhaal uit

 

      Plasmadromen

      door Paul van Leeuwenkamp

 

 

 Plasmadromen

 

 

     

     

    Strijd met de zwervers

     

    Het was druk in het café. Het merendeel van de bezoekers zat aan tafeltjes, sommigen stonden met een glas in de hand en leunden tegen de muur. Iedereen was met iedereen in gesprek. Behalve de baby’s en kleine kinderen. Die lagen onder de tafeltjes te slapen, met rubbernylon vastgeketend aan hun ouders. En de mannen en vrouwen aan de toog zwegen natuurlijk ook. Die staarden onafgebroken in de spiegel achter de bar, terwijl de barkeeper hun infusen controleerde en geregeld bijvulde. Soms stond er iemand van hen op om plaats te maken voor een ander, maar ook daarbij werd geen woord gewisseld. De rituelen waren bekend en de rangorde in de groep was duidelijk.
         Er klonk een monotone muziek van synthesizers en elektro-drums, die door de luidsprekers soms werd vertekend tot metalig gerasp. Het folie op de muren weerspiegelde het interieur van het café en vertekende het als een lachspiegel. Afzonderlijke groepen werden samengevoegd, grote kerels ineengedrongen en kinderen uitgerekt. De kleine ramen van het café waren van spiegelglas en toonden af en toe het gehelmde hoofd van een bewaker. Verder was de schemer buiten slechts een onbeweeglijke leegte.
         Johin had zich achter het puin bij de zwervers aangesloten en was met hen naar de rand van het asfalt getrokken, waar het café zich bevond. Tijdens de tocht waren ze hem gaan waarderen en vertrouwen, en nu was hij één van hen. Niemand rekende er dan ook op dat hij een barkruk pakte en die door de spiegel achter de bar keilde.
         Het glas waarin de staarders zich hadden teruggetrokken om hun biosfeer te versterken, brak en kletterde met een oorverdovend geraas omlaag. Het vulde Johin met een overweldigend gevoel van macht. De alomvattende herrie, de bizarre flikkering van de gekleurde lampen in de talloze stukjes glas. Een psychedelisch vuurwerk in zijn hoofd. Toch vergat hij niet de steen uit zijn broekzak te halen en die door één van de ramen te smijten.
         De zwervers slaakten een kreet van wanhoop. Iedereen behalve de staarders, die op het fatale moment opgesloten waren in de spiegel. Hun lichamen leunden nog steeds tegen de toog. Zielloze stukjes protoplasma. Lege omhulsels nu hun ziel in scherven uiteen was gevallen. Enkele zwervers wierpen zich op Johin en smeten hem tegen de grond. Maar het was al te laat. Buiten klonken schoten, overslaande stemmen smoorden in gerochel.
         De uitsmijter rende naar het gebroken raam, zich bewust van zijn verantwoordelijkheid, en probeerde de bres met zijn lichaam af te dekken. Tevergeefs natuurlijk. Het spiegelende metaal van zijn harnas vonkte in een regen van kleur toen het plasma langs hem heen stroomde en het café in bezit nam. De zwervers vielen stuiptrekkend tegen de grond. Om zich heen schoppend en slaand. Vechtend met de onzichtbare vijand. Een enkeling kroop weg onder een tafel, maar ook voor hem was er geen ontsnapping.
         Toen was er plotseling stilte en voelde alles weer aan zoals het hoorde. Sereen. In organisch evenwicht. De lichamen van de zwervers lichtten op en vervaagden langzaam, tot alleen hun dode hulpmiddelen over waren. Kleren, wapens, prothesen.
         Johin liet zich in zijn grondvorm terugvallen. Hij deed zijn plots slobberende kleren uit en wierp ze van zich af, spreidde zijn armen en vergrootte zich tot een ijle gestalte. Tot ver buiten zijn directe omgeving omarmde hij de wereld. De puinhopen achter het café rezen hoog de lucht in, maar hun sombere dreiging was verdwenen. Ze overheersten Johin niet langer, maar lieten zich moeiteloos door hem bezielen. Hun grauwheid gloeide langzaam op in de meest uiteenlopende kleuren groen, die diep vanuit de ruïnes leken te stralen.
         Op de vlakte - die zich vanaf de ruïnes tot aan de horizon uitstrekte - transformeerde het overwinnende leger zich tot speelse, in de verstilde lucht schitterende vormen. Reusachtige dieren, geometrische vlakken, soms alleen maar geur en kleur. Het zand begon te fonkelen als miljoenen diamanten. De glooiingen in het landschap verhieven zich en werden doorzichtig, als waren zij een soort landkwallen; complexe en zelfbewuste organismen die oprezen uit de oerzee waarin mogelijkheden verstoppertje speelden met de materie. Het feest van de overwinning.
         Natuurlijk stortte ook Johin zich in het feestgedruis. Hij liet zich mee omhoog sleuren door een geestelijke wind, werd een handvol dwarrelende bloedlichaampjes die door het hart van de festiviteiten werd gezogen. Snelheid, warmte, kleur. Tot hij uiteindelijk werd teruggetrokken naar de spelamoebe, die de levenskracht van de spelers liet uitkristalliseren in de realiteit van een plasmadroom.
         Met een luide ‘plop’ sprong de amoebe open. Nog even bleef Johin roerloos liggen, glanzend van het cytoplasma. Toen hapte hij heftig naar lucht en kwam zijn ademhaling op gang. Het plasma verdichtte zich en vulde hem weer met zelfstandig leven. Het versterkte zijn huid en beperkte daarmee zijn vermogen tot transformatie. Als gewoonlijk vulde het Johin met een kil gevoel. Een poolwind die zijn vloeibare wezen bevroor tot een vastomlijnd organisme. Het plasma hielp hem daarbij. De alom aanwezige bio-elektriciteit stimuleerde zijn genotcentra en vulde zijn huid met een intense gloed. Hij kreeg een langdurige erectie, om daarna voldaan de oude denkpatronen uit zijn ego tevoorschijn te halen en weer écht Johin te worden. Hij stond op, wankelde even en stapte toen uitgeput in een cabine van glad en doorzichtig spierweefsel.
         De cabine omhulde hem als een baarmoeder. Reinigende sappen druppelden op hem neer, de contracties van het spierweefsel masseerden zijn lichaam. Hij werd opgetild en via een hoge boog naar een van de uitgangen gebracht, waarbij de mechanische onderdelen van het apparaat een zoemend geluid maakten.
         Johin liet het zich allemaal overkomen, afwezig starend naar de ver verwijderde tribunes. Daar bevond zich de dicht opeen gepakte menigte, toekijkend en meespelend in de dromen van de dromers, die rij na rij op het kilometers grote speelveld lagen.
         De bio-energie van het humanoïde denken, geleid door het plasma en geconcentreerd met behulp van de spelamoeben, creëerde het machtige krachtveld waarin bijna alles mogelijk was. Waarin concrete dromen ontstonden. En die dromen vormden de decors van het spel waaraan iedereen, als dromer of toeschouwer, deelnam. Een toeschouwer keek daarbij niet passief toe; binnen de marges die de dromer hem toestond, speelde hij een eigen rol, als een figurant in een ouderwetse film.
         Johin was een dromer. Hij nam bij toerbeurt plaats op het speelveld en droomde dan zo goed en zo spannend mogelijk. Hoe beter hij droomde, des te meer toeschouwers zich bij hem aansloten en des te sterker zijn bio-elektrisch veld werd. En dan kon hij zijn dromen nog grootser maken en daarmee nog meer toeschouwers naar zich toe lokken. Een trage spiraal naar steeds grotere populariteit, bepaald door het aantal toeschouwers en vertaald in de positie van een dromer op de ranglijst.
         Boven een van de tunnels aan de rand van het speelveld werd Johin losgelaten. Hij tuimelde een stukje omlaag, gleed dieper het stadion in en plonsde neer in een warm bubbelbad. Visjes krioelden om hem heen en hapten de achtergebleven cytoplasmakristallen van zijn lichaam weg. Kriebelende tongetjes likten hem verder schoon. Niet lang daarna verliet hij het bad en begaf zich opgefrist naar zijn kamer.
         Johins kamer bevond zich hoog in het stadion. Een ruimte van vier bij vier, met slechts een stoel, een tafeltje en een kast met wat oude, nauwelijks gebruikte spullen. Eén muur werd geheel in beslag genomen door het plasmascherm, op de andere hingen een paar verwaarloosde Dali’s. Er was geen raam, maar alles werd goed verlicht door een zachtwit schijnsel, dat uit zowel het plafond als de vloer straalde.
         Het was duidelijk dat de kamer maar weinig werd gebruikt. Net als de andere bewoners van het stadion leefde Johin het grootste deel van zijn tijd in de plasmadromen of zocht hij lichamelijke en geestelijke genoegens in de recreatiezalen. Alleen wanneer hij behoefte had aan afzondering, een zeldzaam en nooit langdurig gevoel, trok hij zich terug tussen zijn eigen spulletjes. Om zomaar wat voor zich uit te staren of wat door de frequenties van het plasmascherm te zwerven. Veel meer nut had de kamer niet. Slaap, als de optelsom van lichamelijke rust en dromen, vond men op de tribunes of op het speelveld. En veel behoefte aan persoonlijke bezittingen hadden de stadionbewoners ook niet, aangezien zij bijna geheel gericht waren op hun eigen organisme.
         Johin ging in de stoel zitten, stemde zich af op het plasmascherm en koos de wedstrijdverslagen. Zijn droom werd in enthousiaste beelden breed uitgemeten en hij genoot er van alsof hij de gebeurtenissen voor het eerst meemaakte. Daarna bladerde hij verder naar de standen en zag dat hij de top tien had bereikt. Trots verliet hij even later zijn kamer, op weg naar het bruisende leven in het stadion.

     

     

     

    De wereld van het plasma

     

    Meteen toen Johin de wandelpromenade betrad, omhulde hem de vertrouwde drukte. In het perfect gedoseerde licht, uitgestraald door een flinterdunne laag alg op de plafonds en muren, liepen mannen en vrouwen te praten en te lachen, zoekend naar epidermale genoegens of neurale koppelingen. Allen waren zij naakt en ze toonden de plasmatische vrijheden die de mens bezat: hun lichamen varieerden van heel groot tot heel klein, bezaten de meest bizarre verhoudingen en vertoonden allerlei uitstulpingen. Iemand met een borst bedekt met voortdurend bewegende dierengezichten liep grauwend, likkend en mekkerend voorbij. Een ander had schouders vol gele en rode rozen. In een van de nissen lag een groepje eters elkaar te consumeren, een organisch proces van geven en nemen. Ook de orgaanbanken die langs de muren stonden, waren volop in gebruik. Men lag er te filosoferen, te neuken of gewoon wat voor zich uit te staren, de organen gestimuleerd door plasmadraden die vanuit de banken in de lichamen waren gedrongen. Bij twee vrijende halfslachtigen stonden enkele embryo’s kwetterend om een zwangerschap te smeken.
         Johin had zijn grondvorm slechts luchtig verfraaid. Fel gekleurde geometrische patronen kropen over zijn bleke huid en een handvol extra ogen en monden waren over zijn lichaam verspreid. Blond haar viel golvend tot op zijn schouders, in zijn vlakke gezicht bewogen felblauwe ogen onrustig heen en weer. Boven zijn hoofd dartelden de pastelkleurige gedachten die hij bloot wilde geven, als waren zij zelfstandige wezens. Ondanks al deze opsmuk was het duidelijk dat Johin een man was. Of misschien een jongen. Leeftijden waren binnen het plasma immers zonder betekenis en de lichamen waren tijdloos, welke vorm ze ook kregen. Zelfs verval en aftakeling waren een cyclisch spel van het vlees.
         Druk met zijn lampjes knipperend drong een cyborg zich door de drukte, nagezeten door enkele joelende pseudokinderen. Johin voelde weerzin en dat activeerde zijn biopsychische mechanismen, maar het gevoel was te sterk en zijn denkbanen konden het niet volledig afvoeren. Zijn opgewekte stemming verdween en maakte plaats voor wrevel. De cyborg en de kinderen maakten de fixatie zo evident! Iedereen zat vast in zijn membranen, dat was nu eenmaal zo. Maar leeftijdfixatie en mechanische hulpmiddelen maakten dat tot doel, legden zich neer bij de beperkingen van het bestaan.
         Johin dwaalde een zijgang in waar het rustiger was. Hij kwam bij een lift en stapte naar binnen. Misschien als verzet tegen zijn neerslachtige stemming. In ieder geval betreurde hij zijn impulsiviteit al snel, want de sociale unit van de lift bleek nog steeds operationeel en zodra de liftdeuren dicht waren, begon de lift een opgefokt gesprek.
         ‘We hebben de ruimte helemaal aan ons zelf, schatje,’ klonk het mechanische stemgeluid opgejaagd. ‘Zullen we een paar keer snel op en neer gaan? Of blijf je liever een beetje hangen? Kunnen we elkaar beter leren kennen!’ Uit een van de wanden stulpte de voorkant van een mannenlichaam naar voren, compleet met opgeheven lid, gespreide armen en smakkende mond. Alles natuurlijk van kunststof.
         Op dat moment besloot Johin de oude weer eens te bezoeken en de blasfemie negerend beval hij de lift naar de begane grond te gaan.
         Het oude ontspanningskwartier lag er verlaten bij. In de beginfase van de biologische revolutie was het een overvol grensgebied geweest, waar supporters en buitenstaanders zich vermengden. Het was de belangrijkste bron van inkomsten voor de voetbalclubs, die zich hadden ontwikkeld tot multidisciplinaire bedrijven. Maar toen kwam het plasma, de échte biologische revolutie. De massa in een stadion integreerde tot een gestalt en veranderde het stadion in een biologisch organisme. Volledig selfsupporting, met veel meer mogelijkheden dan de buitenwereld ooit kon bieden. Een volgende fase in de evolutie van de mens, waarin de massa’s zich nog verder verdichtten rond de speelvelden, op de tribunes en de delen van het stadion die daar direct aan grensden.
         Johin kende de weg en volgde de kronkelende gangen zonder moeite. De lichtgevende laag alg op de muren verdunde tot een vage gloed. Er vielen gaten in, tot alleen het kale beton overbleef. Ouderwetse TL-buizen namen de taak van het lichtgevende alg over en er verschenen posters op de muren die dingen aanprezen die Johin niet kende en die hij ook niet begreep. Films, elektronische apparatuur, tijdschriften en auto’s.
         Bij het casino ijsbeerde de bewaker schokkerig heen en weer. Zodra hij Johin zag werden zijn bewegingen echter meer gecoördineerd. Hij probeerde Johin de pas af te snijden, druk met zijn tentakels zwaaiend.
         ‘Succes verzekerd meneer! En alle consumpties zijn gratis.’
         Maar natuurlijk liep Johin gewoon verder.
         ‘Ook de vrouwen zijn gratis mijnheer,’ ging de bewaker verder. Heftiger nu. ‘En de snacks. O ja, het geld natuurlijk ook. En als u de croupier lief aankijkt, draait hij precies het nummer waarop u heeft ingezet. Het wordt de tijd van uw leven. Een stropdas is niet eens vereist!’
         De inspanning werd de bewaker teveel. Eén van zijn roestige onderdelen begaf het en met een krakend geluid kwam de robot tot stilstand. Om de groeiende afstand met Johin te overbruggen schroefde hij zijn stemvolume verder op. Een schel, steeds minder gearticuleerd betoog weerkaatste tegen de wanden van de gang, tot ook dat stokte in een fel ‘ief ief ief’.
        
    Johin sloeg de hoek om en kwam in een rode gang. Honderden meters strekten etalages zich uit, ieder met zijn eigen patroon van rode lampjes. In de eerste etalages was niets te zien omdat een dikke laag maden het glas bedekte, maar halverwege de gang beperkten de maden zich nog slechts tot de karbonadevrouwtjes, om vervolgens geheel afwezig te blijven. Ook de toestand van de vrouwtjes werd steeds beter. Aanvankelijk lagen ze bewegingloos op hun rug, hun vlees verkleurd door het bederf, maar tegen het einde van de gang waren ze nog helemaal in orde: ze spreidden hun benen, streelden met felrood gelakte nagels langs hun schaamlippen of tepels, likten hun lippen glanzend. Met lege koeienogen keken ze Johin smachtend aan en sommigen kreunden zelfs.
         Op het eind van de gang bleef Johin verrast staan. Het deurtje van de laatste etalage stond open en de etalage zelf was leeg. Het karbonadevrouwtje was verdwenen, zonder zelfs maar een klein stukje vlees achter te laten. Vreemd. Konden karbonadevrouwtjes lopen? Johin keek zoekend om zich heen, haalde toen zijn schouders op en liep verder naar de uitgang van het stadion.
         Hij was natuurlijk al vaker buiten geweest, maar opnieuw zag hij op tegen de onvoorspelbare luchtbewegingen en het ongedimde buitenlicht. Tegen de verlatenheid, die zijn afstand tot het plasma zo zichtbaar zou maken. Hij bleef aarzelend staan, verhoogde toen het melaninegehalte in zijn huid en verdikte zijn onderhuidse vetweefsels. Zijn verschijning kreeg het ongezonde voorkomen van een zwerver. Zorgvuldig creëerde hij enkele denkbanen, om de onrust die hem buiten voortdurend zou hinderen af te voeren. Het onbehaaglijke gevoel neutraliseerde hij door een genotscentrum licht te stimuleren. Toen opende hij de buitendeur, die aan de zijkant van een grote gesloten poort zat, en stapte vastberaden naar buiten.

     

    Buiten het stadion was het een grote chaos. Bier- en patatkramen waren door regen en wind verweerd en vervolgens in stukken geblazen. Overal slingerden grauwe lappen doek en platen hardboard. Bierblikjes rolden luidruchtig heen en weer, glasscherven rinkelden zacht, dunne plastic bekertjes stuiterden tegen de hekken, die honderden meters van het stadion verwijderd stonden. Het asfalt was gescheurd en in elke barst had onkruid zich vastgehecht. Sommige planten kropen zelfs tegen de hoog oprijzende buitenmuur van het stadion op, alsof ze niet alleen het mechanisch materialisme van de ouden wilden verwoesten, maar zich zelfs tegen het plasma keerden.
         Zijn angstige gevoelens geneutraliseerd, gaf het buiten Johin een opgewonden gevoel. Het kriskras door elkaar groeien van de planten. De droge lucht, die onbeheerst zijn eigen gang ging en allerlei verontreiniging met zich mee voerde. Alles bewoog met onbeschaamde willekeur door elkaar. Het zand en de zaden. Brutale ratten en katten. Krijsende vogels. Er slingerden zelfs dode organismen rond, of delen daarvan. Bladeren, stukken vacht, een stinkende hondepoot waaraan grote zwarte vogels zich tegoed deden. Enkele witte wolkjes bewogen traag door de verder egaal blauwe lucht.
         Johin had het stadion in het zuiden verlaten en begon in westelijke richting te lopen. Hij moest nog een behoorlijk eind en zette er stevig de pas in, maar naarmate hij vorderde, werd zijn tempo lager. Hij raakte weer gewend aan het buiten, alsof hij er langzaam in werd opgenomen. Of misschien verloor Johins verbondenheid met het plasma iets van zijn intensiteit. Een gedachte die hem beangstigde. Hij stimuleerde het genotscentrum wat meer en verhoogde zijn looptempo. Zo liep hij verder, balancerend op de draad van zijn zorgvuldig beheerste gemoedsgesteldheid. Tot hij plotseling een geluid hoorde.
         Van achter een berg kratten, slordig tegen de muur van het stadion opgestapeld, klonk een lijzig zingen. Johin liep er heen en duwde een paar kratten weg. Ze vielen met een oorverdovend gekletter en gerinkel omlaag. Daarna leek het doodstil. Vervolgens liep Johin behoedzaam om de kratten heen en zag toen een vrouw tegen de buitenmuur van het stadion zitten. Ze was duidelijk totaal uitgeput. Haar hulpeloze ogen keken vragend, haar borsten fluctueerden van groot naar klein, van rond naar spits, om tenslotte vermoeid in volle zwaarte omlaag te blijven hangen. Met haar vrije hand streek ze nerveus door haar zwarte haren, in een tevergeefse poging een hautaine, zelfbewuste houding aan te nemen. Het karbonadevrouwtje dat uit de etalage was ontsnapt.
         Johin draaide zich om en begon weg te lopen.
         ‘Hé oetlul! Je laat me hier toch zeker niet liggen!’
         De kreet klonk verbazend krachtig en zelfbewust. Johin schrok er een beetje van. Aarzelend bleef hij staan, liep toen terug en ging tegenover het vrouwtje zitten. Zwijgend staarden ze elkaar aan. Johin wist niet wat hij moest zeggen en het vrouwtje was niet geprogrammeerd om het initiatief te nemen. Door haar uitputting waren zelfs haar normale communicatiemiddelen geblokkeerd: het lonken, likken van lippen of spreiden van benen, het bleef allemaal achterwegen.
         ‘Hoe kom je hier?’ vroeg Johin uiteindelijk.
         Ze draaide zich wat van hem af, waarbij de randen van haar rugplaten zichtbaar werden. Door de ondervoeding staken ze scherp door haar huid heen.
         ‘Lopend natuurlijk,’ antwoordde ze gesmoord.
         ‘Ik wist niet...’
         ‘Nee, je wist niet dat we kunnen lopen!’ De woede in de opmerking werd op geen enkele wijze door haar lichaam tot uitdrukking gebracht. Nog altijd waren haar ogen passief en afwachtend, eerder uitnodigend dan afwerend.
         ‘Je bent natuurlijk zo’n macho die ons karbonadevrouwtjes noemt. Een stuk vlees dat door de biogenetische ingenieurs is ontworpen en daarna opgekweekt in de genentanks. Alleen om te consumeren. Slechts een kut met borsten en met een rug van dikke eeltplaten tegen het doorliggen. Zachte huid en opwindende lichaamssappen, zonder echte botten. En zonder hart of hersens.’
         De uitbarsting van het vrouwtje was louter verbaal geweest en het contrast met haar uitnodigende pose verwarde Johin. Hij voelde zich op een irrationele manier betrapt. Alsof de kratjes om hem heen plotseling verwijten begonnen te maken. Natuurlijk was ze een karbonadevrouwtje!
         ‘Ik ben een levend wezen,’ sprak het vrouwtje verder. ‘Je kunt me hier niet laten liggen.’
         Johin staarde naar de grond en dacht terug aan zijn laatste droom. Aan de anorganische puinhopen van het buiten en aan de zwervers. De voortdurende angst die achter al hun handelingen aanwezig was. Nee, hij kon het vrouwtje niet achterlaten. Dan zou hij haar veroordelen tot het bestaan dat hij in de droom had bestreden. En dus stond hij op, liep naar het vrouwtje en pakte haar onder een arm. Ze liet zich omhoog trekken en sloeg haar arm om Johins nek. Zo begonnen ze te lopen, en daarbij leek het Johin of de chaos van het buiten plotseling afwezig was. Overheerst werd door de kleffe warmte van het vrouwtje. Een van haar borsten hing zwaar tegen zijn hand, een gewicht van dood vlees dat zijn eigen levende cellen leek te verstikken.
         ‘Kun je je rechterborst inhouden?’ vroeg Johin na een paar honderd meter.
         Het vrouwtje verkleinde haar borst, maar natuurlijk drukte haar vlees nog steeds tegen Johins arm en schouder. Automatisch probeerde zijn lichaam ook een vrouwelijke vorm aan te nemen, maar daarvoor was de intensiteit van het plasmaveld te gering. Op sommige stukken van zijn lichaam veranderde de beharing, zijn penis schrompelde wat in en even duwde een rechterborst zich vooruit. Toen viel hij terug in zijn mannelijke grondvorm.

     

     

    Kinderen van het stof

     

    Naarmate ze hun bestemming naderden veranderde de omgeving. De patat- en bierkramen waren niet langer verwaarloosd, maar in allerlei kleuren opgeschilderd. Steeds meer van de rommel was netjes in hoopjes opgestapeld. Voor één van de kramen was van oranje zeil een afdak gespannen, met daaronder een kleed waarop een lage tafel en een aantal strandstoelen stonden. Wat verderop was van kratten een woning gebouwd, compleet met ramen en gordijntjes. Maar pas toen de ingang in zicht kwam, toonden zich degenen die voor dat alles verantwoordelijk waren.
         Aanvankelijk waren zij slechts bewegingen in Johins ooghoeken, kort geritsel achter zijn rug, maar eenmaal gesterkt door hun aantal, gaven ze zich bloot en plotseling stonden ze overal. Naast een muurtje van kratten, tussen enkele geïmproviseerde tenten of zomaar op de verweerde asfaltvlakte. Sommigen zaten, etend of een rafelig shagje rokend, anderen stonden onbeweeglijk voor zich uit te staren. Maar ze waren allemaal oud en rimpelig en grijs, en allemaal keken ze naar Johin en het vrouwtje.
         Het staren zou dreigend zijn geweest als Johin het niet vaker had meegemaakt. Hij wist dat ze, ondanks de massieve wrok die zij uitstraalden, gevangen waren in hun eigen machteloosheid. Zeker nu het stadion weer naderbij kwam. Want ook al was het plasmaveld in deze uithoek maar zwak, het was toch sterk genoeg om Johins bio-elektrische vermogens weer te versterken. Transformatie en vergeestelijking waren in zekere mate weer mogelijk.
         Een van de ijzeren poorten van de ingang lag op de grond, de andere hing scheef in zijn scharnieren. Ook die ingang stond vol met ouderen, vanuit hun verblijven samengestroomd om de bezoekers te bekijken. In tegenstelling tot de bewoners van het plasma droegen de oudjes kleren. Een slobberende broek, blote borst en een stropdas om de nek. Een onderbroek, T-shirtje en laarzen. Er was een vrouw die uitsluitend een grote hoed droeg. Een kromgegroeide man met een stok droeg alleen maar een openhangende jas.
         Johin drong zich door de groep heen naar binnen. Hij negeerde de tastende handen, die natuurlijk vooral naar het vrouwtje gingen. En ook op het plotseling losgebarsten gekakel sloeg hij geen acht. Het was altijd hetzelfde. Alsof niet alleen de lichamen van de oudjes aftakelden door de onveranderlijke wetmatigheden van het schijnleven, maar ook hun geest.
         De gangen lagen vol oude troep. Stapels kleren, computerterminals, boeken, kweekbakken voor voedsel, enkele ongebruikte geraamtes. Alle oudjes die langzaam door de gangen sjokten, verstarden in hun bezigheden wanneer Johin en het vrouwtje voorbijkwamen. En altijd was er wel één die enkele schunnige opmerkingen maakte.
         Ze bereikten een pleintje. In het midden was een modderpoel, waarin enkele varkens lagen. Saucijsjes zonder poten, geheel afgestemd op hetgeen waarvoor ze waren bedoeld: het leveren van vlees. Net als de schapen, die aan touwen hoog boven de varkens hingen, geheel op het leveren van wol waren afgestemd. Johin liep er in een wijde boog omheen en bleef staan bij een nis, waar een deur op een kier stond.
           ‘Hé schatje... je doet toch wel... een beetje voorzichtig... met me,’ hijgde het vrouwtje toen Johin haar op de grond liet vallen. Maar Johin negeerde haar. Hij strekte zich en absorbeerde de zwakke uitstraling van het plasma, bonsde toen op de deur en duwde hem open.
         De oude stond te strijken. Hij pakte een overhemd van de stapel naast hem, legde die over de strijkplank, spuugde op het strijkijzer. Traag bewoog hij het gloeiende metaal over het overhemd, zo traag dat de schroeilucht die er al hing nog dikker werd. De achterkant, de voorpanden, de boord. In de lange mouwen had hij blijkbaar geen zin, want hij zette de strijkbout weer terug en gooide het overhemd, zonder het resultaat van zijn werk te bekijken, terug op de stapel. Vervolgens keerde hij zich naar Johin. Daarbij zwierde zijn lange grijze haar, dat in een slordige paardenstaart was samengebonden, naar achteren. In het zwarte gat van zijn mond glinsterde nog maar weinig wit. Johins blik gleed over de kippenborst, met daarop nog enkele plukjes grijs haar. Over de magere armen en benen. Losse plooien huid hingen over de heupen van de oude naar beneden, net als het kleine geslacht nog wat trillend van het omdraaien.
         ‘Je bent geen vrouw, Johin,’ sprak de oude man krakend. ‘Ook al vraag ik mij wel eens af of je een man bent.’
         In de gangen van de oudjes had Johins lichaam, onder invloed van het karbonadevrouwtje, toch nog een vrouwelijke vorm aangenomen. Johin constateerde het nuchter, zonder zich ontzet te voelen door de fixerende opmerking van de oude. De denkbanen die hij bij zijn vertrek had gecreëerd waren inmiddels dus volledig functioneel. Zonder het genotscentrum te stimuleren liet Johin zich terugvallen in zijn grondvorm. Zijn bio-elektrische krachten waren echter nog maar nauwelijks opgeladen en het proces verliep in moeizame schokjes. De oude wendde zich daarbij af en slofte de kamer uit, maar het karbonadevrouwtje, dat inmiddels de kamer was binnengekropen, volgde de transformatie gefascineerd.
         ‘Kun je mij dat ook leren?,’ vroeg ze nog voor Johins grondvorm tot rust was gekomen.
         Johin keek het vrouwtje minachtend aan. ‘Daar begrijp jij niets van,’ kon hij niet nalaten te zeggen, voordat hij de oude achterna liep naar de volgende kamer.
         De woning van de oude bestond uit zes in afmeting sterk verschillende kamers. Ze waren verbonden door boogvormige poortjes, als een klein doolhof. Wat ooit het doel van deze ruimten was geweest, wist Johin niet. De oude sprak altijd over
    het appartement, maar voor Johin was het eerder een opslagruimte van rommel. De kamer achter de voordeur was relatief leeg en leek een soort bijkeuken, de ruimte waar Johin nu binnenliep, was duidelijk de woonkamer. Planken en stenen, potten verf, televisietoestellen. Tegen een van de muren lagen hoge stapels boeken, ten dele aangetast door vocht en schimmel. De vloer bestond uit het oorspronkelijke kunststof waaruit ook de muren waren gemaakt. TL-buizen, achter roosters in het plafond verzonken, verlichtten de ruimte gelijkmatig.
         De oude had inmiddels een wijde broek aangetrokken. Hij lag op de bank en pulkte ongegeneerd uit zijn neus.
         ‘Wil je wat eten of drinken?’
         In principe vond Johin eten wel aangenaam. Soms bezocht hij de buffetten van de Eters en een enkele keer had hij zelfs meegedaan aan hun volumewedstrijden. Daarbij lag je in een ruime vijver en terwijl piranha’s je vlees wegvraten, moest je proberen op gewicht te blijven. Het eiste grote lichaamsbeheersing om de spijsvertering gelijke tred te laten houden met de vraatzuchtige vissen. Erg goed was Johin er trouwens niet in. Althans niet zo goed als de Eters zelf. Die bezaten de techniek om door te eten, zelfs wanneer ze hun opperhuid en veel van hun spier- en vetmassa’s kwijt waren.
         Hier was eten echter geen spelletje. Het was een biochemische noodzaak en de lichamelijke afhankelijkheid die daardoor werd geëtaleerd vond Johin beschamend. Ook omdat de geringe intensiteit van het plasma eten ook voor hem noodzakelijk maakte. Zeker na de inspanning van de transformatie, waaraan hij een zeurend gevoel in zijn lichaam had overgehouden. Zonder de denkbanen zou de vraag hem dan ook hebben doen kokhalzen, maar nu ging hij op de uitnodiging in.
         ‘Eh... Ja, geef maar wat. Met een glas grijs bier. Als je dat hebt.’
         De oude stond op en liep naar een ondiepe nis in de muur, rommelde daar wat en kwam even later aanzetten met een fles bier en bord met een of andere koude pasta. Johin schoof zijn weerzin opzij, paste zijn darmen aan bij het grove voedsel en activeerde een aangename smaak. Vervolgens begon hij stoïcijns te eten, ondertussen van onder zijn wenkbrauwen naar de oude starend. Wat deed hij hier eigenlijk?
         Plotseling boog de oude zich naar voren en staarde met opengevallen mond langs Johin heen. Die draaide zich om en zag het karbonadevrouwtje op handen en knieën de kamer binnenkruipen. Haar gezicht opgeheven, een orgiastische blik in haar ogen. Haar borsten schommelden met verharde tepels zachtjes heen en weer. De aanzet van haar billen vormde twee zachte glooiingen, die schokkerig bewogen. Het leek op een ouderwetse erotische film die op een verkeerde snelheid werd afgespeeld. Johin vermoedde dat in het vrouwtje geen expressies voor uitputting en wanhoop waren geprogrammeerd en dat ze daarom vertrouwde patronen hanteerde die daar het dichtste bij in de buurt kwamen.
         ‘Help me.’
         De oude liep naar het vrouwtje toe en pakte haar bij een arm. Johin volgde zijn voorbeeld en even later droegen ze het vrouwtje verder het appartement in, naar een rommelhok dat als slaapkamer dienst deed. Ze legden haar op bed - waarbij ze natuurlijk meteen op haar rug draaide en haar benen spreidde - en dekten haar toe met een deken.
         ‘Ze heeft rust nodig,’ zei de oude. ‘En daarna voedsel. Dat zal nog het moeilijkste zijn.’
         Afgedekt door de deken, alleen haar hoofd nog zichtbaar, leek het vrouwtje helemaal menselijk en de orgiastische vervoering, zo bespottelijk doelloos onder de omstandigheden, leek Johin een beschuldiging. Verward liep hij de kamer uit. Vol ongrijpbare gedachten zwierf hij door de kamers van het appartement, balancerend tussen mededogen en woede. Hij gaf een trap tegen een stapel huishoudelijke apparatuur en de vuilhappers, citruspersen, zelfkokende pannen en klusjesunits rolden ratelend over de vloer. Een zwart kasboek probeerde weer terug op zijn plaats te kruipen, maar zijn mechanisme stokte en het kwam al weer snel tot stilstand.
         De uitbarsting bracht Johin niet tot rust. Integendeel. De materialistische rommel om hem heen versterkte zijn plotselinge woede alleen maar en via de spullen richtte die zich op de oude. Wat moest die met al deze verstofte zooi!? Waarom kon hij niet zijn als iedereen en gewoon binnen het plasma leven, onafhankelijk van de dode stof.

     

     

    Uit de boeken

     

    Gedurende het ziekbed van het vrouwtje bleef Johin bij de oude logeren. Veel langer dan ooit eerder was voorgekomen. Misschien door het morele beroep dat de oude op hem deed: volgens hem zou het vrouwtje alleen maar overleven als Johin met haar copuleerde. Haar ontwerp was immers geheel gericht op lichamelijke dienstverlening aan mannen. Dat was haar levensvervulling. Daarom kroop de oude vaak bij haar in bed, maar hij bekende Johin dat hij haar niet kon geven wat ze nodig had. Misschien was geslachtsgemeenschap zelfs wel een biologische noodzaak, speculeerde de oude verder. Fungeerde mannelijk sperma in de stofwisseling van het vrouwtje als een soort vitamine.
         Steeds als de oude dat onderwerp ter sprake bracht, welde er een afkeer in Johin op die ook lichamelijk voelbaar was. Zijn denkbanen functioneerden echter steeds beter en zelfs op die aangrijpende momenten hield Johin zichzelf onder controle. Hij liep dan gewoon het appartement uit en zwierf een tijdje door de gangen, daarbij nauwelijks gestoord door de oudjes die daar rondscharrelden.
         Snel vond het dagelijkse leven een zekere regelmaat, waarvoor de eetgewoonten van de oude en het dagnachtritme van de TLbuizen de basis vormden. Het samenzijn met de oude beperkte zich tot de dagen. Soms hielp Johin de oude met het een of ander. In het algemeen waren dat dingen die hem volslagen zinloos voorkwamen, zoals het voederen van de dieren op het pleintje voor het appartement of het verplaatsen van een stapel bakstenen van de ene ruimte naar een andere, maar geleidelijk vond hij in die bezigheden een zekere rust. Ze bevrijdden hem van al de vragen die door zijn hoofd spookten, waarvan die waarom hij daar bleef wel de belangrijkste was. Bovendien doorbrak het hun vreemde samenzijn van staren en onafgemaakte zinnen. Pogingen tot conversatie die de onoverbrugbare kloof tussen hen alleen maar benadrukten.
         ‘Hoe voelt het plasma?’
         ‘Waarvoor dienen die oude planken?’
         ‘Heb je nog wel een eigen lichaam?’
         Vragen die geen antwoord kregen en die werden afgewisseld met onafgemaakte opmerkingen als ‘wanneer project Revival lukt...’ of ‘Het meisje gaat niet achteruit, maar...’.
         Gelukkig duurde het samenzijn met de oude nooit erg lang. Steeds opnieuw trok die zich weer terug in de slaapkamer om het vrouwtje te verzorgen. Na de stuitende suggesties in de eerste dagen vermeed de oude het zoveel mogelijk haar te noemen, maar natuurlijk was ze toch nadrukkelijk aanwezig. Het stoorde Johin echter steeds minder. Zijn denkbanen waren al zo lang in stand gehouden dat ze ongemerkt hun taak vervulden en de onlustgevoelens afvoerden voordat Johin ze zich bewust werd. En ook de rest van zijn lichaam - zijn zintuigen en darmen bijvoorbeeld - hadden zich zodanig aangepast aan de omstandigheden, dat Johin ze niet meer met mini-transformaties hoefde bij te sturen.
         Op een gegeven moment realiseerde Johin zich dat gewenning en de onuitgesproken smeekbede van de oude niet de enige oorzaken waren waardoor hij zijn vertrek steeds weer uitstelde. Ook op een dieper niveau had de situatie greep op hem gekregen. Hij was door de gebeurtenissen, die op zichzelf afstotend waren, gefascineerd geraakt. Alsof ze aangrepen op diep weggestopte gevoelens en drijfveren. Er was een obscene vitaliteit in hem gewekt, die dieper in het stadion ondenkbaar was. Juist door de dode rommel om hem heen en de machteloosheid die de omgeving uitstraalde. Het gaf hem een gevoel van macht. Macht over de oude en de andere bejaarden die hij in de gangen ontmoette. Macht over het karbonadevrouwtje.
         Op een avond negeerde de oude echter het gekreun van het vrouwtje. Hij was die dag ongewoon vrolijk en uitgelaten geweest, en meer dan anders probeerde hij tijdens de maaltijd een gesprek gaande te houden. Zonder al te veel succes overigens. Pas toen de borden aan de kant waren gezet, kwam hij tot rust. Hij nam een gerafelde sigaar en staarde zwijgend voor zich uit. Tot hij plotseling met de deur in huis viel.
         ‘Zou jij vanavond voor het meisje willen zorgen? Ik moet naar een bijeenkomst... Je blijft liever uit haar buurt, dat weet ik, maar zou je voor deze ene keer... Dat is toch niet teveel gevraagd?... Binnenkort ga je ongetwijfeld weer terug en de kans dat we elkaar daarna nog eens zien, wel, die wordt steeds kleiner. Het is misschien de laatste keer dat je iets voor je oude vader kunt doen.’
         Uiteindelijk was het woord dan toch gevallen. Vader. Al had Johin het uit zijn gedachten verbannen, toch had ook hun relatie zijn doen en laten voortdurend bepaald. Het was de reden dat hij hier steeds weer terugkeerde, zij het met soms lange tussenpozen. Hij keek de oude aan met in zich een vreemde mengeling van afkeer en genegenheid. En schuld. Want het was waar. De oude was zijn vader. En op een of andere manier gaf hem dat een verplichting die de wereld van het plasma vreemd was. Daar plantte alles zich voort zoals het groeide: op een onstuimige, ongecontroleerde manier, zonder gefixeerde verbanden. En die manier was nu al zolang de zijne, dat verwantschap een ver verwijderd gevoel was; zó diep weggestopt, dat het niet meer hanteerbaar was, zelfs niet wanneer het zich liet voelen.
         Op dat moment veroorzaakte de wirwar van emoties een kortsluiting in Johins denkbanen. Het merendeel van de gevoelens werd netjes gekanaliseerd en afgevoerd, maar een kleine hoeveelheid neurotransmitters lekte weg naar andere delen van zijn hersens. Via de hypofyse en het hormonale stelsel verspreidden ze zich door zijn lichaam als een geluidloze echo, om van daaruit weer zijn zenuwstelsel te beïnvloeden. Dat hele complexe proces speelde zich af in een fractie van een seconde en het veranderde alles.
         Maar de verandering was onzichtbaar, ook voor Johin zelf. Want zijn instemmen met het verzoek van de oude was binnen het ritueel van hun ontmoetingen de enige mogelijke reactie, net zoals het afscheid later, als de oude weer terugkwam, onafwendbaar zou zijn. En ook de mengeling van opluchting en spijt waarmee hij zijn vader nakeek, was hem bekend van zijn eerdere bezoeken.
         Johin begon door het appartement te ijsberen, in gedachten verzonken maar toch alert op eventuele geluiden uit de slaapkamer. Dat had hij immers beloofd. Hij liet zijn vingertoppen over oude stoelen en stapels half verrotte kleren glijden. Over onbestemde apparaten, houten planken, stapels kleverig plastic. Tot hij in een hoek kwam waar het wat opgeruimder was. Daar lag naast een oude leunstoel een slordige stapel boeken, elk met een zwarte kaft met daarop een etiket met teksten als ‘III 2041-2045’ of ‘X 2063-2066’. Johin ging in de stoel zitten, pakte een van de boeken en sloeg het op een willekeurige bladzijde open. De pagina’s waren gevuld met een slordig kriebelschrift, dat hij maar met moeite kon lezen.

     

    De elektronische en genetische revoluties veranderden de westerse samenleving, maar de grenzen van onze menselijkheid werden slechts weinig verlegd. Het was gewoon meer van het hetzelfde. Sneller, mooier, beter. Het plasma is echter anders. Het is niet bedacht, ontwikkeld en in productie genomen. Niet gebonden aan vraag en aanbod, aan conjunctuur of internationale betalingsbalansen. Het plasma lijkt wel een zelfstandig organisme. Maar dan zoals het mos of het plankton dat is. Diffuus. Zonder concrete motieven, behalve overleven en groeien.

     

    Johin schrok op door een geluid. Hij luisterde aandachtig, legde toen het boek neer en liep naar de slaapkamer. Het vrouwtje lag stil in bed, midden in de kamer. Johin liep er heen en keek op haar neer. Haar ogen waren gesloten, de dekens over haar borsten gingen langzaam op en neer. Ze sliep. Zachtjes liep Johin de kamer weer uit, terug naar de boeken die hij had gevonden. Een aantal bladzijden met weinig aansprekende mededelingen over dagelijkse beslommeringen sloeg hij over. Toen las hij weer verder.

     

    Ik dacht dat ik wist wat het is om ouder te worden, ouder te zijn. Hoe beperkt blijkt dat besef te zijn geweest, nu het plasma de kloof tussen jong en oud zo wijd heeft gemaakt. Natuurlijk is er nog steeds het afsterven. Lichamelijke en geestelijke vermogens die afnemen. Het wegteren van spieren en vetweefsels. Het rimpelend invallen van de huid en aftakelen van organen en hersens. Tot een definitief mankement het organisme stopt en de gedachten definitief bevriezen in de dood. Maar het was een onvermijdelijk lot dat zich overal en in iedereen toonde. We gingen met zijn allen dezelfde weg en wij ouderen toonden hoe je die weg zo goed mogelijk kon gaan. Nu is het echter een ziekte geworden. Mijn kinderen volgen mij niet meer sinds hun verouderen door het plasma is stilgezet. Al hun cellen regenereren zich volledig en hun geestelijke vitaliteit blijft op peil. En dat ontneemt ons de gemeenschappelijke basis waarop we elkaar als medemens konden ontmoeten.
         Maar de kloof is nog groter, want bovenop de onsterfelijkheid geeft het plasma al die bizarre vermogens. Veel van wat vroeger paranormaal was, is normaal geworden. Het beheersen van de eigen groeiprocessen bijvoorbeeld. Het laten materialiseren van gedachten en noem het verder maar op. Was ik tien jaar jonger geweest, dan zou ik die vermogens nu ook bezitten. Maar toen het plasma zich manifesteerde, was ik al een grens over en nu blijkt die grens onze werkelijke dood te zijn. Plotseling bevond ik mij op een verre planeet, omringd door buitenaardsen. In het land van de eeuwig levenden ben ik een langzaam vervagende geest geworden.

     

    Johins blik gleed van de pagina weg. De tekst verwarde hem. Het plasma was in zijn bewustzijn altijd en als vanzelfsprekend aanwezig geweest, maar blijkbaar bestond de wereld die hij kende nog maar kort. Hoe kon dat? En daarvoor zou er alleen maar het leven van de ouden zijn geweest. Zonder transformatie en condensatie. Zonder biopsychische koppelingen. Dat was toch een bespottelijke gedachte. Hij probeerde zijn hand te veranderen in een fel rood gekleurde klauw, maar de transformatie verliep moeizaam en Johin voelde een bijna pijnlijke vermoeidheid vanuit zijn hand naar zijn arm stralen. Geschrokken liet hij zich terugvallen in zijn grondvorm en voor het eerst sinds dagen stimuleerde hij een genotcentrum. Maar zelfs dat kon hem niet helemaal tot rust brengen en nerveus dwaalde zijn blik weer naar het boek.

     

    Zoals de zee ooit de basis was van het organische leven dat leidde tot de mens en zijn samenleving, zo is het plasma de basis van het huidige leven. Een leven waaraan een krachtig veld van bio-elektriciteit als een integrerende substantie is toegevoegd. En men accepteert de aanwezigheid van het plasma, net zoals de zwaartekracht wordt geaccepteerd. Een gegeven paard moet men niet in de mond kijken, maar toch is het vreemd dat elk analytisch denken met het plasma lijkt verdwenen. De behoefte aan begrip lijkt geheel overwoekerd door de mogelijkheden van lichamelijke zelfexpressie, in de meest brede betekenis van het begrip lichamelijk. Niemand weet wat het plasma is. En niemand vraagt het zich af.
         In ieder geval lijkt een zeer grote, dicht opeengepakte massa mensen vereist. Het plasma kwam immers voor het eerst tot expressie in de stadions. Die waren almaar groter en groter geworden. Overkoepeld door bewegende daken, die na verloop van tijd niet eens meer werden geopend. Afgesloten steden werden het, vol licht en beweging. Met allerlei soorten recreatie werden de bezoekers gelokt. Cafés, hotels, bubbelbaden, zonnebanken, golf courts. Steden die ook volledig selfsupporting waren, hetgeen mogelijk werd door de netwerken, de genentanks, de energietoevoer uit de stratosfeer. Uiteindelijk waren het de enige plaatsen waar menselijke emoties intens werden geuit, in een menigte die eerder in de geschiedenis onvoorstelbaar was. Het plasma lijkt wel een volgende stap in de evolutie; een gestalt die zich vormde toen de menselijke massa een bepaalde grens overschreed.

     

    Lezen was een bezigheid die Johin niet gewend was en de kleine letters vermoeiden hem. Hij sloeg het boek dicht en staarde voor zich uit. Zijn gedachten waren ver weg. Dichter bij de kriebels in het boek dan bij hemzelf. Een andere wereld, waarin het verouderingsproces geen omkeerbaar spel van huid en organen was, maar een diepe put waarin alles verdwijnt. Een wereld waarin het leven was versnipperd tot klonters cellen en geïsoleerde stukjes bewustzijn, net zoals de rommel om hem heen bestond uit tot losse onderdelen gesloopte apparaten. Wat een nachtmerrie moest dat zijn.
         Hij liep naar de slaapkamer, ging op de stoel naast het bed zitten en keek naar het karbonadevrouwtje. Een wereld vol met wezens als zij en de oude.
         Gedurende een lange tijd bleef Johin naar het vrouwtje zitten kijken. Naar haar volle lippen en zwarte haren, haar lange wimpers en hoge jukbenen. En langzaam maar zeker begon dat gezicht de indruk te wekken dat het leefde, dat elk moment de huid in beweging kon komen en gedachten zich in kleurrijke plasmapodiën zouden materialiseren. Hij streelde haar haren, die in springerige lokken over het kussen lagen. De stugge zachtheid deed hem plotseling verlangen naar de spelamoebe. Naar de warmte die hem dan omhulde, tot hij zich in zijn gedachtenveld had teruggetrokken en een deel van de toeschouwers met zich meevoerde naar de plasmadromen. Het werd tijd om terug te gaan.
         Plotseling merkte Johin dat het vrouwtje wakker was en hem aankeek. Betrapt sloeg hij zijn ogen neer en trok zijn hand terug. Hij wilde opstaan en weglopen, maar de verandering die zich eerder op de avond in hem had voltrokken deed zich nu gelden. Hij bleef zitten en keek haar weer aan. Ze glimlachte.
         ‘Het is lief van je om bij me te waken.’
         Ze haalde haar hand onder de deken vandaan en kamde met haar vingers door haar haren. Door die beweging viel het laken terug en kwam een deel van haar bovenlichaam bloot. Ronde schouder, de aanzet van een borst, donkere huid.
         In het begin had het vrouwtje hem geïrriteerd, daarna was ze uit zijn gezichtsveld verdwenen. Nu... nu was alles om hem heen gewoon geworden, vertrouwd zelfs. Johin werd zich bewust van de verandering in hem. Was er een weerstand weggevallen? Ging het dieper? Of was het alleen maar zijn besluit om te vertrekken waardoor de aanwezigheid van het vrouwtje niet meer bedreigend was? In ieder geval voelde hij een droeve genegenheid. Zo’n gevoel dat alle ruimte krijgt wanneer iets is verdwenen, en waar Johin machteloos aan werd overgeleverd omdat het vreemd was aan het plasma, waarin tijd wel bestond maar de dingen niet werkelijk voorbijgingen, slechts varieerden in hun uiterlijke verschijning.
         Johin legde zijn hand op haar schouder, waarop ze reageerde door hem langzaam naar zich toe te trekken. Na een korte aarzeling gaf hij mee en knielde op het bed neer, en vervolgens gebeurde alles als in een plasmadroom die hij zich nog niet helemaal eigen had gemaakt. De warmte van haar lichaam, het kussen en strelen. Ze bedreven de liefde zoals dat in het stadion al vele jaren niet meer was gedaan; gefixeerd in hun grondvorm. Het vrouwtje gebruikte daarbij alle technieken die haar eigen waren en Johin liet zich willoos meevoeren op de golven van haar passie, zonder ook maar één moment de behoefte tot transformatie te voelen. Integendeel. Dit vrijen leek hem juist meer met zijn grondvorm te verzoenen. Een proces dat in de heftigheid van het vrijen aan Johin voorbijging maar dat hem daarna vulde met een onbestemde weemoed.
         Niet lang na het vrijen stapte het vrouwtje uit bed. Het appartement van de oude was haar nog onbekend, maar ze wist toch een fles wijn en bekers te vinden, en uiteindelijk ook nog wat te eten. Tijdens het zoeken kwam ze geregeld de slaapkamer binnen en babbelde dan korte zinnetjes tegen Johin, zoals ‘dat was lekker, beertje’.
         Nu Johin zo nauw verbonden was geraakt met het vastomlijnde wezen van het karbonadevrouwtje, had hij de behoefte haar op een persoonlijkere wijze te benoemen. Maar hoe? Binnen het plasma werd iedereen geïdentificeerd door zijn persoonlijke afdruk: een zintuiglijk en buitenzintuiglijk patroon, dat los stond van het toevallige uiterlijk. Namen waren weliswaar noodzakelijk als een kern van de identiteit, de kapstok waaraan je je daden kon ophangen, maar behalve in de wedstrijdschema’s en ranglijsten van de dromers werden ze nauwelijks gebruikt. Nu plasmatische vermogens geen houvast boden leek er geen andere mogelijkheid dan een naam, en dus vroeg Johin hoe het vrouwtje heette.
         ‘Hoe ik heet? Maar schat, ik heet zoals jij me noemt.’
         Johin keek haar verbouwereerd aan. Hij stapte uit het bed, ging op de stoel zitten en pakte een van de glazen.
         Het vrouwtje zette zich aan zijn voeten en keek hem vol verwachting aan. ‘Mijn laatste minnaar noemde me Teringhoer,’ zei ze behulpzaam.
         ‘Teringhoer? Nee... Vrouwtje? Is dat iets?’
           ‘Ja hoor. Dat is een prachtige naam.’ Ze begreep dat ze voor hem niet langer een minderwaardig product uit de genentanks was en dat maakte haar gelukkig. Ze streelde zijn verschrompelde penis, in een poging hem opnieuw op te winden, maar Johin weerde haar af en stond op. Hij begon door de kamer te ijsberen en zag toen naast het bed net zo’n boek liggen als waarin hij eerder op de avond had zitten lezen. Automatisch bukte hij zich en pakte het boek op. Hij staarde er naar, keek toen naar het vrouwtje.
         ‘Het is tijd dat ik terugga.’
         Nog even aarzelde hij, toen draaide hij zich om en verliet het appartement, het vrouwtje in onbeweeglijke stilte achterlatend.

     

     

    De duisternis van het licht

     

    Buiten was het nacht, maar felle lampen, overal langs het stadion aangebracht, verlichtten alles overvloedig. Johin voelde zich zelfs méér op zijn gemak dan op de heenweg. In de voorbije dagen had niet alleen zijn lichaam zich verhard in zijn grondvorm, door de voortdurende werking van de denkbanen was hij ook geestelijk minder gevoelig en daardoor raakte de willekeur van het buiten hem nog maar nauwelijks. Hij zette er dan ook stevig de pas in en bereikte in relatief korte tijd zijn punt van vertrek.
         De rode gang was inmiddels opgeruimd. Bij het casino was de portier afwezig. Johin negeerde de lift, die zijn deuren uitnodigend opende, en besteeg de trappen. Langzaam voelde hij de volle kracht van het plasma terugkomen. Het veroorzaakte een tinteling in zijn lichaam en automatisch begon zijn huid een spel van kleuren en uitstulpingen, eerst nog aarzelend de verstarring doorbrekend, toen steeds uitbundiger. Even later barstten zijn gedachtenspinsels in tal van figuren naar buiten. Natuurlijk trok het de aandacht van de eerste voorbijgangers. Een van hen liet zijn huid in die van Johin vloeien, op zoek naar opwinding, maar met een geringe vereelting weerde Johin het contact af. Hij had geen behoefte aan contact en bovendien wilde hij het boek van de oude, dat hij nog steeds met zich meedroeg, niet verliezen. En dus bracht hij zichzelf tot rust en bereikte in een neutrale vorm ongestoord zijn kamer.
         Hij legde het boek op tafel, ging in de stoel zitten en maakte contact met het plasmascherm. Doelloos zwierf hij door de algemene frequenties, om zich ten slotte af te stemmen op de wedstrijdschema’s en laatste standen. Tot zijn schrik zag hij dat hij uit de top tien was verdwenen. Hoe was dat mogelijk? Hij schakelde over op en wedstrijdschema en zag dat hij pas over twee cycli weer aan de beurt was. Nerveus zocht hij de afgelopen dromen op en... Daar! Hij had strafpunten gekregen omdat hij bij zijn laatste droombeurt afwezig was geweest. Afwezig! Een gebeurtenis zonder precedent. Hij was veel langer weg geweest dan hij zich had gerealiseerd. Een golf van beweging spoelde door de kamer. Iets dat leek op veroudering. Dat afschrikwekkende begrip uit de wereld van de oude.
         Een pijnlijke leegte nam bezit van Johin. Net als die keer dat zijn plasmadroom uit de hand was gelopen en hij vele plaatsen op de ranglijst was gezakt, zelfs bijna zijn bevoorrechte status had verloren. Dus ook hier was er tijd! Niet zomaar als de voortdurende opeenvolging van gebeurtenissen en de daaruit voortvloeiende regelmaat. In dat opzicht was er altijd en overal tijd, ook in het plasma. Nee, het was eerder een tekortschieten.
         Johins ogen dwaalden door de kamer, zoekend naar een houvast dat er niet was. Uiteindelijk viel zijn blik op het boek van de oude en hij nam het ter hand, misschien omdat het zo concreet aanvoelde.

     

    Toen ik hier een tijd woonde en net als de anderen niets anders te doen had dan in de overblijfselen van mijn eigen wereld rond te wroeten, daar zelfs toe genoodzaakt was om te overleven, als een rat die niet in staat is het zinkende schip te verlaten... Na verloop van tijd begon ik mij af te vragen waarom al die ouderwetse machines in stand worden gehouden. Waarom de onderhoudsrobots nog steeds hun werk doen. Is dat alles een automatisch voortsukkelen van ongebruikte apparatuur? Of is het plasma toch niet zo machtig als het voor ons sukkelaars lijkt en heeft het die machines nodig om zijn wereld in stand te houden? Om zijn onderdelen, al die mensen in hun huidige hoedanigheid, in leven te houden... Dan ligt daar een raakvlak met ons leven, een gebied waarin wij bejaarden misschien nog een rol kunnen spelen.

     

    Het plasma niet almachtig en allesomvattend? Afhankelijk van domme, dode apparatuur? Wat een onzin! Johin legde het boek weg en keek weer om zich heen. Plotseling was alles benauwend. De kamer. De gedachten die in hem rondzwommen als een school vissen, geheel synchroon, zonder elkaar een millimeter te naderen.
         Johin stond op om de kamer te verlaten en zichzelf in het eeuwige feestgedruis van de plasmawereld te verliezen, maar op dat moment realiseerde hij zich dat de denkbanen nog steeds operationeel waren. Eén voor één ontkoppelde Johin ze. Daardoor moesten de neurotransmitters en elektrische ladingen wegvloeien naar andere delen van zijn hersens, waardoor de denkbanen zelf in een mum van tijd zouden moeten desintegreren. Maar dat gebeurde niet. Ze bleven in stand en gleden weer terug naar hun oorspronkelijke posities, als elkaar aantrekkende magneten. Ook een tweede poging slaagde er niet in de denkbanen te ontbinden. Het bracht Johin een moment in paniek, maar al snel berustte hij in zijn onvermogen. Veel last van de denkbanen had hij immers niet en waarschijnlijk zouden ze vanzelf wel oplossen als hij weer echt actief was in het plasmaleven.
         Alles was zoals het hoorde te zijn. Zoals het altijd was. De promenades waren een en al beweging, de recreatiezalen bomvol. Het leven bruiste in een voortdurende verandering van vormen, een wilde dans van het vlees. Johin sloot zich aan bij een lichamelijke fusie, waarbij hij zo handig de afstotingsreacties omzeilde, dat hij uiteindelijk zijn maag kwijt raakte. Daarna dwaalde hij verder naar een kleurrijk gedachtenspel, maar daar werd hij door zijn donkere tonen subtiel buitengesloten. Uiteindelijk kwam hij haast onvermijdelijk bij een van de vele toegangssluizen naar de tribunes. Het speelveld was voor hem pas toegankelijk bij zijn volgende droombeurt, maar de tribunes waren dat natuurlijk wel. Die waren altijd open, voor iedereen. En dus sloot Johin aan in de rij en schuifelde langzaam maar zeker vooruit. In de sluis werd hem zijn plaatsnummer ingeprent en kwam Johin in de eerste fase van het toeschouwen. Nog steeds Johin, was hij toch ook iets anders geworden. Meer een energieveld dan een lichaam.
         Daar op de tribunes was de intensiteit van het plasma groter dan waar in het stadion ook. Het straalde zelfs een vage gloed uit. Die gloed was het enige licht dat er aanwezig was, maar het plaatsnummer leidde Johin feilloos naar zijn plaats, dwars door de dicht opeen gepakte massa heen. Automatisch vonden zijn handen de rekjes langs het pad en volgden zijn voeten de treden omhoog. De energiecentrale kwam in zicht, een diepzwarte toren die tot in de stratosfeer reikte en die was omgeven door een goudgele gloed. Zo hoog ging hij. Bijna tot aan de panelen van het dak, waar de osmose tussen plasma en buitenwereld zichtbaar was als een voortdurende flikkering. Alleen de panelen die openstonden en waarvoor het luchtplankton zich had verzameld, vormden eilanden van egale duisternis.
         Zodra Johin op zijn plaats ging zitten, verdichtte zich het plasma om hem heen. Het vormde melkwitte draden, die via Johins mond en anus zijn lichaam in gleden. Johin werd één van de talloze knooppunten in het actieve plasmaweb en al snel bewoog hij zich daardoorheen, van droom naar droom. Als ver verwijderde taferelen schoven ze aan hem voorbij. Lieflijke sprookjes, arcadische tonelen, orgieën, bizarre werelden. Toen koos hij, aangetrokken door een sfeer van beklemming en onrust, voor de droom van Taxus, een dromer uit de top vijf.

     

     

    De bergen van het overleven

     

    De mastodonten marcheerden door de woestijn, op weg naar een doel dat zich achter de steeds wijkende horizon bleef verschuilen. De hemel was egaal blauw, met daarin de zon als een groot gat waardoor een overvloed aan licht en warmte de wereld in stroomde. De lucht trilde onrustig, met soms een vage illusie van leven.
         Toch renden de mastodonten dreunend voorwaarts. En dat al dagen lang. Onafgebroken. Een voor lagere levensvormen dodelijke tocht. Maar de mastodonten waren groot en sterk. Daarom zouden ze ook overwinnen, mits ze hun missie duidelijk in gedachten hielden, hetgeen niet makkelijk was voor hun kleine, van woede kokende breinen. Soms slaagde een van hen daar niet in en dan stormde die grauwend van de colonne weg. Zijn kop wild schuddend, happend naar de luchtspiegelingen.
         Johin hield zichzelf goed in de hand. Zijn woede reikte dieper dan die van zijn metgezellen; een massieve zwarte kern die meer met hemzelf dan met de missie te maken had. Aanvankelijk bevond hij zich in de achterhoede, maar door zijn gedrevenheid schoof hij langzaam op naar voren, tot vlak achter de dromer. Maar toen hij ook die voorbij wilde gaan, werd hij met een wilde grauw vol flitsende tanden teruggecommandeerd.
         Langzaam begon het landschap te veranderen. Aarzelend plooide de vlakte zich tot glooiingen en soms doorbrak een grillig gekartelde rotspartij de vloeiende lijnen. Het grauwe zand vulde zich met een groen waas.
         De mastodonten waren ervan overtuigd geweest hun vijanden vóór de bergen in te halen. Daarom waren zij groot en log. In één vloeiende beweging zouden ze over hen heen denderen. Maar nu ze de bergen naderden, waar de wezens zich in allerlei spleten en kieren konden verstoppen, leek dat plan te mislukken. De mastodonten begonnen te twijfelen. De dromer verhoogde het tempo en jaagde zijn manschappen op tot het uiterste. Maar sommigen haakten al af. Zij vervaagden langzaam en verdwenen dan plotseling met een doffe ‘plop,’ op weg naar een andere droom. En toen, toen de bergen al hoog de lucht in torenden, toen kregen de mastodonten hun tegenstanders in zicht: een uitwaaierende massa stipjes, rennend naar de veiligheid die zij bijna hadden bereikt.
         Ondanks hun omvang en gewicht schoten de mastodonten als vuurpijlen vooruit en op het moment dat de eerste vluchteling de rotsen bereikte, haalden zij hun prooi in. Enkele mastodonten konden niet meer afremmen en renden zich te pletter tegen de rotsen, maar de anderen stampten met hun poten en verpletterden de vijand meedogenloos. Hun lange nekken kronkelden door de lucht en hun eivormige koppen vol met tanden en kwijl wierpen gillende vijanden als speelgoed de lucht in. Stof en steen wolkten op, geschreeuw en gekreun vulden de droge lucht.
         Johin ontlaadde zijn moordzucht met iets meer overweging. Hij rende tot aan de rotsen, remde op tijd af en sneed de vijand de pas af. Sommigen klommen al tegen de rotsen omhoog, op weg naar veilige schuilplaatsen, maar met precieze bewegingen kreeg Johin de meesten van hen te pakken. Toen zag hij een grote groep naar rechts uitwijken, in de richting van een scherp gekartelde uitloper van het gebergte. Hij rende erheen, plaatste zich voor de kloof die achter de uitloper begon, bewoog zijn kop omlaag en...
         En toen stopten zijn bewegingen. Hij keek naar het groepje dat verstijfd van schrik voor hem stond. Een gehavend stelletje bejaarden, die met de beste wil ter wereld niet als gevaarlijke tegenstanders konden worden beschouwd. En midden in dat groepje stond het karbonadevrouwtje, gekleed in een jute jurk die met een touw om haar middel was dichtgesnoerd. Ze ondersteunde de oude. Hoe konden ze in de droom van een ander aanwezig zijn? Een vraag die in het kleine brein waarover Johin beschikte maar vaag aanwezig was. Meer als een ongemakkelijk gevoel dan een bewuste formulering. Het besef was echter sterk genoeg om zijn gedrag te bepalen. Hij bewoog zijn kop tot vlak voor het vrouwtje. Haar doodsangst ontlaadde zich in een kort maar heftig orgasme, waarbij haar blik zich richtte op een onzichtbare verte.
         Johin likte voorzichtig haar arm, net zolang tot ze zich weer onder controle had en hem aankeek. Hij wees met zijn kop naar de kloof, waarin de andere bejaarden inmiddels al waren verdwenen, en verbaasd schuifelde het vrouwtje in de aangewezen richting. Toen draaide ze zich plotseling om en rende er hals over kop vandoor.
         De gebeurtenissen waren niet opgemerkt door de andere mastodonten, die nog altijd bezig waren met brullen en stampvoeten, ook al was er geen mens meer te bekennen. Pas toen de dromer een juichende kreet slaakte, wierpen ze hun koppen triomfantelijk in de lucht. De strijd was ten einde en de overwinning was aan hen. Het feest van kleur en beweging kon beginnen.
         Niemand zag hoe Johin vervaagde en vervolgens verdween.

     

     

    De droom van de oude

     

    Johin verliet ijlings de tribunes. Hij voelde zich verward. Opgejaagd en bedreigd. Ondanks de denkbanen, die nog altijd intact waren. Flarden van de plasmadroom schoten door zijn hoofd en hij probeerde greep te krijgen op de beelden uit het primitieve mastodontenbrein, ze betekenis te geven door ze in zijn volledige persoonlijkheid te integreren. Waren het karbonadevrouwtje en de oude daadwerkelijk in de droom aanwezig geweest? Of was zijn waarneming door eigen emoties vertekend?
         Johin liet de drukte zoveel mogelijk langs zich heen gaan. Hij maakte daarvoor zelfs een omweg door minder populaire gangen en zalen. Toen hij eindelijk zijn kamer bereikt had, stemde hij zich meteen af op het plasmascherm en zocht naar opvallende berichten. Maar er werd niets verontrustends gemeld: zelfs het verslag van de droom over de mastodonten meldde slechts de achtervolging, de strijd en de uiteindelijke overwinning. Niets over het ontsnappen van een groep tegenstanders.
         Toch kon zijn ervaring niet uitsluitend persoonlijk zijn. Zo werkten de dromen nu eenmaal niet. Had hij zijn eigen verlangens in de droom van de ander geconcretiseerd? Dat kon toch niet? Toeschouwers konden toch alleen maar het leidende principe van de dromer volgen? Slechts binnen een kleine marge invloed op de gebeurtenissen uitoefenen? Of had hij dat wel kunnen doen omdat hij zelf een dromer was? Of had het iets te maken met de veranderingen in hem? Maakten de gefixeerde denkbanen hem minder diffuus? En vormde hij daardoor een concretiserende kern, zelfs in de droom van een ander?
         Zo werd Johin overspoeld door een golf van vragen zonder antwoord. Alleen zijn daad, het laten ontsnappen van een grote groep tegenstanders, was een gegeven, maar ook dat bood hem natuurlijk geen rust. Daarmee had hij immers de overwinning uitgehold tot een nederlaag, hetgeen de dromer in de toekomst voor onaangename verrassingen zou kunnen plaatsen. Verrassingen zonder precedent, waarvan de oorzaak te achterhalen was voor iedereen die de tijd nam om de droom van de mastodonten te herbeleven. En dan zou ook zijn perverse liefde voor het dode vlees van een karbonadevrouwtje algemeen bekend worden.
         Hij pakte het boek van de oude, heen en weer geslingerd tussen nieuwsgierigheid en een angstige afkeer. Een ogenblik zat hij onbeweeglijk, alleen zijn huid een nerveus veranderend patroon van felle kleuren. Toen won de nieuwsgierigheid het en bladerde Johin naar de laatste tekst in het boek.

     

    Gedurende mijn leven heb ik vaak het gevoel gehad dat alle daden die we stellen voorgeprogrammeerd zijn. Dat er, ondanks onze overtuiging dat we invloed uitoefenen op de loop der gebeurtenissen, een metafysische ordening is, die ons brengt naar de plaatsen waar we terechtkomen. En dat we, wanneer onze inspanningen die ordening dreigen te doorbreken, door een hoger, al even metafysisch principe terug tot die orde worden geroepen. Uit gemakzucht heb ik dat principe altijd maar God genoemd. Nu is dat gevoel weer heel sterk. En daarmee de vrees dat alles vergeefs is, dat God een sick joke met ons uithaalt. Er kan nog zoveel misgaan.
         Revival begon als een grap. Een onbereikbaar doel. Bezigheidstherapie, die het verstrijken van de tijd en het voortschrijdende verval moest camoufleren. Maar we hadden enkele meevallers en plotseling bleek het doel toch niet zo onbereikbaar. We kregen het werkstation in de lucht, maakten verbinding met de oude restanten van het internet. En er bleek leven op het net. Buiten het stadion, los van het plasma. Menselijk leven, net als wij. Primitief. Sterfelijk. Onveranderlijk, op het trage, plots zo snelle verouderen na.
         Ons besluit was natuurlijk onvermijdelijk: we laten dit afstervende bejaardenoord achter ons en trekken de woestijn over naar de menselijke nederzettingen bij de bergen in het oosten. Het is onzeker of we het halen, want we zijn allemaal oud en gebrekkig, maar we hebben geen andere keus. Niemand van ons. Ook ik niet. Want zelfs de bezoeken van Johin, zo uitzonderlijk als ze zijn, rechtvaardigen al lang niet meer mijn vegeterende bestaan. Ook hij is een vreemd wezen geworden, ondanks dat in dat vreemde wezen nog een klein stukje van mijn zoon is weggestopt.

     

    Een bestaan los van het plasma? Natuurlijk bestond er buiten het plasma nog een andere wereld, maar volgens Johin was daar geen menselijk leven mogelijk, anders dan in de gedegenereerde en gefixeerde grondvorm van een versnipperd bewustzijn. Zelfs voor de ouden, die slechts aan de periferie van het plasma leefden en zich in de buitenwereld waagden, zelfs voor hen moest dat een nachtmerrie zijn. Want uiteindelijk hadden ook zij hun bestaan aan het plasma te danken, al was het maar omdat zij in het stadion woonden. Dankzij het plasma hadden de ouden voldoende te eten en werden ze tegen de wispelturigheid van het buiten beschermd.
         De mensen binnen het plasma hielden zich met dergelijke zaken niet bezig. Voor hen waren de gebeurtenissen op het speelveld en in de recreatiezalen belangrijker. Johin had dan ook geleefd met overtuigingen die hij nauwelijks bewust was, maar nu ze plotseling onjuist leken, welden ze in hem op als afgeronde gedachten. Twee werkelijkheden stonden naast elkaar. Die van het plasmaleven en die van de ouden, die wél geloofden in leven buiten het plasma, niet als een nachtmerrie maar als een prettige droom.
         En op dat moment besefte Johin dat er iets mis was met de plasmadromen. Dat ze niet zomaar een spel waren binnen de baarmoeder van het stadion, maar dat ze in een afschrikwekkende relatie stonden met de buitenwereld. De droom van de mastodonten was niet zomaar een droom geweest, waarin hij zijn eigen gevoelens had geprojecteerd! Het was een concrete strijd geweest met de ouden die de tocht door de woestijn hadden overleefd. En in die strijd was hij, zelfs als dromer, slechts een pion. De dromen waren geen dromen!
         Lange tijd zat Johin onbeweeglijk voor zich uit te staren. De energiepatronen op het plasmascherm volgden elkaar op, maar hij nam ze niet waar. Zijn denkbanen temperden de onrust in hem, maar het inzicht waartoe hij was gekomen was toch overweldigend genoeg om hem te vullen met onrust. Zich intenser overgeven aan het plasma, steun zoeken bij het collectief, dat durfde hij niet, bang dat zijn ideeën en twijfels weerstand en afkeuring zouden oproepen. Uiteindelijk ontsloot hij delen van zijn hersens die hij nooit eerder had gebruikt. Schemerige ruimten vol leegte en onverstaanbare echo’s. En in die ruimten plaatste hij zijn verwarring. En toen, toen hij op die wijze enige orde in zijn gevoelens en gedachten had aangebracht, glimlachte hij plotseling.
         Hij zou zich niet van het plasma kunnen losmaken, daarvoor was hij er teveel van afhankelijk, maar hij had het vrouwtje en zijn vader geholpen en daarmee was hun droom ook een beetje van hem geworden. Wat er verder ook zou gebeuren: hij was een dromer. En dat zou hij blijven. Maar voortaan zou hij niet alleen uitdrukking geven aan zijn eigen dromen, maar ook aan de dromen van anderen. Met dat besef sloot hij in zichzelf de ruimten van chaos af, stond vervolgens op en verliet zijn kamer.    

     

     

    (c) 2007 Verschijnsel en Paul van Leeuwenkamp. Herdruk en verdere verspreiding verboden

 


Terug

Contacteer Verschijnsel

(c) 2010 Verschijnsel vzw en de diverse auteurs

illustratie Verschijnsel-toren (c) 2008 Tais Teng